Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10/006520-22 Datum uitspraak: 6 mei 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Ter Apel, HvB, raadsman mr. P.H. van Akenborgh, advocaat te Rotterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 april 2022. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. S.B. Epozdemir heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest. 4.Waardering van het bewijs 4.1. Vormverzuimen in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering 4.1.1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat sprake is van meerdere onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dat deze vormverzuimen bewijsuitsluiting tot gevolg moeten hebben. Allereerst is sprake geweest van stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv, terwijl daar uit het dossier geen machtiging voor blijkt. Voorts was er geen grond voor de staandehouding van de verdachte. Tot slot is het binnentreden van de woning van de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) – de woning onder de woning waar de verdachte verbleef – onrechtmatig geweest. Immers, niet de verdachte maar [persoon A] zelf had toestemming moeten geven voor het binnentreden van de woning. Tot slot is de verdachte onder druk gezet om de deur van de kamer te openen waarin de tenlastegelegde goederen zijn aangetroffen. 4.1.2. Beoordeling Is sprake geweest van stelselmatige observatie? Uit het proces-verbaal van bevindingen van 7 januari 2022 blijkt dat er op 23 maart 2021 een onderzoek is ingesteld naar aanleiding van een overtreding van de Opiumwet. Op grond van dit onderzoek is een Fiat 500 met kenteken [kentekennummer] in een referentielijst geplaatst van het ANPR-systeem. Het voertuig, alsmede het adres waarop de tenaamgestelde van het voertuig woonachtig was ( [adres 1] te Rotterdam), zijn tijdens reguliere surveillancediensten meegenomen. Tussen 23 maart 2021 en 7 januari 2022 hebben verbalisanten op 3 data (23 april 2021, 13 oktober 2021 en 21 oktober 2021) verdachte omstandigheden gezien met betrekking tot voormeld voertuig en voormeld adres. Naar aanleiding van een ANPR-hit op 7 januari 2022 is het voertuig door de politie gestopt en is de bestuurder staande gehouden. Dit bleek de verdachte te zijn. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van stelselmatige observatie als bedoeld in artikel 126g Sv. Uit het dossier volgt dat in een periode van ongeveer één jaar in totaal viermaal een waarneming is gedaan met betrekking tot de auto en het adres. Van een stelselmatig karakter kan niet worden gesproken. De rechtbank verwerpt het verweer. Was er een grond voor staandehouding? Op grond van artikel 52 Sv is geen specifieke grond vereist voor staandehouding van een persoon. De rechtbank passeert derhalve dit verweer. Is sprake van onrechtmatig binnentreden van de woning van [persoon A] ? Uit voornoemd proces-verbaal blijkt dat de verbalisanten aan de verdachte hebben gevraagd of hij wist waar zijn buurman – [persoon A] – was. De verdachte heeft toen met een sleutel de voordeur van de woning gelegen aan de [adres 2] geopend en gezegd dat hij daar zelf een kamer heeft: ‘I have a room here’. De verdachte – die ook ter zitting heeft laten merken in de Engelse taal te kunnen communiceren – heeft vervolgens aan verbalisanten gevraagd of zij mee wilden komen. Op de vraag van de verbalisanten of zij mee mochten komen, antwoordde de verdachte: “Ja, ja, kom verder, ik wil met jullie praten”. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal en is van oordeel dat het binnentreden in de woning aan de [adres 2] rechtmatig is geweest. De verdachte was in het bezit van een sleutel van de woning, gaf aan dat hij daar een kamer had en liet de verbalisanten zelf binnen. Onder deze omstandigheden mochten de verbalisanten ervan uitgaan dat de verdachte ook het recht had om hen toegang te verschaffen tot de kamer in de woning die hij wilde laten zien. Van enige druk op de verdachte is niet gebleken. Ook op dit punt wordt het verweer verworpen. 4.1.3. Conclusie Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat geen sprake is geweest van een vormverzuim in het strafrechtelijk vooronderzoek jegens de verdachte. Het verweer van de verdediging wordt verworpen. 4.2. Bewijswaardering feit 1 en 2 (aanwezig hebben cocaïne, versnijdingsmiddelen en voorwerpen) 4.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en 2 en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De verdachte was niet op de hoogte van de hoeveelheid cocaïne die zich in de kamer van de woning van [persoon A] bevond. Niet is gebleken dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne, noch dat hij daarover beschikkingsmacht had. De verdachte had enkel beschikking over de aanwezige mannitol. Er was nog een derde persoon die gebruik maakte van de kamer. De verdediging stelt zich op het standpunt dat die derde persoon vermoedelijk meer te maken heeft met de aangetroffen cocaïne. 