vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/620212 / HA ZA 21-514 Vonnis van 18 mei 2022 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KROPMAN INSTALLATIETECHNIEK B.V., gevestigd in Nijmegen, verweerster in reconventie, advocaat mr. P.B. Sissing te Vught, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AANNEMINGSBEDRIJF BERTENS BOUW B.V., gevestigd in Tilburg, eiseres in reconventie, advocaat mr. O. Diemel te Rosmalen. Partijen zullen hierna Kropman en Bertens genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding, met producties; de conclusie van antwoord in conventie, tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties; de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, met producties; de door de advocaat van Bertens op 15 november 2021 toegestuurde aanvullende producties; de door de advocaat van Kropman op 19 november 2021 toegestuurde aanvullende producties; de mondelinge behandeling van 29 november 2021, waar spreekaantekeningen van de zijde van Bertens zijn voorgedragen en die behoren tot het procesdossier; de voortzetting van de mondelinge behandeling op 20 december 2021; de conclusie van repliek in reconventie, met producties; de akte wijziging van eis in reconventie; de conclusie van dupliek reconventie. 1.2. Partijen hebben de rechtbank tijdens de voorzetting van de mondelinge behandeling geïnformeerd dat zij een regeling hebben getroffen ten aanzien van de door Kropman ingestelde vorderingen in conventie en hebben de rechtbank verzocht om de procedure in conventie door te halen, wat is gebeurd. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De feiten 2.1. Bij opdrachtbevestiging van 17 mei 2019 (hierna: de opdrachtbevestiging) heeft Bertens aan Kropman opdracht gegeven voor het leveren en monteren van de complete W-installatie in het project “Realisatie nieuwbouw clubgebouw RVV Blijdorp”. Op de opdracht zijn van toepassing verklaard de Algemene Voorwaarden voor de verlening van opdrachten versie 05-97 van Aannemingsbedrijf Bertens Bouw BV. In aanvulling op de algemene voorwaarden zijn van toepassing verklaard de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012). 2.2. In de opdrachtbevestiging van 17 mei 2019 staat, voor zover relevant: “Invulling Social Return voor een waarde van € 138.000,00 excl. BTW. (…) Uitvoering : Conform planning d.d. 26-04-2019 Planning RVV Blijdorp rev2.” 2.3. Op 31 oktober 2019 schrijft Bertens onder meer aan Kropman: “Wij willen de opdracht niet intrekken, wij willen wel voorstellen om de SROI verplichting te stellen op 10% van de aanneemsom van Kropman. Dit zou neerkomen op een getal van € 49.000,- in plaats van de toen afgesproken € 138.000,-. Ik denk dat dit een zeer reële handreiking is vanuit Bertens Bouw. In afwachtende van uw reactie, (…)” 2.4. Op 5 februari 2020 schrijft Bertens onder meer aan Kropman: “Tevens haal ik de social return verplichting nog even aan, hier is al een eerdere discussie over geweest. Echter zijn we hier uitgekomen om dit gewoon op 5% van de aanneemsom van Kropman te houden uit goodwill van [Bertens]) (…)” 2.5. Op 2 juni 2020 stuurt Kropman een factuur voor een bedrag van € 147.000,00 aan Bertens. De factuur vermeldt als vervaldatum 2 juli 2020. 2.6. Bertens heeft in opdracht van Kropman werkzaamheden verricht voor het project ‘Politie Ossendrecht’. Op 31 augustus 2020 stuurt Bertens een factuur aan Kropman voor een bedrag van € 62.261,87 exclusief btw. De factuur vermeldt een uiterste betaaldatum van 30 september 2020. 2.7. Op 22 december 2021 stuurt de advocaat van Kropman een brief aan de advocaat van Bertens, waarin onder meer staat: “Naar ik van Kropman heb begrepen heeft de oplevering van het werk inmiddels op 12 oktober 2020 plaatsgevonden.” In deze brief staat ook: “4. Verrekening meerwerk project Ossendrecht (…) Kropman erkent een bedrag van EUR 54.371,11 (excl. BTW) aan uw cliënte verschuldigd te zijn.” 2.8. Op 15 januari 2021 antwoordt de advocaat van Bertens bij brief aan de advocaat van Kropman. In deze brief staat onder meer: “Het werk is inderdaad op 12 oktober 2020 door Kropman opgeleverd.” 