Rechtbank Rotterdam Team insolventie afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 7 april 2022 [verzoeker] , [adres] [postcode] [woonplaats] , verzoeker. 1.De procedure Verzoeker heeft op 29 oktober 2021 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoeker is gehoord ter terechtzitting van 31 maart
- 2.De feiten Verzoeker ontvangt inkomsten uit hoofde van een Ziektewetuitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 89.543,
- 3.De beoordeling Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is. De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke. Verzoeker heeft schulden bij het CJIB van in totaal € 12.443,04 volgens het overzicht van het CJIB d.d. 15 maart
- Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat deze schulden betrekking hebben op boetes die hij heeft opgelopen tijdens zijn werkzaamheden als zzp’er. Verzoeker heeft verklaard twee bestelbussen op zijn bedrijfsnaam te hebben gehad, waarvoor hij meerdere malen de verzekering niet kon betalen. Daarnaast heeft hij tijdens zijn werk als koerier meerdere boetes opgelopen. De boetes zijn ontstaan in de jaren 2017 tot en met
- Heel recent, in februari 2022, heeft verzoeker nog een auto op zijn naam gehad. In deze korte periode heeft verzoeker nogmaals twee boetes opgelopen bij het CJIB. Verzoeker heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet genoeg geld had om de verzekering voor de auto te betalen. Inmiddels heeft verzoeker deze auto niet meer op zijn naam staan. De schulden aan het CJIB zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan. Verzoeker heeft een schuld aan de Belastingdienst van in totaal € 39.759,- op grond van de door verzoeker bij het verzoekschrift aangeleverde crediteurenlijst. Deze schulden hebben een ontstaansdatum gelegen in de jaren 2017 tot en met
- Verzoeker heeft op terechtzitting aangegeven dat hij niet weet waar deze schulden vandaan komen. Verzoeker denkt dat het te maken heeft met zijn werkzaamheden als zzp’er, maar heeft aangegeven nooit bericht te hebben gehad van de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoeker ervoor zorg te dragen dat de Belastingdienst juist en volledig is geïnformeerd. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Verzoeker heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat hem ten aanzien van het ontstaan van deze schulden geen verwijt treft. Aldus is deze schuld aan de Belastingdienst niet te goeder trouw ontstaan. Verzoeker heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij na het krijgen van zijn eerste kind de focus op zijn financiën is verloren. Desgevraagd heeft verzoeker verklaard dat hij nog steeds geen overzicht heeft in zijn financiële situatie. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop gevreesd moet worden dat verzoeker de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen, meer in het bijzonder de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan. Feiten en omstandigheden die – ondanks het ontbreken van de goede trouw – toelating rechtvaardigen zijn niet voldoende aannemelijk geworden. De rechtbank merkt op dat het een goede ontwikkeling is dat verzoeker sinds april 2020 budgetbeheer heeft. De inkomsten van verzoeker gaan naar budgetbeheer. Budgetbeheer betaalt vervolgens de vaste lasten van verzoeker. Verzoeker is aldus op de goede weg. Al het voorgaande in aanmerking genomen, en mede met het oog op de ernst en de totale hoogte van de schulden die naar het oordeel van de rechtbank niet te goeder trouw zijn ontstaan, althans onbetaald zijn gebleven, oordeelt de rechtbank echter dat deze ontwikkelingen onvoldoende (althans onvoldoende bestendig van aard) zijn om een toelating tot de schuldsaneringsregeling op dit moment te rechtvaardigen. Verzoeker zou eventueel met behulp van een beschermingsbewindvoerder ervoor kunnen zorgen dat hij meer overzicht krijgt in zijn verplichtingen en financiën. Indien het leven van verzoeker zich (verder) stabiliseert zal een volgend verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling mogelijk meer kans van slagen hebben. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden. 4.De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van M. Melissant, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 april
- Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.