← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:2812

Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 18 maart 2022 [verzoeker] [adres] [postcode] [plaats] verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 2 februari 2022 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 9 maart

  1. 2De feiten Verzoeker ontvangt inkomsten uit een Wajong-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 42.505,
  2. 3De beoordeling Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Verzoeker heeft een schuld aan de Belastingdienst van € 9.172,
  3. Uit het overgelegde overzicht van de Belastingdienst blijkt dat deze schuld betrekking heeft op onder meer niet- betaalde Inkomstenheffingen over de jaren 2015 tot en met 2019 en ten onrechte ontvangen huurtoeslag en zorgtoeslag in de periode 2017 tot en met
  4. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker om er voor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Verzoeker heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoeker te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten. Verder heeft verzoeker schulden bij het CJIB van in totaal € 7.759,
  5. In het overzicht van het CJIB is te zien dat hij een schadevergoedingsmaatregel open heeft staan van € 941,81 en schulden heeft die betrekking hebben op verkeersboetes, ontstaan in 2016, 2018, 2020 en
  6. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan en staan toelating in de weg. In dit verband wijst de rechtbank op artikel 5.3.
  7. van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Daaruit volgt, voor zover thans van belang, dat schulden aan de Belastingdienst die betrekking hebben op het niet nakomen van aangifteverplichtingen, schulden die zijn ontstaan uit misdrijf of overtreding, dan wel (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen (Wet Mulder-feiten), in beginsel schulden zijn die niet te goeder trouw zijn ontstaan (vgl. artikel 288 lid 1 sub b Faillissementswet). Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank dat de situatie van verzoeker onvoldoende stabiel is om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden. 4De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 maart
  8. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.