3. De vordering in reconventie 3.1. Bertens vordert na wijziging van eis van 23 maart 2022 – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: Kropman te veroordelen tot betaling aan Bertens van een bedrag van € 264.430,82; Kropman te veroordelen tot betaling van de wettelijke handelsrente, dan wel wettelijke rente over: a. een bedrag van € 209.329,27 vanaf 2 juni 2021, althans 28 juli 2021, althans 9 februari 2022; b. een bedrag van € 29.386,00 vanaf 15 februari 2022; c. een bedrag van € 12.500,00 vanaf 2 juni 2021, althans 28 juli 2021, althans 9 februari 2022; d. een bedrag van € 7.890,76 vanaf 1 oktober 2020, althans 2 juni 2021, althans 28 juli 2021, althans 9 februari 2022; e. een bedrag van € 5.324,79 vanaf 16 december 2021, althans 9 februari 2022; Kropman te veroordelen aan Bertens te vergoeden de vertragingsschade, nader op te maken bij staat; Kropman te veroordelen aan Bertens te vergoeden de schade als gevolg van het niet verstrekken van garantie op het werk, nader op te maken bij staat; Kropman te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis. 3.2. Kropman voert verweer. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling in reconventie Inleiding 4.1. Bertens heeft bij conclusie van repliek in reconventie haar eis gewijzigd en vervolgens op 23 maart 2022 bij akte wijziging van eis in reconventie haar eis nogmaals gewijzigd (vermeerderd). Kropman heeft tegen deze wijzigingen geen bezwaar gemaakt en bij conclusie van dupliek in reconventie op de eiswijzigingen gereageerd. De rechtbank acht de eiswijzigingen toelaatbaar en zal de eis, zoals die luidt na de wijziging van 23 maart 2022 beoordelen. 4.2. Tijdens de mondelinge behandeling van november 2021 heeft de rechtbank voorlopige gedachten over het geschil geuit en daar expliciet bij opgemerkt dat het geen (voorlopige) oordelen zijn en dat zij daaraan niet gebonden is bij het wijzen van een vonnis. Voor zover Kropman aan het einde van onderdeel 6 van haar conclusie van dupliek in reconventie wil suggereren dat Bertens tegen een of meer van die voorlopige gedachten zou hebben moeten opkomen, is dit onjuist. 4.3. Bertens vordert schadevergoeding ter zake van een aantal tekortkomingen in het werk aan de zijde van Kropman. 4.3.1. Bertens noemt in haar conclusie van eis in reconventie de volgende tekortkomingen: Revisiestukken zijn niet geleverd; Geen garantie verstrekt; Werkschakelaar kabel-tracing; Keerkleppen in waterleidingen en WTB installatienormen; Ventilatie kleedkamers; Rapportages lekdichtheid; Verhelpen correctieve maatregelen uit Legionellabeheersplan; RTO schrijven en beeldplaatjes toevoegen aan software; Plaatsen beveiligde verbinding voor beheer op afstand; Vertraging in het werk; Niet invullen social return verplichting. 4.3.2. In haar conclusie van repliek in reconventie noemt Bertens de volgende aanvullend geconstateerde gebreken dan wel werkzaamheden: Correctieve maatregelen tapwater; Storing douche kleedkamer; Aanpassen en vervangen regelkasten; Storingen WP tapwater secundaire circuit; Reinigen kanalen en LBK, vervangen filters en storingen; Storing warmtepomp; Verkeerd geplaatste boiler. 4.3.3. In haar akte wijziging van eis in reconventie noemt Bertens ten slotte nog een laatste gebrek: s. Plaatsen opnemers en uitwisselen pompen. 4.3.4. Voorts vordert Bertens van Kropman bedragen in verband met: Minderwerk waterleidingen; Werk Politie Ossendrecht. 4.4. De rechtbank zal de onder a tot en met u genoemde posten in zes categorieën verdelen en beoordelen, te weten: I. Het verstrekken van documenten (a, b, f, g en h); II. Tekortkomingen aan het werk (c, d, e, i en l tot en met s); III. Vertraging (j); IV. Niet invullen social return verplichting (k); V. Minderwerk waterleidingen (t); VI. Werk Politie Ossendrecht (u). I: Verstrekken van documenten 4.5. De onder a, b, f, g en h genoemde verplichtingen betreffen tussen partijen vaststaande verplichtingen van Kropman om bepaalde documenten aan Bertens te verstrekken. Bertens maakt aanspraak op een vervangende schadevergoeding, bestaande uit de kosten die zij heeft gemaakt of nog zal maken om deze documenten door derden te laten opstellen. 