Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/625603 / FA RK 21-7012 Beschikking van 30 mei 2022 betreffende het ouderlijk gezag en de regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht in de zaak van: [naam vrouw] , de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam, t e g e n [naam man] , de man, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. K. Hoesenie te Rotterdam. 1.De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de beschikking van 4 april 2022 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, met bijlage, ingekomen op 6 mei 2022. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 mei 2022. Daarbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door zijn advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [persoon A] . 2.De beoordeling 2.1. Partijen hebben van februari 2011 tot april 2021 een affectieve relatie gehad en ook samengewoond. 2.2. Uit de vrouw is geboren de minderjarige: [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2019 te [geboorteplaats minderjarige] . 2.3. De man heeft de minderjarige erkend. Op de geboorteakte van de minderjarige is door de ambtenaar van de burgerlijke stand vermeld dat op de erkenning het recht van Griekenland is toegepast. 2.4. De minderjarige heeft zijn gewone verblijfplaats bij de vrouw in Nederland. 2.5. Bij beschikking van deze rechtbank van 4 april 2022 is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 1 september 2021 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal voldoen € 300,- per maand. 2.6. De vrouw heeft de Poolse nationaliteit. De man heeft de Griekse en Albanese nationaliteit. 2.7. Gezag 2.7.1. De man verzoekt, bij wege van zelfstandig verzoek hem naast de vrouw te belasten met het ouderlijk gezag over de minderjarige. 2.7.2. Uit artikel 1 lid 1 sub b jo. lid 2 sub a van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II bis) blijkt dat deze verordening van toepassing is op zaken die betrekking hebben op het gezags- en omgangsrecht. Op grond van artikel 8 van Brussel II bis is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot gezamenlijk gezag over de minderjarige kennis te nemen, nu de minderjarige zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. 2.7.3. Zoals hiervoor in 2.3. reeds is overwogen, is op de geboorteakte van de minderjarige door de ambtenaar van de burgerlijke stand vermeld dat op de erkenning het recht van Griekenland is toegepast. 2.7.4. In artikel 1515 van het Grieks Burgerlijk Wetboek is -onder meer- het volgende bepaald: Children born outside of wedlock. Parental care of a child under age born and existing outside a marriage of its parents belongs to its mother. In case of acknowledgment by its father the latter shall also partake in the parental care but can exercise it if there is an agreement between the parents in accordance with article 1513 or if the mother's parental care has ceased or if the mother cannot exercise it on legal or factual grounds. Αt the request of the father the Court may in other cases and particularly if the mother agrees entrust also to him the exercise of parental care or a part of it to the extent that the interest of the child so demands. 2.7.5. In dit geval is er geen sprake van een overeenkomst van partijen ten aanzien van de ouderlijke zorg voor de minderjarige. Evenmin is het ouderlijk gezag van de moeder geëindigd of is er sprake van onmacht van de moeder om het ouderlijk gezag uit te oefenen. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat de man bij gelegenheid van de erkenning niet van rechtswege mede het ouderlijk gezag over de minderjarige heeft verkregen en dat de vrouw thans alleen het ouderlijk gezag over de minderjarige uitoefent. De man kan dan ook in zijn verzoek worden ontvangen. 2.7.6. Nu de Nederlandse rechter bevoegd is, is op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV ‘96) Nederlands recht van toepassing op het onderhavige verzoek. 2.7.7. De vrouw voert gemotiveerd verweer en vraagt afwijzing van het verzoek van de man. 2.7.8. De man onderbouwt zijn verzoek – samengevat – als volgt: Hij is vanaf de geboorte van de minderjarige betrokken bij diens verzorging en opvoeding en hij ziet zijn zoon dagelijks. Hij heeft het einde van de relatie met de vrouw een plekje kunnen geven. Hij heeft werk en hij heeft nu eigen woonruimte waar hij de minderjarige kan ontvangen. Hij wil een volwaardige vader zijn voor de minderjarige en niet een ‘half uur vader’, waarmee de man doelt op zijn kortdurende doordeweekse contacten met de minderjarige. Een vorm van co-ouderschap is volgens de man in het belang van de minderjarige en past in het leven van de ouders. De man betwist dat hij beslissingen over de minderjarige blokkeert en stelt alleen goed geïnformeerd te willen worden alvorens te beslissen. Hij betwist dat hij alcohol of drugs gebruikt. De man bevestigt dat hij in de tuin van de – toen nog gemeenschappelijke – woning van partijen wat dingen heeft vernield; dat was uit boosheid en frustratie omdat de vrouw hem die dag opnieuw niet toestond contact hebben met zijn zoon. Juist is dat hij toen is aangehouden door de politie. De zaak is geseponeerd. Veilig Thuis heeft nooit contact opgenomen met hem. 2.7.9. De vrouw onderbouwt haar verweer – samengevat – als volgt: Het ouderlijk gezag over de minderjarige delen met de man is voor haar een doemscenario. Volgens de vrouw is er onvoldoende basis voor gezamenlijk gezag en er is een reëel risico dat de minderjarige klem en verloren zal raken tussen zijn ouders. De onderlinge communicatie is niet goed en de man staat niet open voor overleg of kritiek. De relatie van partijen was volgens de vrouw turbulent. De vrouw moest steeds vechten om op voet van gelijkwaardigheid te worden behandeld en de man liet regelmatig alle zorg voor de minderjarige aan de vrouw over. De man was agressief jegens de vrouw – hij heeft na het einde van de relatie vernielingen aangericht in haar tuin en is daarvoor aangehouden en gehoord door de politie – en er was sprake van geestelijk misbruik. De vrouw is daarvoor nu onder behandeling van een psycholoog. Partijen hebben voortdurend ruzie en conflicten over wat goed is voor de minderjarige. De vrouw noemt als voorbeelden het eten dat de minderjarige zou moeten krijgen en een medische behandeling (amandelen knippen) die de minderjarige zou moeten ondergaan. De man zou ook wel eens onder invloed zijn geweest van alcohol of drugs in aanwezigheid van de minderjarige. De vrouw vreest dat de man het gezamenlijk ouderlijk gezag zal gaan misbruiken om haar onder druk te zetten. 2.7.10. De raad adviseert de rechtbank het verzoek van de man toe te wijzen. Partijen hebben beide de zorg voor de minderjarigen en daarbij past gezamenlijk ouderlijk gezag. Als de ene ouder bezwaren heeft jegens de andere ouder, moet je samen gaan werken aan een oplossing, bijvoorbeeld door samen naar een mediator te gaan. Partijen moeten leren elkaar weer te vertrouwen als ouders van de minderjarige. Dat hoort bij de verantwoordelijkheid als ouders van de minderjarige. 2.7.11. Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Indien de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.