vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/621750 / HA ZA 21-603 Vonnis van 20 april 2022 in de zaak van 1. [naam eiser 1], wonende te [woonplaats eiser 1], 2. [naam eiser 2], gevestigd te [vestigingsplaats eiser 2], eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. M.W. Huijzer te Papendrecht, tegen [naam gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde], gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. B. van der Eijk te Capelle aan den IJssel. Partijen worden hierna [eisers] en [naam gedaagde] genoemd. Eisers worden afzonderlijk [naam eiser 1] en [naam eiser 2] genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 1 juli 2021, met producties 1 tot en met 29; de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 9; de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 30 tot en met 42; de usb-stick met 8 audiobestanden van [eisers]; de aanvullende producties 10 tot en met 19 van [naam gedaagde]; de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling op 10 maart 2022, van welke behandeling geen proces-verbaal is opgemaakt; 1.2. Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. [naam eiser 1] is middellijk bestuurder en enig aandeelhouder van [naam eiser 2], een drukkerij. 2.2. [naam gedaagde] houdt zich bezig met het beheer van onroerend goed en projectontwikkeling. De broers [naam 1] en [naam 2] zijn bestuurders en aandeelhouders van [naam gedaagde]. 2.3. Na eerst met een andere partij te hebben onderhandeld, hebben [naam eiser 1] en zijn voormalige partner, [naam 3] (hierna: [naam 3]) – ieder voor zich en als voormalige vennoten en vereffenaars van V.O.F. Linden-Medical – op 13 december 2018 met [naam gedaagde] een mondelinge koopovereenkomst (hierna: de mondelinge overeenkomst) gesloten met betrekking tot een aantal appartementsrechten, kort gezegd verschillende ruimtes in een bedrijfsgebouw, buitenruimte en een parkeerplaats aan/bij de [adres 1] (hierna als geheel aangeduid als de onroerende zaak; de ruimtes in het bedrijfsgebouw worden hierna samen aangeduid als het pand). 2.4. Op 19 december 2018 hebben deze partijen aanvullende afspraken schriftelijk vastgelegd in het document “Aanvullende afspraken behorende bij koopakte [adres 1]” (hierna: de aanvullende schriftelijke overeenkomst). De door [naam eiser 1], [naam 3] en [naam broers] namens [naam gedaagde] ondertekende aanvullende schriftelijke overeenkomst vermeldt het volgende (de cursief weergegeven tekst is met de hand op deze overeenkomst geschreven): “ 1. [naam gedaagde] levert in de toekomst aan [naam eiser 1] / [naam 3], voor een bedrag van € 100.000,- exclusief BTW, een ruimte in de nieuwe ontwikkeling op [straatnaam]. Deze ruimte heeft de volgende kenmerken: Minimaal 115 m2, rechthoekig van vorm. + werkruimte ca 30 m2 Lengte, breedte en hoogte nader te bepalen, afhankelijk van ontwikkeling. Hoogte minimaal 3.20 m Casco oplevering, kale ruimte met eigen meterkast en afgedopte riolering. 2. [naam gedaagde] begeleidt voor [naam eiser 1] de gemeentelijke procedure voor de aanvraag van het plaatsen van een container in de tuin van [adres 2]. 3. [naam gedaagde] begeleidt voor [naam eiser 1] de gemeentelijke procedure voor de aanvraag van het plaatsen van een vlaggenmast in de tuin van [adres 2]. 4. [naam gedaagde] en [naam eiser 1] / [naam 3] hebben op donderdag 13 december 2018 een mondelinge overeenkomst gesloten over de aan-/verkoop van de [adres 1]. Deze mondelinge overeenkomst is nader besproken met [naam gedaagde] en [naam eiser 1] in bijzijn van notaris [naam notaris] van [naam kantoor]. De mondelinge overeenkomst wordt nader uitgewerkt door [naam kantoor] en uiterlijk 31 december ’18 zal de overdracht van [adres 1] plaatsvinden.” 