vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/636247 / KG ZA 22-272 Vonnis in kort geding van 12 mei 2022 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser, advocaat mr. S.W. van den Brink te Rotterdam, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. F.A.J.H. de Lugt te Amsterdam. Partijen worden hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 7 april 2022, met producties; de brief van mr. De Lugt van 2 mei 2022, met producties; de mondelinge behandeling gehouden op 4 mei 2022; de pleitnota van mr. Van den Brink; de pleitnota van mr. De Lugt. 1.2. Vonnis is bepaald op heden. 2. De feiten 2.1. [naam eiser] is eigenaar van een bovenwoning (op de tweede en derde verdieping) gelegen aan de [adres 1] . 2.2. [naam gedaagde] was van 8 juli 2016 tot 26 juni 2018 eigenaar van de benedenwoning (op de begane grond en de eerste verdieping) gelegen aan de [adres 2] . 2.3. In juli 2016 is door [naam gedaagde] lekkage geconstateerd aan het plafond ter plaatse van de trap op de overloop van de eerste verdieping van de [adres 2] . [naam gedaagde] heeft onderzoek laten verrichten naar de oorzaak van de lekkage en uit het rapport is gebleken dat het vochtprobleem werd veroorzaakt door diverse lekkages aan de badkamer gelegen op de derde verdieping van de [adres 1] en dat de overige drie badkamers van de [adres 1] dezelfde problemen kenden. [naam eiser] heeft meerdere malen een onderhoudsbedrijf ingeschakeld om de lekkages te verhelpen. 2.4. Nadat [naam gedaagde] op 8 november 2016 opnieuw lekkages had geconstateerd, heeft (de advocaat van) [naam gedaagde] [naam eiser] bij brief van 16 november 2016 meegedeeld dat er nog steeds sprake is van lekkages en is [naam eiser] gesommeerd om de lekkages zo spoedig mogelijk te verhelpen. 2.5. [naam eiser] heeft niet aan de sommatie voldaan. [naam gedaagde] is daarop een kort geding procedure gestart. Bij dagvaarding van 23 januari 2017 heeft [naam gedaagde] onder andere gevorderd om [naam eiser] te veroordelen om de badkamers deugdelijk te herstellen en een voorschot te betalen op de door hem geleden schade ter hoogte van € 10.000,00. 2.6. Bij vonnis van 28 maart 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [naam eiser] veroordeeld tot herstel van alle vier de badkamers op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel dat [naam eiser] daarmee in gebreke blijft, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt en tot het betalen van een bedrag van € 7.475,00 (te vermeerderen met de wettelijke rente) bij wijze van voorschot. [naam eiser] is daarnaast in de proceskosten veroordeeld. Tegen dit vonnis is door [naam eiser] geen rechtsmiddel ingesteld. 2.7. Omdat [naam eiser] zijn verplichtingen uit het vonnis van 28 maart 2017 niet is nagekomen heeft de deurwaarder namens [naam gedaagde] op 2 maart 2018 ter executie van het vonnis executoriaal beslag gelegd op het appartementsrecht van [naam eiser] rechtgevende op het uitsluitend gebruik van het appartement aan de [adres 1] , kadastraal bekend [plaatsnaam] , sectie [sectie] nummer [nummer] . 2.8. Op 10 juli 2019 heeft de deurwaarder namens [naam gedaagde] uit krachte van de grosse van het vonnis van 28 maart 2017 voor een bedrag van € 34.788,24 ten laste van [naam eiser] executoriaal bankbeslag gelegd onder de ING BANK N.V. 2.9. Op 11 juli 2019 heeft de deurwaarder namens [naam gedaagde] ter executie van het vonnis van 28 maart 2017 voor een bedrag van € 34.728,42 executoriaal beslag gelegd op de huurpenningen afkomstig van [naam 1] en [naam 2] , die het appartement aan de [adres 1] van [naam eiser] huren. 2.10. Bij brief van 9 augustus 2019 heeft (de advocaat van) [naam eiser] een betalingsregeling aangeboden aan [naam gedaagde] . Hierop is niet door [naam gedaagde] gereageerd. 2.11. Op 24 februari 2021 heeft de deurwaarder opnieuw namens [naam gedaagde] executoriaal beslag gelegd op de huurpenningen afkomstig van [naam 1] en [naam 2] , ditmaal voor een bedrag van € 30.388,36. 2.12. Op 16 maart 2021 heeft de deurwaarder nogmaals namens [naam gedaagde] executoriaal beslag gelegd op het appartementsrecht van [naam eiser] rechtgevende op het uitsluitend gebruik van het appartement aan de [adres 1] , kadastraal bekend [plaatsnaam] , sectie [sectie] nummer [nummer] . 2.13. In oktober 2021 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen. 2.14. Bij brief van 24 november 2021 heeft [naam gedaagde] [naam eiser] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade en gemaakte kosten, waaronder aanvullende bouwwerkzaamheden in verband met de lekkage, voor een bedrag van € 139.624,67. 2.15. Bij brief van 3 december 2021 heeft (de advocaat van) [naam eiser] aan [naam gedaagde] bericht dat de aansprakelijkheidsstelling door hem wordt afgewezen. Voorts is [naam gedaagde] verzocht de gelegde beslagen te staken en op te heffen. Op dit bericht is door [naam gedaagde] niet gereageerd. 2.16. Bij brief van 18 februari 2022 is [naam gedaagde] door (de advocaat van) [naam eiser] nogmaals verzocht en gesommeerd de gelegde beslagen op te (laten) heffen. Aan deze sommatie is niet door [naam gedaagde] voldaan. 3. Het geschil 3.1. [naam eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: de beslagen gelegd door [naam gedaagde] op 2 maart 2018 en op 16 maart 2021 op het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitende gebruik van de [adres 1] op te heffen, althans [naam gedaagde] te gebieden de beslagen op te laten heffen binnen twee dagen na dit vonnis onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel indien [naam gedaagde] hier niet aan voldoet, zulks met een maximum van € 25.000,00; [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 1.048,28, te vermeerderen met de wettelijke rente; [naam gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten en met bepaling dat [naam gedaagde] de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is vanaf 8 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, indien [naam gedaagde] niet vrijwillig binnen acht dagen na betekening van dit vonnis de aldus te bepalen proceskosten voldoet. 3.2. [naam gedaagde] voert gemotiveerd verweer dat strekt tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [naam eiser] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Het spoedeisend belang van [naam eiser] bij zijn vordering tot opheffing van de beslagen vloeit voort uit de aard van de vordering. 4.2. In de onderhavige zaak is sprake van een executiegeschil als bedoeld in artikel 438 Rv. Tegen het vonnis van 28 maart 2017 is geen rechtsmiddel aangewend. In een executiegeschil kan de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke uitspraak slechts worden geschorst wanneer de executant (hier: [naam gedaagde] ), gelet op de belangen van de geëxecuteerde (hier: [naam eiser] ), geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn executiebevoegdheid. Dat kan onder meer het geval zijn wanneer de te executeren beslissing berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag en/of als de executie op grond van na de beslissing voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van [naam eiser] klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan en/of de (voortzetting van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.