4.2.2. Beoordeling Vaststaande feiten en omstandigheden De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag. Bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 1] waar de verdachte met zijn vriendin woonde, heeft de verdachte aangegeven dat hij een bedrag van ongeveer € 20.000,- aan contant geld in huis had liggen. Verbalisanten hebben later geconstateerd dat het om een geldbedrag van € 21.750,- ging. In de kamer die verdachte gebruikte in de woning aan de [adres 2] zijn vervolgens 357 gram cocaïne, meerdere versnijdingsmiddelen alsmede voorwerpen om drugs te bewerken aangetroffen. De middelen en voorwerpen betroffen onder andere coffeïne, levamisol, inositol, mannitol, een drugspers, een weegschaal, een vacuümmachine en flessen aceton. Verdere beoordeling Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verdachte opzettelijk cocaïne, diverse versnijdingsmiddelen en voorwerpen om drugs te bewerken, aanwezig heeft gehad. De verbalisanten roken een geur die zij ambtshalve herkenden als de geur van de harddrug cocaïne. De verdachte heeft ter plaatse onder meer verklaard: “Ik gebruik deze kamer. In deze kamer mix ik” en “alles wat in deze kamer ligt is van mij”. Voorts pakte hij zelf zakjes uit een bus, waarbij hij zei dat de inhoud deels cocaïne betrof. Op de vraag wat hij mixte verklaarde de verdachte ‘dit is mix en dit een klein beetje cocaïne’. Omdat de verdachte direct ter plaatste bij de politie uit eigen beweging heeft verklaard dat alles wat de politie heeft aangetroffen van hem was, dat hij de kamer gebruikte om te mixen en dat hij in het kader van mixen ook cocaïne heeft genoemd en getoond, concludeert de rechtbank dat de verdachte wist welke spullen zich allemaal in de kamer bevonden en dat hij hier ook de beschikkingsmacht over had. In het licht hiervan acht de rechtbank zijn latere ontkenning ongeloofwaardig, ook voor zover de verdachte die ontkenning onderbouwt met de stelling dat het bewerken alleen mannitol betrof. Tegenover de politie is de verdachte onduidelijk geweest over deze stelling en heeft hij, op de vraag te beschrijven wat hij doet met mannitol, geantwoord dat hij geen antwoord wil geven op die vraag. Ook ter zitting is de stelling van de verdachte over mannitol onduidelijk gebleven. In het bijzonder heeft de verdachte niet toegelicht hoe zijn stelling over mannitol zich verhoudt tot zijn voormelde bekennende verklaringen. Door de verdediging is naar voren gebracht dat er nog een derde persoon van de kamer gebruik zou maken. Dit is echter niet aannemelijk geworden. Dit standpunt is pas ter terechtzitting naar voren gebracht en is niet nader onderbouwd; wie deze derde persoon zou zijn is niet concreet gemaakt en is derhalve niet verifieerbaar. 4.2.3. Conclusie Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan. 4.3. Bewijswaardering feit 3 (witwassen) 4.3.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Er kan niet worden uitgesloten dat het bedrag een legale herkomst heeft. De verdachte heeft van meet af aan verklaard dat hij dit geld heeft verdiend met schilderwerk en met de verkoop van auto’s. Het Openbaar Ministerie heeft nagelaten hier nader onderzoek naar te doen. 4.3.2. Beoordeling Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het bereiden, bewerken en of verwerken van cocaïne zoals hiervoor vermeld in combinatie met de beschikking over een bovengemiddeld groot bedrag aan contant geld dat is verpakt op een wijze die – zo stelt de officier van justitie onweersproken – gebruikelijk is bij geld dat afkomstig is uit verboden handel in verdovende middelen – doet vermoeden dat sprake is van witwassen. Dit betekent dat op de verdachte de plicht rust om een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring te geven voor de herkomst van het contante geld. Omdat de verdachte desgevraagd, niet tegenover de politie en niet ter zitting, concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van het geld, de verdachte zijn toezegging om nadere bewijzen te overhandigen niet is nagekomen, een andere aanwijzing die de stelling van de verdachte ondersteunt, ontbreekt in het dossier, komt de rechtbank niet tot een andere conclusie dan dat het bedrag van € 21.750,- onmiddellijk of middellijk – uit enig misdrijf afkomstig is. 4.3.3. Conclusie Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 7 januari 2022 te Rotterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 357 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1; 2. hij in de periode 1 januari 2021 tot en met 7 januari 2022 te Rotterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, te weten – - het opzettelijk bereiden, bewerken en/of verwerken, van cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst 1, 682,6 gram coffeïne en 229 gram levamisol en 80,3 gram inositol en 137,2 gram mannitol en een drugspers en een weegschaal en een vacuümmachine en flessen aceton, voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit; 3. hij op 7 januari 2022 te Rotterdam een of meerdere voorwerp(en), te weten (een) contant(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.