← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:3709

Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/6077 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 mei 2022 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen [Naam], te [Plaats], eiseres, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 14 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 11 juni 2021 (het primaire besluit), waarbij verweerder bijzondere bijstand voor woonkosten (woonkostentoeslag) over de periode van 1 april 2021 tot en met maart 2022 heeft vastgesteld op € 137,37 per maand, gegrond verklaard en dit bedrag vastgesteld op € 151,22 per maand. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Overwegingen

  1. De rechtbank doet het beroep zonder zitting af op grond van artikel 8:54 van de Awb.
  2. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering van de gemeente Rotterdam. Zij heeft in een groot aantal zaken beroep ingesteld tegen (vermeende) beslissingen van verweerder of tegen het uitblijven daarvan. Eiseres dient daarbij steeds omvangrijke beroepschriften waarin wordt verwezen naar de andere geschillen met verweerder. In de onderhavige zaak is dit ook het geval. Die andere geschillen vallen echter buiten de omvang van dit geding en zullen dan ook onbesproken worden gelaten. De vele schadeclaims die eiseres heeft gedaan vallen eveneens buiten de omvang van het geding, want hebben geen verband met het bestreden besluit. Verder zal de rechtbank een aantal gronden die wel betrekking lijken te hebben op de voorliggende zaak buiten beschouwing laten. Zo valt bijvoorbeeld niet in te zien waarom verweerder gehouden is om naast de heroverweging in bezwaar ook over te gaan tot het nemen van een besluit tot herziening van het primaire besluit nu met een verzoek om herziening niet meer kan worden bereikt dan met een bezwaar. Ook valt niet in te zien waarom verweerder, zoals eiseres stelt, bewijsstukken over zou moeten leggen nu juist eiseres haar aanvraag dient te onderbouwen. De rechtbank begrijpt verder niet wat eiseres wil bereiken met haar stelling dat verweerder geen kenbare draagkrachtmeting heeft uitgevoerd en de overwaarde onjuist heeft vastgesteld nu verweerder de draagkracht op nihil heeft vastgesteld en geen gevolgen heeft verbonden aan de vaststelling van de overwaarde.
  3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet waarom de woonkostentoeslag over de periode van 1 april 2021 tot en met maart 2022 moet worden bepaald op € 151,22 per maand. Eiseres heeft haar stelling dat verweerders berekening onjuist is niet onderbouwd. Eiseres had er op bedacht moeten zijn dat het op haar weg lag de juistheid van de door verweerder gemaakte berekeningen gemotiveerd en met overlegging van bewijsstukken te motiveren, temeer nu zij op dit punt in een eerdere procedure door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in het ongelijk is gesteld (ECLI:NL:CRVB:2019:2422, punt 5.16).
  4. Voor zover eiseres betoogt dat verweerder wel volledige bijstand dient te verstrekken voor de extra onderhoudsbijdrage van € 1.000,- overweegt de rechtbank als volgt. In de hiervoor genoemde procedure heeft de CRvB overwogen dat verweerder conform zijn beleid voor de servicekosten een forfaitair bedrag heeft mogen toekennen (ECLI:NL:CRVB:2019:2422, punt 5.14). De verwijzing door verweerder naar een eerdere uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2010:BL8817) moet ook in dit licht worden gezien, wat betekent dat indien de reële onderhoudskosten meer bedragen dan dit forfaitaire bedrag van € 51,58 per maand (dat verweerder conform zijn beleid als maximum aanhoudt), die moeten worden voldaan uit het reguliere inkomen ofwel de algemene bijstand, behoudens bijzondere omstandigheden. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld.
  5. Het beroep is gelet op wat hiervoor is overwogen kennelijk ongegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.J. van Elden, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 17 mei
  7. De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.