RECHTBANK ROTTERDAM zaaknummer: 9641055 / CV EXPL 22-1793 uitspraak: 25 maart 2022 vonnis van de kantonrechter, zitting houdende in Rotterdam, in de zaak van de stichting Stichting Woonbron (hierna: Woonbron), gevestigd in Rotterdam, eiseres, gemachtigde: mr. S.E. van Ligten te Amsterdam, tegen [gedaagde] (hierna: [afkorting naam gedaagde]), wonende in [woonplaats gedaagde], gedaagde, procederend in persoon.
- Het verloop van de procedure 1.
- Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het exploot van dagvaarding van 10 januari 2021, met producties 1 tot en met 9; de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde] op de rolzitting van 19 januari
- 1.
- De kantonrechter heeft bepaald dat dit vonnis vandaag wordt uitgesproken.
- De vaststaande feiten De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten. 2.
- [gedaagde] huurt sinds 21 november 2017 van Woonbron de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde).
- Het geschil 3.
- Woonbron vordert dat: de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde wordt ontbonden; [gedaagde] wordt veroordeeld om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] hier niet aan voldoet, met een maximum van € 15.000,00; [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 619,57 per maand vanaf de datum van ontbinding van de huurovereenkomst tot aan de datum van ontruiming van het gehuurde; [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling aan Woonbron van de kosten voor het herstel van eventueel aan het gehuurde aangebrachte schade, nader op te maken bij staat; met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.
- Aan haar vorderingen legt Woonbron - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende ten grondslag. [gedaagde] gebruikt het gehuurde niet zelf als hoofdverblijf en geeft het gehuurde aan derden in gebruik. Dit is in strijd met de artikelen 5.2 en 5.8 van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en artikel 10.1 van de daarop van toepassing zijnde algemene huurvoorwaarden. Bovendien is in punt 9 van de considerans van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst opgenomen dat de huurovereenkomst eindigt als de woonbegeleidingsovereenkomst tussen [gedaagde] en het Leger des Heils (waar [gedaagde] cliënt was) eindigt. De woonbegeleidingsovereenkomst is begin 2020 geëindigd, zodat de huurovereenkomst ook is beëindigd. Tot slot is sprake van een huurachterstand ten bedrage van € 5.150,30, waarvoor [gedaagde] in een afzonderlijke procedure is gedagvaard. Al het voorgaande levert een voldoende ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst aan de zijde van [gedaagde] op, die rechtvaardigt dat die huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. 3.
- [gedaagde] voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen van Woonbron. 3.
- Op de stellingen van partijen wordt hierna - voor zover dat voor de beoordeling van belang is - ingegaan.
- De beoordeling 4.
- Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat vandaag ook vonnis wordt gewezen in de tussen dezelfde partijen onder zaaknummer 9617653 / CV EXPL 22-139 bij de kantonrechter van deze rechtbank aanhangige procedure. In die procedure wordt Woonbron bijgestaan door Flanderijn Gerechtsdeurwaarders. De dagvaarding waarmee die procedure is ingeleid, is op 21 december 2021 aan [gedaagde] betekend. In het vonnis dat in die zaak gewezen is, is de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde ontbonden, is [gedaagde] veroordeeld om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis te ontruimen en is [gedaagde] tevens veroordeeld om een gebruiksvergoeding aan Woonbron te betalen. 4.
- Niet duidelijk is met welke bedoeling Woonbron min of meer op hetzelfde moment twee procedures tegen [gedaagde] aanhangig heeft gemaakt beide strekkende tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, zij het dat de grondslag in beide procedures wel verschilt, nu in eerstgenoemde procedure de ontbinding gegrond is op huurachterstand en in de onderhavige procedure gesteld wordt dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf houdt in het gehuurde. Evenmin is duidelijk welk belang Woonbron thans nog heeft bij de onderhavige procedure, nu in de andere procedure de ontbinding van de huurovereenkomst immers al is uitgesproken en Woonbron tevens een titel heeft gekregen om de ontruiming van het gehuurde ten uitvoer te leggen. 4.
- De kantonrechter zal de zaak verwijzen naar de hierna te noemen rolzitting, opdat Woonbron zich over beide vragen bij akte kan uitlaten. Tevens ligt het op de weg van Woonbron om zich uit te laten over de vraag wie de kosten van het geding dient te dragen. Voorshands komt het de kantonrechter voor dat - ongeacht de uitkomst van de onderhavige procedure - Woonbron die kosten voor eigen rekening dient te nemen, nu de kosten van de onderhavige - tweede - procedure nodeloos gemaakt lijken te zijn en [gedaagde] bovendien in de andere procedure al veroordeeld is in de kosten van het geding. 4.
- Iedere verdere beslissing wordt in dit stadium van het geding aangehouden.
- De beslissing De kantonrechter: verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 21 april 2022 opdat Woonbron zich bij akte kan uitlaten omtrent het gestelde in rechtsoverweging 4.
- en 4.3.; houdt iedere verdere beslissing in dit stadium van het geding aan. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en uitgesproken op een openbare terechtzitting. 38671