4.6. Een vereiste om deze vorderingen van Bertens te kunnen toewijzen, is dat Kropman ter zake van deze verplichtingen in verzuim is geraakt. Alleen in dat geval kan Bertens op grond van artikel 6:87 Burgerlijk Wetboek (BW) aanspraak maken op een vervangende schadevergoeding. De rechtbank is van oordeel dat Kropman niet in verzuim is geraakt met het voldoen aan de onder 4.3 sub a, b, f, g en h genoemde verplichtingen en oordeelt daarover het volgende. Opschorting en schuldeisersverzuim 4.7. Ingevolge artikel 6:61 lid 2 BW kan Kropman als schuldenaar niet in verzuim raken zolang Bertens zelf als schuldeiser in verzuim is. Uit artikel 6:59 BW volgt dat een schuldeiser in verzuim raakt, als hij ten gevolge van hem toe te rekenen omstandigheden niet voldoet aan een verplichting zijnerzijds jegens de schuldenaar en de schuldenaar daarom bevoegdelijk de nakoming van zijn verplichting jegens de schuldeiser opschort. 4.8. Vast staat dat Bertens de factuur van Kropman van 2 juni 2020 uiterlijk op 2 juli 2020 had moeten voldoen en dat zij dat niet heeft gedaan. Kropman was door het achterwege blijven van de betaling door Bertens bevoegd om met ingang van die datum haar verplichtingen op te schorten, tenzij Bertens een gegronde reden had om niet uiterlijk op 2 juli 2020 te betalen. Bertens heeft (achteraf) een beroep gedaan op een verrekeningsbevoegdheid. Indien het beroep op verrekening slaagt, is de vordering van Kropman tot betaling van de factuur (deels) teniet gegaan en wordt het verzuim van Bertens – tot het bedrag van de verrekening – gezuiverd, met terugwerkende kracht tot het moment waarop de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan. 4.9. Voor een geslaagd beroep op verrekening is nodig dat Bertens een prestatie te vorderen heeft van Kropman die beantwoordt aan zijn schuld jegens Kropman en Bertens bevoegd is tot betaling van zijn schuld en tot het afdwingen van de betaling door Kropman, oftewel: verrekening van de desbetreffende vorderingen van Bertens op Kropman is pas mogelijk vanaf het moment dat die vorderingen opeisbaar zijn (geworden). 4.10. Bertens heeft zich beroepen op een drietal vorderingen waarmee zij haar betalingsverplichting jegens Kropman (uit hoofde van de factuur van 2 juni 2020) zou mogen verrekenen. Dit betreft: a. Werk Politie Ossendrecht Tapwaterinstallaties PO081927; b. Vertragingsschade (nader op te maken bij staat); c. Niet voldoen aan social return verplichting. De rechtbank zal deze vorderingen op deze plaats (enkel) in het kader van de mogelijke verrekeningsbevoegdheid beoordelen. a.: werk Politie Ossendrecht 4.10.1. De factuur van Bertens aan Kropman voor deze werkzaamheden vermeldt als uiterste betaaldatum 30 september 2020. Tussen partijen staat vast dat Kropman in ieder geval een bedrag van € 54.371,11 aan Bertens verschuldigd was ter zake van dit project. Met ingang van 30 september 2020 – en dus niet eerder, zoals Bertens wel meent in de brief van 16 september 2020 – ontstond voor dit bedrag dus een verrekeningsbevoegdheid voor Bertens. De verrekening per die datum neemt echter niet weg dat Bertens – na een betaling, op 15 september 2022, van € 67.488,13 – dan nog steeds een bedrag van € 25.140,76 aan Kropman verschuldigd was uit hoofde van de factuur van 2 juni 2020 en dat het verzuim van Bertens daarom ook na verrekening voortduurde. b.: vertragingsschade 4.10.2. Omdat Kropman mocht opschorten totdat Bertens nakwam, kan er geen sprake zijn van vertragingsschade over de periode waarin werd opgeschort. Daarmee kan Bertens dus niet verrekenen in september 2020. c: invulling social return verplichting 4.10.3. De social return verplichting is geen verbintenis die zich voor verrekening leent. De prestatie van Kropman (het inzetten van een