vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/632372 / KG ZA 22-62 Vonnis in kort geding van 18 februari 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. N. Claassen te Schiedam, tegen de stichting STICHTING 3B WONEN, gevestigd te Bergschenhoek, gedaagde, advocaat mr. M.C. Veltkamp - Paassen te Den Haag. Partijen zullen hierna [eiser] en 3B genoemd worden. 1.De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding (op verkorte termijn) van 24 januari 2022, met producties 1 t/m 4 de akte overleggen nadere producties aan de zijde van [eiser] , met producties 5 t/m 19 de akte overleggen nadere producties aan de zijde van [eiser] , met producties 20 t/m 23 de akten overleggen producties aan de zijde van 3B, met producties 1 t/m 3 de mondelinge behandeling van 7 februari 2022 de pleitnota van 3B. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2.De feiten 2.1. Op 28 maart 2017 heeft 3B een huurovereenkomst gesloten met [eiser] en zijn echtgenote, [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ), met betrekking tot de woning gelegen aan de [adres 1] te Bergschenhoek (hierna: het gehuurde). 2.2. [eiser] heeft van 26 oktober 1994 tot 31 januari 2021 ingeschreven gestaan op het adres [adres 2] te Rotterdam. Met ingang van 31 januari 2021 staat [eiser] ingeschreven op het adres van het gehuurde. 2.3. [naam persoon] heeft van 26 oktober 1994 tot 1 april 2017 ingeschreven gestaan op het adres [adres 2] te Rotterdam. Vanaf 1 april 2017 tot 1 februari 2021 stond zij ingeschreven op het adres van het gehuurde. 2.4. Het gehuurde en de woning aan de [adres 2] zijn sociale huurwoningen. 2.5. Twee meerderjarige kinderen van [eiser] en [naam persoon] staan eveneens ingeschreven op het adres van het gehuurde, sinds 1 april 2017. 2.6. Op 31 mei 2021 heeft 3B [eiser] en [naam persoon] gedagvaard en gevorderd de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Aan deze vordering heeft 3B ten grondslag gelegd dat [eiser] en [naam persoon] het gehuurde niet als hoofdverblijf gebruiken of hebben gebruikt, hetgeen in strijd is met de huurovereenkomst, de algemene huurvoorwaarden en de wet. 2.7. De kantonrechter te Rotterdam heeft de vordering van 3B bij vonnis van 7 januari 2022 toegewezen. Hiertoe heeft de kantonrechter, voor zover van belang, overwogen: ‘5.4. (…) Naar het oordeel van de kantonrechter is daarom voldoende vast komen te staan dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van (artikel 6 in verbinding met artikel 2.2. van) de algemene huurvoorwaarden door [eiser] c.s. 5.5. In dit verband heeft [eiser] c.s. een beroep gedaan op vernietiging van de algemene huurvoorwaarden, omdat deze niet aan hem ter hand zijn gesteld. (…) Gelet op de betwisting door [eiser] c.s., moet 3B Wonen bewijzen dat de algemene huurvoorwaarden aan [eiser] c.s. zijn verstrekt. In de door [eiser] c.s. ondertekende overeenkomst staat dat de algemene huurvoorwaarden als bijlage zijn bijgevoegd, met daar direct onder een paraaf, waarvan niet is betwist dat deze van [eiser] c.s. is. Gelet op het bepaalde in artikel 157 lid 2 Rv (partijverklaring in akte) heeft 3B Wonen hiermee dwingend bewijs geleverd dat de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst waren gevoegd en dus aan [eiser] c.s. zijn verstrekt. De kantonrechter ziet geen aanleiding toe te staat dat [eiser] c.s. conform zijn bewijsaanbod een getuigenverklaring aflegt, omdat het afleggen van een getuigenverklaring als partij op zichzelf geen bewijs in het voordeel van [eiser] c.s. kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (zie artikel 164 lid 2 rv). Daarvan is in casu echter geen sprake. De algemene huurvoorwaarden zijn dan ook van toepassing en maken deel uit van de huurovereenkomst (…).’ 2.8. 3 B heeft de ontruiming van het gehuurde aangezegd tegen 22 februari 2022. 3.Het geschil 3.1. [eiser] vordert samengevat - schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 7 januari 2022, in die zin dat het 3B wordt verboden om gebruik te maken van de in het vonnis gegeven ontruimingsbevoegdheid, in afwachting van de uitkomst van een nog op te starten appelprocedure tegen het vonnis van 7 januari 2022. Eén en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van 3B in de proceskosten, waaronder de nakosten. 3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de uitspraak van de kantonrechter diverse feitelijke en juridische misslagen bevat met als gevolg dat het vonnis geëxecuteerd moet worden. Daarnaast is sprake van een dreigende noodtoestand aan de zijde van [eiser] . [eiser] is fysiek en mentaal kwetsbaar en heeft recent een zelfmoordpoging gedaan. Bij [naam persoon] is al langer sprake van psychische problematiek wat ook de reden is geweest dat partijen feitelijk niet in één huis woonden. Het is dan ook geen optie dat [eiser] samen met [naam persoon] in de woning aan de [adres 2] te Rotterdam gaat wonen. 3.3. 3 B voert verweer. Zij concludeert dat [eiser] niet-ontvankelijk is, dan wel dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd dient te verklaren dan wel dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen. 3.4. Op de verdere stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4.De beoordeling Bevoegdheid en ontvankelijkheid 4.1. Het betoog van 3B dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd dient te verklaren, wordt verworpen. De vordering is gebaseerd op een civielrechtelijke grondslag. Daarmee is de bevoegdheid van de civiele rechter gegeven. 3B stelt dat de onbevoegdheid volgt uit het gegeven dat [eiser] noch [naam persoon] tot op heden hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis waarin de ontruiming is bevolen, zodat de gevraagde voorziening geen voorlopig karakter heeft. Nog los van het feit dat de termijn om hoger beroep in te stellen nog niet verstreken is, is er geen (wettelijke) regel die bepaalt dat het instellen van hoger beroep voorafgaande aan het starten van een executiegeschil vereist is. Als uit de beoordeling al zou volgen dat de vordering om wat voor reden dat ook niet thuis hoort in een kortgedingprocedure, leidt dit hooguit tot afwijzing van de vordering en niet tot onbevoegdheid van de rechter. 4.2. Ook het niet-ontvankelijkheidsverweer van 3B wordt verworpen. 3B heeft aangevoerd dat de ontruiming tegen zowel [eiser] als [naam persoon] is uitgesproken en dat, los van de vraag of het executiegeschil in het voordeel van [eiser] wordt beslist, de ontruimingsverplichting jegens [naam persoon] blijft staan en ten uitvoer kan worden gelegd. Deze redenatie houdt geen stand. [eiser] en [naam persoon] zijn beide huurder van de woning en tegen beiden is een ontruimingsvonnis gewezen. Er is geen wettelijke bepaling die medehuurders verplicht om gezamenlijk, op straffe van niet-ontvankelijkheid, hoger beroep aan te tekenen of de executie tegen te houden. Het vonnis kan strikt genomen jegens [naam persoon] worden geëxecuteerd, maar het ontruimen van slechts één van de huurders, terwijl de andere huurder met zijn spullen zou mogen blijven, lijkt praktisch niet werkbaar en een mogelijke aanleiding tot een nieuw executiegeschil. Van niet-ontvankelijkheid van [eiser] is in elk geval geen sprake. Vordering tot schorsing van de executie 4.3. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.