2.5. Bij akte van levering van 3 januari 2019 (hierna: de akte van levering) is de onroerende zaak aan [naam gedaagde] geleverd. De akte van levering vermeldt, voor zover hier van belang: “OVERIGE KOOP- EN LEVERINGSBEPALINGEN Met betrekking tot de koop en levering gelden verder de volgende bepalingen:(…) 4. Directe aanvaarding Het Verkochte wordt vandaag geleverd en aanvaard gedeeltelijk verhuurd. Koper is genoegzaam bekend met de huurovereenkomsten. De huurinkomsten zijn tot oplevering voor verkoper. Verkoper garandeert dat de huidige huurovereenkomsten uiterlijk per één april tweeduizend negentien zullen zijn ontbonden, zulks met uitzondering van de huurovereenkomst met Sham Autobedrijf, welke huurovereenkomst uiterlijk één oktober tweeduizend negentien moet zijn ontbonden. Zolang het Verkochte niet vrij van huur wordt opgeleverd, zulks met uitzondering van de huurovereenkomst met Sham Autobedrijf, is koper niet verplicht de Hoofdsom af te lossen. De oplevering dient plaats te vinden vrij van meubelen en chemicaliën. Het niet verhuurde gedeelte van het Verkochte wordt vandaag geleverd en aanvaard vrij van huur of andere gebruiksrechten en vrij van aanspraken tot gebruik, leeg en ontruimd. 5. Aflevering en overgang van het risico De aflevering van het Verkochte aan koper vindt plaats uiterlijk één april tweeduizend negentien, met inachtneming voor het bepaalde in artikel 4.Vanaf heden is het Verkochte voor rekening en risico van koper. 6. Verrekening van vaste lasten De periodieke lasten die door publiekrechtelijke organen met betrekking tot het Verkochte worden geheven, zijn vanaf één januari tweeduizend negentien voor rekening van koper. 2.6. [naam gedaagde] had en heeft de intentie om het pand te laten slopen en op het perceel nieuwbouw te ontwikkelen. Tot op heden is geen sloopvergunning ontvangen en is de sloop niet aangevangen. 2.7. Na het notariële transport van de onroerende zaak zijn [eisers] een bedrijfsruimte in het pand blijven gebruiken zoals zij dat daarvoor ook deden. Hiervoor betalen [eisers] geen vergoeding aan [naam gedaagde]. 2.8. Ook Sham’s Autobedrijf (hierna: Sham) is na het notariële transport van de onroerende zaak in het pand blijven zitten. 2.9. Op 2 april 2019 hebben [naam eiser 1] en Sham een huurbeëindigingsovereenkomst (hierna: de huurbeëindigingsovereenkomst) ondertekend die, voor zover hier van belang, vermeldt: “(…)b. Huurder en Verhuurder zijn in gezamenlijk overleg overeengekomen de voor vermelde huurovereenkomst betreffende het object per 1-10-2019 (…) te beëindigen onder de navolgende voorwaarden. (…) 1. Ontruiming en OpleveringHuurder verplicht zich het gehuurde op 1-10-2019 (…) aan Verhuurder op te leveren (…)” 2.10. Per e-mail van 14 februari 2020 om 11:07 uur heeft [naam gedaagde], voor zover hier van belang, het volgende aan [naam eiser 1] bericht: “Op pagina 6, artikel 4 van de akte van levering van de [adres 1] staan de afspraken omtrent autobedrijf Sham omschreven. Hier staat omschreven dat alle lopende huurinkomsten van het pand na oplevering voor koper zijn. Desondanks hebben wij begrepen dat Autobedrijf Sham aan u huur heeft betaald deze periode. Dit hebben wij tot 1 oktober 2019 door de vinders gezien. Het blijkt echter dat na 1 oktober 2019 nog 4 maanden huur is betaald door Autobedrijf Sham aan u. Het betreft volgens [naam 4] een bedrag van € 1.200,- per maand. Hoe vindt u dat wij dit moeten oplossen?” 2.11. Sham heeft tot en met januari 2020 € 1.200,- per maand aan [naam eiser 1] betaald. Vanaf februari 2020 is hij dit bedrag aan [naam gedaagde] gaan betalen. 2.12. Per e-mail van 14 februari 2020 om 11:15 uur heeft [naam gedaagde] het volgende aan [naam eiser 1] bericht: “Bij wijze van coulance heeft u na de levering van [adres 1] aan [naam gedaagde] onbezoldigd gebruik mogen maken van het pand. Bij deze deel ik u mede dat deze periode tot een einde is gekomen. Wij verzoeken u het door u gebruikte deel van dit pand per 1 april 2020 leeg op te leveren [e]n al uw sleutels in te leveren.” 