← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:3827

Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 25 april 2022 [verzoeker] , [adres] [postcode] [woonplaats] , hierna: verzoeker. 1.De procedure Verzoeker heeft op 6 april 2022 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In de beschikking van 6 april 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 14 april

  1. Ter zitting van 14 april 2022 zijn verschenen en gehoord: De heer [verzoeker] , verzoeker; Mevrouw [naam persoon 1] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening); Mevrouw [naam persoon 2] , werkzaam bij Syncasso, gemachtigde van Havensteder (hierna: verweerster); Mevrouw [naam persoon 3] , werkzaam bij Havensteder. De uitspraak is bepaald op heden. 2.Het verzoek Het verzoek strekt ertoe om verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen, totdat op het door verzoeker ingediende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal zijn beslist. 3.Het verweer Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen. De problematiek omtrent het niet betalen van de verschuldigde huurpenningen speelt al sinds
  2. In de periode 2018 tot en met heden is reeds vijf maal ontruiming van de woning aangezegd. Verzoeker heeft diverse malen aangegeven hulp te hebben gezocht, echter zonder het beoogde resultaat. De huurpenningen worden niet voldaan, waardoor er thans sprake is van een huurachterstand van tien maanden. De laatste betaling heeft plaatsgevonden op 6 januari
  3. Verweerster rekent het verzoeker ernstig aan dat er op geen enkele wijze contact is opgenomen om tot een oplossing van de huurachterstand te komen, noch vanuit verzoeker, noch vanuit schuldhulpverlening. Er kan van verweerster niet worden verwacht dat de huidige situatie zo voortduurt. Verzoeker heeft betalingsregelingen getroffen, welke allemaal niet zijn nagekomen. Ondanks het feit dat het wijkteam en schuldhulpverlening al maanden bij verzoeker betrokken zijn, is er nog steeds geen minnelijke regeling tot stand gekomen. Verweerster stelt zich op het standpunt dat niet van haar kan worden verlangd dat deze situatie nog langer voortduurt. Daarom heeft verweerster de rechtbank verzocht het verzoek voorlopige voorziening af te wijzen. 4.De beoordeling Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie. De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 tot ontruiming van zijn woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van de brief van de deurwaarder overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 7 april 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning. Ter zitting is gebleken dat verweerster daar slechts vanaf heeft gezien in afwachting van de uitspraak op dit verzoek. De spoedeisendheid is daarmee naar het oordeel van de rechtbank nog voldoende actueel. Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds. Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hem ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw in zijn huurwoning kan blijven wonen. Het belang van verweerster bestaat eruit dat zij het vonnis van 1 april 2021 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. In de periode vanaf 2018 is aan verzoeker vijf maal ontruiming van de huurwoning aangezegd. De laatste huurbetaling dateert van 6 januari
  4. Er is thans sprake van een huurachterstand van tien maanden. De lopende huurtermijnen zijn niet voldaan. Daarnaast heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat budgetbeheer nog niet is opgestart. Ter zitting is voorts gebleken dat er momenteel geen energievoorziening in de woning beschikbaar is, omdat de netbeheerder de aansluiting heeft afgesloten. Het woongenot dat verzoeker heeft, is daarmee zeer beperkt. De rechtbank is tot slot van oordeel dat met de thans beschikbare gegevens niet goed kan worden beoordeeld of verzoeker tot de wettelijke schuldsanering zal worden toegelaten. Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verweerster daarom zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal worden afgewezen. 5.De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek af. Deze beschikking is op 25 april 2022 gegeven door mr. B.J. Tideman, rechter, in aanwezigheid van C. van der Velde, griffier. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende drie maanden na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.