RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 9594065 CV EXPL 21-41762 datum uitspraak: 17 juni 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , vestigingsplaats: [vestigingsplaats 1] , eiser, gemachtigde: [naam gemachtigde] , tegen [gedaagde] , als bewindvoerder over de goederen van [persoon A], vestigingsplaats: [vestigingsplaats 2] , gedaagde, zonder gemachtigde. De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘de bewindvoerder’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd. 1.De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 10 december 2021, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen. 1.
- Op 20 mei 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met de gemachtigde van [eiser] , de bewindvoerder ( [persoon B] ) en [persoon A] besproken. 1.
- De goederen van [persoon A] staan onder bewind van de bewindvoerder. Hij is daarom in deze zaak formeel de wederpartij van [eiser] en niet [persoon A] zelf. Omdat [persoon A] feitelijk de wederpartij van [eiser] is, zal er in de tekst van dit vonnis niettemin van uitgegaan worden dat [persoon A] de wederpartij van [eiser] is. 2.Het geschil 2.
- [persoon A] heeft met [eiser] een overeenkomst tot koop en montage van een airco gesloten. De overeengekomen prijs is € 3.141,
- [eiser] stelt dat zij door het gedrag van [persoon A] bij de installatie van de airco op 15 juni 2021 niet langer verder wilde met [persoon A] . [eiser] ziet af van de montagekosten, maar wil wel dat [persoon A] de airco van € 2.129,00 aan haar betaalt. Omdat [persoon A] al € 1.000,00 heeft aanbetaald, vordert [eiser] veroordeling van [persoon A] tot betaling van € 1.129,00, met rente en € 321,15 aan buitengerechtelijke kosten. 2.
- [persoon A] voert verweer. Hij vordert ontbinding van de overeenkomst en hij wil van [eiser] een schadevergoeding van € 2.000,
- 2.
- Als dit voor de beoordeling van belang is, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee partijen hun standpunten onderbouwen. 3.De beoordeling ontbinding overeenkomst 3.
- Als [eiser] haar overeenkomst met [persoon A] niet nakomt zoals afgesproken, geeft dit [persoon A] het recht de overeenkomst te ontbinden (artikel 6:265 Burgerlijk Wetboek). [persoon A] vordert inderdaad ontbinding van de overeenkomst. De kantonrechter moet beoordelen of dit kan, of [eiser] de overeenkomst met [persoon A] inderdaad niet nagekomen is zoals tussen partijen is afgesproken. 3.
- [eiser] is op 15 juni 2021 bij [persoon A] thuis begonnen met het installeren van de airco. Terwijl de monteurs bezig waren, de binnenunit was inmiddels opgehangen, werd een van de monteurs gebeld door de baas met de mededeling dat [persoon A] het restantbedrag nog niet had betaald. [persoon A] verklaarde op de mondelinge behandeling van de zaak dat deze monteur toen begon te dreigen. Het restantbedrag moest meteen betaald worden, ‘anders ruk ik de binnenunit van de muur’. Toen is er een discussie ontstaan en is de binnenunit inderdaad door de monteur van de muur gerukt. De kantonrechter gaat ervan uit dat het verhaal zoals [persoon A] dit vertelt, het juiste verhaal is. [eiser] heeft haar gemachtigde naar de mondelinge behandeling gestuurd, maar is zelf niet verschenen. [eiser] heeft van de gelegenheid haar kant van het verhaal te vertellen dus geen gebruik gemaakt. [eiser] stelt in de dagvaarding weliswaar dat [persoon A] zeer intimiderend gedrag vertoonde en dat het werken haar daardoor onmogelijk werd gemaakt, maar dergelijke opmerkingen hebben nog wel wat toelichting nodig. Wat is de precieze volgorde van gebeurtenissen volgens [eiser] ? Waar bestond dat intimiderende gedrag van [persoon A] uit? [eiser] is er geen antwoord op komen geven en haar gemachtigde weet daar uiteraard geen antwoord op. Zij was er immers niet bij op 15 juni
- 3.
- De vraag is: mocht [eiser] op grond van de overeenkomst van [persoon A] verwachten dat hij op 15 juni 2021 tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden meteen zou betalen? Het antwoord is nee. In de overeenkomst staat dat [persoon A] € 1.000,00 zou aanbetalen, en dat heeft hij gedaan, en dat hij het restantbedrag van € 2.141,00 ‘bij levering’ zou betalen. ‘Bij levering’ is een enigszins rekbaar begrip, maar in dit geval brengt een redelijke uitleg van ‘bij levering’ mee: als de monteurs klaar zijn met hun werk. [persoon A] was ook van plan na de uitvoering van het werk te betalen, verklaarde hij op de mondelinge behandeling: ‘Het geld lag klaar’. [eiser] ging er kennelijk (aanvankelijk) zelf ook van uit dat [persoon A] achteraf zou betalen. Als vooraf betaald had moeten worden, hadden de monteurs dat ook vooraf moeten zeggen. Dat hebben zij niet gedaan. Door er tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden mee te dreigen dat de al geplaatste binnenunit van de airco van de muur gerukt zou worden als niet meteen betaald zou worden (en nogmaals: [eiser] is niet op de zitting verschenen en heeft dus niet weersproken dat het zo is gegaan), heeft [eiser] de zaak op de spits gedreven. Dat de overeenkomst op 15 juni 2021 niet volledig is uitgevoerd ligt aan [eiser] , niet aan [persoon A] . [eiser] is de overeenkomst dus niet zoals afgesproken nagekomen. [persoon A] doet dan ook een geslaagd beroep op ontbinding van deze overeenkomst. De kantonrechter zal de overeenkomst ontbinden. 3.