2.13. [eisers] hebben niet aan het verzoek van [naam gedaagde] voldaan en weigeren eerder dan bij de daadwerkelijke sloop uit het pand te vertrekken. 2.14. Op 16 maart 2021 heeft [naam 3] een schriftelijke verklaring ondertekend. De verklaring vermeldt, voor zover hier relevant: “(…) De eerste gesprekken met [naam gedaagde] rondom de verkoop zijn begonnen op 7 december 2018 en hebben plaatsgevonden in het kantoor van Linden-Medical. [naam broers] waren daarbij aanwezig en ook [naam eiser 1] en ik. Ik was ook eigenaar van het pand. [naam gedaagde] was door de gemeente naar ons gestuurd en wist van te voren al dat wij al in vergevorderde onderhandelingen met Concom Advies (…) waren. Nadat wij ons persoonlijke verhaal hadden verteld (…) hebben we ook verteld wat we precies met Concom Advies hadden afgesproken, o.a. de voorwaarde van [naam eiser 1] dat hij tot aan de sloop kosteloos in het pand mocht blijven zitten, dat hij vervolgens korte tijd gebruik wilde maken van een zeecontainer in zijn tuin en vervolgens een nieuwe plek zou krijgen in de nieuwbouw. (…) [naam broers] stemden in met de voorwaarden van [naam eiser 1] (en mij), zodat ik ook met mijn yogalessen door kon blijven gaan tot het moment van de sloop.Juist omdat [naam gedaagde] aangaf aan deze voorwaarden te zullen voldoen, heeft [naam eiser 1] rond 14 december 2018 aan Concom Advies laten weten niet langer met deze partij te willen doorgaan, maar zaken te willen doen met [naam gedaagde]. Op 19 december 2018 vond er nog een bespreking plaats in dezelfde setting (ook met de mensen van [naam gedaagde], [naam eiser 1] en ik). Eigenlijk zijn op die bespreking dezelfde afspraken nog eens herhaald, maar met wat extra details (zoals bijvoorbeeld (…) de specificaties van de terug te kopen ruimte, de verhuizing (voor korte tijd) naar de thuislocatie (met zeecontainer), etc.). met [naam gedaagde] is toen ook afgesproken dat zij de vergunningsaanvraag daarvoor zou begeleiden. Die zou zijn voor opslag, maar ook voor lichte werkzaamheden, zodat [naam eiser 1] in de periode tussen de sloop en nieuwbouw toch zijn werkzaamheden kon blijven uitvoeren. In de dagen hierna hield [naam eiser 1] mij steeds op de hoogte van afspraken omtrent betaling, het moment van levering bij de notaris en andere praktische zaken. Ik weet bijvoorbeeld (…) dat met [naam gedaagde] is afgesproken dat het pand (omdat het toch gesloopt zou worden) niet bezemschoon en leeg hoefde te worden opgeleverd en dat [naam eiser 1] materialen van het pand mocht gebruiken als hij dat wilde. Ook heb ik in die periode meegekregen dat is afgesproken dat [naam eiser 1] en ik kosteloos mochten blijven zitten en dat alle lasten tot aan de sloop voor [naam gedaagde] waren. Alle opbrengsten van de enige huurder die mocht blijven zitten (Sham’s Autobedrijf) zouden ook voor [naam eiser 1] zijn. (…) In 2019 heb ik een aantal keer telefonisch en per e-mail contact gehad met [naam gedaagde] over het pand, ontvangen post en mijn yogalessen. Er is in die periode nooit door [naam gedaagde] gezegd dat [naam eiser 1] of ik iets moesten betalen voor gebruik van de ruimte.” 2.15. In het vonnis van 30 april 2021 in een kortgedingprocedure tussen partijen heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [naam gedaagde] veroordeeld om met onmiddellijke ingang, tot uiterlijk 1 maart 2022 dan wel, indien eerder zou worden aangevangen met de sloop van het pand, tot twee weken voor dat eerdere moment, het voortgezette gebruik van de bedrijfsruimte aan [eisers] te verschaffen. [eisers] moeten voor dat gebruik aan [naam gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 1.000,- per maand betalen. 