medewerker die onder de social return verplichting valt) beantwoordt niet aan de schuld van Bertens (het betalen van een geldsom). Deze verbintenissen kunnen dus niet tegen elkaar worden weggestreept door verrekening. Verrekening kan wel aan de orde zijn ten aanzien van een boete die uit de gestelde schending van de sociale return verplichting – de rechtbank komt daar later in dit vonnis op terug – voortvloeit. Echter, een boete is pas opeisbaar als sprake is van verzuim of blijvende onmogelijkheid en dat was nog niet aan de orde toen de verrekeningsverklaring werd uitgebracht. Dat gegeven staat aan verrekening in de weg. Gevolgen 4.11. Uit het voorgaande volgt dat Bertens op 2 juli 2020 in verzuim is komen te verkeren met haar betalingsverplichting jegens Kropman en dat dat verzuim heeft voortgeduurd tot het moment van volledige betaling van de openstaande facturen van Kropman door Bertens. Het verzuim aan de zijde van Bertens gaf Kropman in beginsel de bevoegdheid om de tegenover de verplichting van Bertens staande verplichting op te schorten (artikel 6:262 BW). Door de terechte opschorting door Kropman is sprake van schuldeisersverzuim van Bertens en kon Kropman jegens Bergens niet meer in verzuim komen te verkeren. Kropman is daarom niet in verzuim geraakt met het verstrekken van de onder 4.3 genoemde documenten. 4.12. Het schuldeisersverzuim van Bertens is geëindigd met de betaling van alle aan Kropman verschuldigde bedragen, in december 2021. Bertens heeft tot dat moment ook de facturen van Kropman van 25 september 2020 à € 98.000,00 en van 12 oktober 2020 à € 24.500,00 achterwege gelaten, terwijl aan haar geen bevoegdheid tot opschorting of verrekening toekwam. Kropman heeft zich bereid verklaard om alsnog aan haar opgeschorte verplichtingen te voldoen. Door Bertens is niet gesteld, noch is gebleken dat zij Kropman in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog na te komen en dat Kropman van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Ook na zuivering van het schuldeisersverzuim is dus geen verzuim aan de zijde van Kropman ontstaan. De vorderingen van Bertens die strekken tot het verkrijgen van een vervangende schadevergoeding betreffende posten a, b, f, g en h (zie rechtsoverweging 4.3), plus de daarover gevorderde wettelijke rente, zullen daarom worden afgewezen. II. Tekortkomingen aan het werk 4.13. De onder c, d, e, i en l tot en met s onder 4.3 opgenomen posten betreffen door Bertens gestelde tekortkomingen aan het werk. Daarover oordeelt de rechtbank het volgende. 4.14. Tussen partijen staat vast dat het werk op 12 oktober 2020 is opgeleverd. Bertens schrijft in de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie onder randnummer 18: “Op 12 oktober 2020 heeft oplevering van het werk van Kropman plaatsgevonden.” Deze stelling, die is ingenomen (en zelfs herhaald na de brief van 15 januari 2021, in antwoord op de brief van de advocaat van Kropman van 22 december 2020 (zie rechtsoverweging 2.7)) nadat Kropman in de dagvaarding onder randnummer 21 heeft vermeld dat het werk op 12 oktober 2020 is opgeleverd, heeft te gelden als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv. Bertens heeft niet gesteld, noch onderbouwd dat deze erkentenis door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd, zodat van herroeping geen sprake kan zijn. Gelet op het voorgaande kan de rechter niet tot een ander oordeel komen dan dat het werk op 12 oktober 2020 is opgeleverd. 4.15. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:758 lid 2 BW draagt Bertens vanaf 12 oktober 2020 het risico voor het werk. Lid 3 van dit artikel bepaalt dat Kropman is ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Ter verdere uitwerking hiervan is in § 12 lid 1 UAV 2012 neergelegd dat de aannemer in beginsel niet meer aansprakelijk is voor tekortkomingen aan het werk na de oplevering. Ingevolge lid 2 lijdt deze regel uitzondering indien sprake is van een gebrek: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.