- De kantonrechter merkt bij het voorgaande op dat aan de voorwaarde dat [eiser] ‘in verzuim’ moet zijn voordat de overeenkomst ontbonden kan worden, is voldaan. [persoon A] heeft [eiser] na het incident op 15 juni 2021 immers een termijn van veertien dagen gegeven om de overeenkomst alsnog uit te voeren en [eiser] heeft die termijn ongebruikt voorbij laten gaan. De vraag hierbij is overigens wel of het geven van een termijn nog wel nodig was. [eiser] had voordat [persoon A] haar deze termijn gaf immers al te kennen gegeven dat zij de overeenkomst sowieso niet meer wilde uitvoeren. 3.
- De vraag of [eiser] de goede airco aan [persoon A] geleverd heeft hoeft niet besproken te worden en dit geldt ook voor de vraag of [persoon A] recht heeft op korting in verband met (het leggen van) een kabel. De overeenkomst is immers ontbonden om bovengenoemde reden. De al dan niet goede airco en de kabel zijn daarom niet meer van belang. Op de mondelinge behandeling kwam nog aan de orde welk deel van de overeengekomen prijs van € 3.141,00 nu uit montagekosten bestaat en hoeveel de airco kost. Ook dat is niet meer van belang. ongedaanmakingsverbintenissen 3.
- De overeenkomst tussen [eiser] en [persoon A] wordt dus ontbonden. Voor beide partijen ontstaan daardoor zogenoemde ‘ongedaanmakingsverbintenissen’. Partijen moeten allebei teruggeven wat de ander in het kader van de overeenkomst al aan hen heeft gegeven. Dit betekent dat [eiser] de € 1.000,00 die [persoon A] aanbetaald heeft aan hem moet terugbetalen. Zij wordt ertoe veroordeeld dit te doen. 3.
- [persoon A] van zijn kant moet in principe de geleverde airco aan [eiser] teruggeven en aan haar een vergoeding betalen ter hoogte van de waarde die het door [eiser] uitgevoerde werk voor [persoon A] heeft gehad. De gemachtigde van [eiser] verklaarde op de mondelinge behandeling echter dat [eiser] de airco zelf niet terug hoeft te hebben omdat deze verouderd is. Dat kan uiteraard. Van een recht hoeft immers geen gebruik gemaakt te worden. Omdat [eiser] de airco niet terug hoeft, is niet meer van belang of [eiser] nu alleen de binnenunit aan [persoon A] geleverd heeft, zoals [persoon A] aanvoert, of ook de buitenunit, zoals [eiser] stelt. 3.
- Om aan [eiser] een vergoeding voor reeds uitgevoerd werk toe te kunnen kennen, moet [eiser] op zijn minst stellen dat het door haar voor [persoon A] uitgevoerde werk voor hem enige waarde heeft gehad. Dit stelt zij echter niet. Een dergelijke vergoeding is daarom niet aan de orde, nog los van het feit dat [eiser] in de dagvaarding aangeeft sowieso af te zien van een vergoeding voor montagekosten. schadevergoeding 3.
- De schadevergoeding van € 2.000,00 die [persoon A] vordert is niet toewijsbaar. De kantonrechter wil aannemen dat [persoon A] enige schade heeft geleden doordat [eiser] tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden is vertrokken, maar om een bedrag toe te wijzen moet [persoon A] op zijn minst uitleggen hoe hij de gevorderde € 2.000,00 berekend heeft. Dit doet hij niet. proceskosten 3.10 [eiser] krijgt geen gelijk in deze zaak en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van de bewindvoerder tot vandaag vast op een bedrag van € 374,00 (€ 187,00 voor de reactie op dagvaarding, € 187,00 voor het bijwonen van de mondelinge behandeling). De bewindvoerder treedt in deze zaak weliswaar op ‘voor zichzelf’, zonder gemachtigde, maar niettemin is hij een professionele partij die de belangen van degene die ‘eigenlijk’ de gedaagde is ( [persoon A] ) behartigt. Daarom heeft hij recht op een vergoeding. 4.De beslissing De kantonrechter: 4.
- ontbindt de overeenkomst tussen [eiser] en [persoon A] ; 4.
- veroordeelt [eiser] om € 1.000,00 aan de bewindvoerder van [persoon A] te betalen; 4.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van de bewindvoerder tot vandaag vastgesteld op € 374,00; 4.
- wijst het meer of anders door partijen gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken. 686