3. Het geschil in conventie 3.1. [eisers] vorderen - na hun eis tijdens de mondelinge behandeling te hebben verminderd - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: voor recht verklaart dat [eisers] kosteloos in het pand mochten en mogen verblijven tot aan de datum van sloop, althans tot twee weken voorafgaand aan de daadwerkelijke sloop, en [naam gedaagde] veroordeelt om dat kosteloze gebruik tot dat moment te gehengen en te gedogen; [naam gedaagde] veroordeelt tot (terug)betaling aan [eisers] van de in het kader van het kortgedingvonnis van 30 april 2021 onverschuldigd aan [naam gedaagde] betaalde gebruiksvergoeding van € 1.000,- per maand; [naam gedaagde] veroordeelt om de vanaf februari 2020 van Sham ontvangen huurpenningen van € 1.200,- per maand, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen (steeds vanaf de laatste dag van iedere maand) aan [eisers] te betalen; [naam gedaagde] veroordeelt om vanaf de datum van sloop van het pand voortvarend een aanvang te nemen met de nieuwbouw en die bouw voortvarend af te wikkelen, met verklaring voor recht dat een bouwtermijn van 30 maanden (vanaf datum sloop), onvoorziene omstandigheden daargelaten, redelijk is en met oplegging van een door [naam gedaagde] aan [naam eiser 1] te betalen vergoeding of dwangsom van € 1.000,- per maand dat de nieuwbouw na de sloop binnen die redelijke termijn niet zodanig gerealiseerd is dat [naam eiser 1] zijn intrek in de casco op te leveren ruimte kan nemen; voor recht verklaart dat [naam eiser 1] in het nieuw door [naam gedaagde] te bouwen pand tegen betaling van € 100.000,- een casco pand geleverd krijgt dat voldoet aan de volgende voorwaarden:- minimaal 115 m², rechthoekig van vorm + een werkruimte van 30 m² (bij elkaar dus minimaal 145 m²); - hoogte minimaal 3.20 meter, voor het overige nader te bepalen; - casco oplevering, kale ruimte met eigen meterkast en afgedopte riolering; - niet alleen geschikt als bedrijfsruimte, maar ook als appartement(en); - inclusief parkeerruimte (die voldoet aan de parkeernorm van de gemeente); 6. [naam gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [naam eiser 1] van € 88.673,88 aan schadevergoeding (berekend tot en met 10 maart 2022), te vermeerderen met de huur en brandstof van de generator en de werkelijke advocaatkosten vanaf 11 maart 2022, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag aan schadevergoeding, althans schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en tot betaling van een voorschot daarop van € 25.000,-, althans een door de rechtbank passend geacht voorschot; 7. [naam gedaagde] veroordeelt tot afgifte van de destijds door [naam eiser 1] in het pand opgeslagen machines, die thans (voor [naam eiser 1]) spoorloos zijn, althans vergoeding van de waarde van deze machines aan [naam eiser 1]; met veroordeling van [naam gedaagde] in de kosten van het geding. 3.2. [eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag nakoming van de door partijen gemaakte afspraken dat [eisers] tot de sloop kosteloos in het pand mochten blijven zitten, dat de huurpenningen van Sham tot de sloop aan [eisers] toekomen en dat [naam gedaagde] vanaf de levering alle kosten van het pand, waaronder de energiekosten, voor haar rekening zou nemen. [naam gedaagde] moet de schade vergoeden die [eisers] hebben geleden door het niet nakomen van deze afspraken. [naam eiser 1] heeft met [naam gedaagde] daarnaast afspraken gemaakt over de (ver)koop en levering van een ruimte in de door [naam gedaagde] te realiseren nieuwbouw. Nu [naam gedaagde] die afspraken ontkent, heeft [naam eiser 1] er recht op en belang bij dat voor recht wordt verklaard dat de gestelde afspraken zijn gemaakt. 3.3. [naam gedaagde] betwist dat de overeenkomst tussen partijen meer omvat dan wat in de akte van levering en de aanvullende schriftelijke overeenkomst is vastgelegd. De afspraken waarop [eisers] zich beroepen, blijken daar niet uit en zijn nooit gemaakt. [naam gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt, voor zover van belang, onder de beoordeling nader ingegaan. 4. Het geschil in reconventie 4.