RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/2944 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2022 in de zaak tussen [naam eiser], uit [woonplaats eiser], eiser en het college van burgemeester en wethouders van Hoeksche Waard, verweerder gemachtigde: mr. E.Y. van Huut. Procesverloop Bij besluit van 26 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen het plaatsen van een tuinhuis en schutting op de percelen met kadastrale nummer [nummer 1] en [nummer 2] horend bij het perceel aan de [adres 1] afgewezen. Bij besluit van 28 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullende gronden ingediend. De rechtbank heeft partijen gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord. Geen van partijen heeft verklaard daar gebruik van te willen maken. Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser is woonachtig aan de [adres 2]. Eiser heeft verweerder op 13 november 2017 verzocht om handhavend op te treden tegen het plaatsen van erfafscheidingen en tuinhuizen op de percelen grenzend aan de [adres 3], [adres 1], [adres 4], [adres 5], [adres 6] en [adres 7]. Bij besluit van 22 maart 2018 heeft verweerder geweigerd handhavend op te treden. Bij besluit van 30 augustus 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen die weigering ongegrond verklaard. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 17 februari 2020 (ROT 18/4659) het door eiser ingestelde beroep, voor zover dat ziet op het perceel aan de [adres 1], niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft vervolgens bij uitspraak van 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2983) het hoger beroep van eiser, voor zover dat het perceel aan de [adres 1] betreft, gegrond verklaard en de zaak inhoudelijk beoordeeld. De Afdeling heeft overwogen dat het tuinhuis en de erfafscheiding omgevingsvergunningvrij zijn en dat verweerder daarom niet bevoegd was om handhavend op te treden. Het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2018, voor zover dat gaat over het handhavingsverzoek over de bouwwerken op het perceel aan de [adres 1], wordt daarom ongegrond verklaard. Het afwijzende besluit van 30 augustus 2018 staat daarom in rechte vast. 2. Eiser heeft op 4 februari 2021 een nieuw verzoek om handhaving ingediend. Het handhavingsverzoek luidt als volgt: “(…) Verzoek om handhaving Gelet op vorenstaande overwegingen verzoek ik het college van B&W om handhavend op te treden tegen de onrechtmatige bebouwingen op grond van artikel 6.2 van de planregels van het bestemmingsplan 'Torensteepolder 2015', gelezen in verbinding met bijlage II van het Bor en artikel 2.12 van de Wabo. Naar het oordeel van appellant is het bouwen van bijbehorende bouwwerken op de achterpercelen, grenzend aan het woonperceel aan de [adres 1] gelegen in het bestemmingsplan `Buitensluis', in strijd met het bestemmingsplan 'Torensteepolder 2015', omdat niet wordt voldaan aan één of meer van de in artikel 2 van bijlage II van het Bor gestelde eisen. Het handhavingsverzoek ziet op de kadastrale achterpercelen nummer [nummer 1] en nummer [nummer 2]. (…)” 3. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser aangemerkt als een herhaald verzoek om handhaving. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser eerder een handhavingsverzoek met dezelfde strekking heeft ingediend en dat er nu geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderende omstandigheden die tot een ander besluit zouden moeten leiden. Verweerder wijst het hernieuwde verzoek van eiser daarom, onder verwijzing naar het eerdere afwijzende besluit van 22 maart 2018 en het in bezwaar gehandhaafde besluit van 30 augustus 2018, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af. 4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, met onderschrijving en inachtneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie van 27 mei 2021, in stand gelaten en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 5. Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert hiertoe – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de aanwending van artikel 4:6 van de Awb niet heeft gemotiveerd. Verweerder heeft ten onrechte geen gebruik gemaakt van het criterium evidente onredelijkheid. Daarnaast stelt eiser dat verweerder ten onrechte de toonaangevende uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 december 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:16712) buiten beschouwing heeft gelaten. Artikel 4:6 van de Awb is namelijk in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ook heeft verweerder ten onrechte de richtinggevende opmerking van staatsraad Van Diepenbeek van 24 februari 2020 niet relevant bevonden. Eiser stelt dat deze opmerking een novum is welke het gebruik van artikel 4:6 van de Awb in de weg stond. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat zijn processuele positie ernstig is geschaad doordat de rechtbank Rotterdam het beroep in de procedure naar aanleiding van het handhavingsverzoek van 13 november 2017 niet inhoudelijk heeft beoordeeld en dat daardoor de Afdeling de zaak niet heeft gecontroleerd. Bovendien was de periode tussen het indienen van het beroep en de uitspraak te lang. Daarnaast stelt eiser dat zijn processuele positie ook is geschaad doordat verweerder een beroep heeft gedaan op overmacht door COVID-19 inzake de toepassing van artikel 7:2 van de Awb alsmede vanwege het handelen in strijd met artikel 7:1a, vierde lid, van de Awb dan wel de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser stelt zich tevens op het standpunt dat de ambtelijke hoorcommissie blijk geeft van ernstige vooringenomenheid. Het had verweerder gesierd als hij mee had gewerkt aan rechtstreeks beroep. Tot slot stelt eiser dat het bestreden besluit niet rechtsgeldig is omdat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb aangaande de onderzoeksplicht en de vereiste motivering die bij besluitvorming in acht genomen hadden moeten worden. 6. De rechtbank overweegt als volgt. 6.1. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. 6.2. Het verzoek van eiser van 4 februari 2021 is gericht op handhavend optreden tegen de onrechtmatige bebouwingen (tuinhuis en schutting) op het perceel aan de [adres 1] (kadastrale nummer [nummer 1] en [nummer 2]) te [plaatsnaam]. Op grond van artikel 6.2 van de planregels van het bestemmingsplan 'Torensteepolder 2015', gelezen in verbinding met bijlage II van het Besluit omgevingsrecht en artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn de bebouwingen volgens eiser onrechtmatig. Eisers verzoek van 13 november 2017, dat heeft geresulteerd in het afwijzend besluit van 22 maart 2018, betrof onder meer het verzoek om handhavend op te treden tegen het plaatsen van een tuinhuis en schutting op het perceel aan de [adres 1] (kadastrale nummer [nummer 1] en [nummer 2]) te [plaatsnaam]. Gelet hierop is de rechtbank in beginsel van oordeel dat het verzoek van 4 februari 2021, dat het startpunt vormt van deze procedure, een herhaalde aanvraag is als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. 6.3. De rechtbank zal daarom aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden moeten toetsen of verweerder zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn ten opzichte van dat eerdere verzoek en het besluit daarop. Als het bestreden besluit die toets kan doorstaan, zal de rechtbank aan de hand van wat in beroep is aangevoerd beoordelen of het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. 6.4. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.