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad: [verweerders] hoofdelijk veroordeelt om de bedrijfsruimte en alle overige ruimten in het pand binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, met al diegenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop van zijnentwege bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen, met afgifte van de sleutels van dit pand en de bedrijfsruimte aan [eiseres] ter beschikking te stellen en leeg op te leveren, alsmede dit pand verlaten en ontruimd te houden; [verweerders] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de gebruikskosten van € 2.100,- per maand (een gedeelte van een maand daaronder begrepen), althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, vanaf 1 april 2020 tot aan de dag van ontruiming, te vermeerderen met de daarover per maand verschuldigde wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente; [verweerders] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 1.800,- aan schadevergoeding voor het door [verweerders] beschadigde hekwerk en € 2.250,- voor de schade aan de wand van het pand, althans een door de rechtbank te bepalen schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente; [verweerders] hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 4.800,- ter zake de door [verweerders] geïnde penningen van Sham, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, vanaf de dag van verschuldigdheid, althans de dag van dagvaarding; primair de overeenkomst van 19 december 2018 ten aanzien van artikel 1 partieel ontbindt, subsidiair artikel 1 van de overeenkomst wijzigt zodanig dat voor een door [eiseres], elders dan in de nieuwbouw, aan te bieden ruimte de koopsom ten tijde van levering door een deskundige en onafhankelijke makelaar zal worden bepaald op een bedrag in overeenstemming met de reële marktconforme waarde van de ruimte, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag; [verweerders] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 1.159,-; met veroordeling van [verweerders] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis. 4.2. [eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [verweerders] zonder recht of titel in het pand verblijven, door onrechtmatige gedragingen schade aan het bedrijfspand hebben toegebracht en zich ten onrechte (huur)penningen van Sham hebben toegeëigend. Wegens onvoorziene omstandigheden kan de overeenkomst ten aanzien van de koopoptie in de nieuwbouw niet ongewijzigd in stand blijven, aldus [eiseres]. 4.3. [verweerders] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen althans afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [eiseres] in de proceskosten, inclusief de nakosten. [verweerders] beroepen zich daarbij op de in conventie gestelde afspraken. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5. De beoordeling in conventie en in reconventie 5.1. Gelet op de nauwe samenhang zal de rechtbank de vorderingen in conventie en in reconventie grotendeels gezamenlijk beoordelen. De overeenkomst 5.2. Tussen partijen staat vast dat [naam eiser 1] en [naam 3] met [naam gedaagde] een koopovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de onroerende zaak. Partijen verschillen van mening over de vraag welke verbintenissen uit die overeenkomst voortvloeien en of die verbintenissen zijn nagekomen. Verblijf [eisers] in het pand (vordering 1 en 2 in conventie, vordering 2 in reconventie) 5.3. [eisers] stellen dat is overeengekomen dat [eisers] tot de sloop kosteloos in het pand mogen blijven zitten. Onder dit kosteloos gebruik valt volgens [eisers] dat [naam gedaagde] ook na de levering alle kosten van het pand, waaronder de energiekosten, voor haar rekening zou nemen. [eisers] onderbouwen deze stelling onder meer met de schriftelijke verklaring van [naam 3], waarvan [naam gedaagde] de juistheid betwist. [naam gedaagde] betwist de gestelde afspraken. Volgens haar zijn alle gemaakte afspraken in de akte van levering of de aanvullende schriftelijke overeenkomst vastgelegd. 5.4. De beslissing op deze vorderingen staat of valt met het al dan niet bestaan van de door [eisers] gestelde en niet in de akte van levering of de aanvullende schriftelijke overeenkomst vastgelegde afspraken over voortgezet kosteloos gebruik van de bedrijfsruimte in het pand. De rechtbank kan thans niet vaststellen of deze afspraken zijn gemaakt (en zo ja, wat deze afspraken inhouden), omdat [eisers] hun stellingen op dit punt voldoende hebben onderbouwd en [naam gedaagde] deze stellingen voldoende gemotiveerd heeft betwist. Om die reden zal de rechtbank [eisers] in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van het bestaan van de door hen gestelde afspraken. Huurpenningen Sham (vordering 3 in conventie en vordering 4 in reconventie) 5.5. Tussen partijen staat vast dat [naam eiser 1] in de akte van levering heeft gegarandeerd dat de huurovereenkomst met Sham uiterlijk op 1 oktober 2019 zou zijn ontbonden. Sham heeft het pand op 1 oktober 2019 niet verlaten. In geschil is welke partij vanaf die datum recht heeft op de door Sham betaalde vergoeding van € 1.200,- per maand voor het gebruik van de ruimte. 5.6. Bij de uitleg van de in de akte van levering neergelegde afspraak over de ontbinding van de huurovereenkomst met Sham komt het aan op de betekenis die de partijen bij deze akte in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen en aan de formulering van deze afspraak in de akte mochten toekennen en op wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De ontbinding van de huurovereenkomst door de verkopers is immers een verbintenis die los staat van de goederenrechtelijke levering van de appartementsrechten, zodat een objectieve uitleg van de akte van levering op het punt van de ontbinding van de huurovereenkomst met Sham niet aan de orde is. 5.7. Uit de door (voor zover hier van belang) [naam eiser 1] en [naam gedaagde] gemaakte afspraak dat [naam eiser 1] de huurovereenkomst met Sham uiterlijk per 1 oktober 2019 zou ontbinden, volgt dat [naam eiser 1] ervoor moest zorgen dat Sham het pand uiterlijk op 1 oktober 2019 zou verlaten. Een huurder wordt immers geacht het gehuurde te verlaten na beëindiging of ontbinding van de huurovereenkomst. [naam gedaagde] mocht er dan ook redelijkerwijs van uitgaan dat Sham op en na 1 oktober 2019 niet meer in het pand zou zitten. Uit de door [naam eiser 1] met Sham gesloten huurbeëindigingsovereenkomst volgt dat [naam eiser 1] de in de akte van levering opgenomen afspraak met [naam gedaagde] ook zo heeft begrepen. Uit niets volgt dat [eisers] (desondanks) aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor het gebruik van het pand door Sham vanaf 1 oktober 2019. De partijen bij de akte van levering zijn ervan uitgegaan dat Sham op 1 oktober 2019 zou zijn vertrokken uit het pand. Het pand was na de levering eigendom van [naam gedaagde], zodat [naam eiser 1] aan Sham vanaf (voor zover hier van belang) 1 oktober 2019 geen huur- of gebruiksgenot meer kon verschaffen. Het was vanaf die datum uitsluitend aan [naam gedaagde] om te bepalen of Sham (ondanks de huurbeëindigingsovereenkomst) nog in het pand mocht blijven zitten en een eventuele vergoeding daarvoor te incasseren. 5.8. Dit betekent dat vordering 3 in conventie bij het eindvonnis zal worden afgewezen en dat vordering 4 in reconventie wat betreft de hoofdsom bij het eindvonnis jegens [naam eiser 1] zal worden toegewezen. Jegens [naam eiser 2] zal deze vordering bij het eindvonnis worden afgewezen. [naam eiser 2] is geen partij bij de verkoop en de levering van de onroerende zaak en de in dat kader gemaakte afspraken over de huurovereenkomst met Sham. Voorts is gesteld noch gebleken dat [naam eiser 2] partij is bij de door [naam eiser 1] met Sham gesloten overeenkomst(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.