vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/616581 / HA ZA 21-324 Vonnis van 1 juni 2022 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats eiser] , eiser, advocaat mr. M.P.V. den Engelsman te Rotterdam, tegen 1. [gedaagde 1] , wonende te [woonplaats gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], wonende te [woonplaats gedaagde 2] , 3. [gedaagde 3], wonende te [woonplaats gedaagde 3] , gedaagden, advocaat mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam. Eiser zal hierna [eiser] en gedaagden zullen hierna ook respectievelijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samen zullen ook als [gedaagde 1] c.s. worden aangeduid. 1.De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis in incident van 13 oktober 2021 en de daarin genoemde stukken; de conclusie van antwoord, met producties; de akte overlegging producties van gedaagden, met producties; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 maart 2022. Ten slotte is vonnis bepaald. 2.De feiten 2.1. Op 6 juni 2018 hebben [gedaagde 1] c.s. de vennootschap [naam vennootschap 1] (hierna: [naam bedrijf] ), een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten, opgericht. 2.2. Blijkens een op 29 augustus 2018 gedateerd document hebben [eiser] enerzijds en [gedaagde 1] c.s. anderzijds, waarbij laatstgenoemden handelden namens [naam bedrijf] , een overeenkomst gesloten, waarbij [eiser] van [naam bedrijf] 422.675 zogenoemde SRXIO-tokens kocht voor een geldsom van € 250.000,= (hierna: de Token Agreement). 2.3. De SRXIO-tokens zouden recht geven op een percentage van door [naam bedrijf] te ‘minen’ bitcoins. Onder het kopje “When can I expect to my pay outs” is in de Token Agreement bepaald: “Following our roadmap we will start mining in January 2019. Every last day of the month, starting in January 2019, our smart contract will distribute Ether to our token holders. As long as you are the owner of the token, our smart contract will send out a portion of the mining revenue to your ERC-20 compatible wallet each month.” 2.4. Op 13 september 2018 heeft de vennootschap waarvan [eiser] bestuurder en (indirect) aandeelhouder is, [naam vennootschap 3] (hierna: “IMT”), een bedrag van € 250.000,= gestort op een rekening van [naam bedrijf] bij de (Litouwse) bank IBS Lithuania. 2.5. In een e-mail van 15 januari 2019 hebben [gedaagde 1] c.s. aan onder andere [eiser] geschreven, voor zover van belang: “Niemand heeft meer uitgekeken met het starten van [naam bedrijf] als wij. Wij zijn dik jaar non stop bezig geweest met het promoten van [naam bedrijf] .io. Naast veel energie, tijd en geld in [naam bedrijf] gestoken te hebben, zijn wij maanden weg geweest van onze familie en gezin. De gevolgen voor ons zijn enorm. Op 30-12-2018 hebben wij (…) als vertegenwoordiger van [naam vennootschap 1] een afspraak gemaakt met [persoon A] (een broer van [eiser] , toev. rb.)) namens IMT te Hilton Rotterdam. Het doel van het gesprek was om jullie als token houder te informeren over de stand van zaken. Echter tot onze verassing was daar ook (…) aanwezig. Dit veraste ons enorm aangezien wij een gesprek verwacht hadden met de betrokken partijen en niet met iemand die geen partij is in deze overeenkomst. Er werd tijdens dit zeer intimiderend gesprek eenzijdig besloten dat er een vordering was op ons met eventuele rente. Daarnaast zijn er ook direct meerdere bedreiging gedaan. (…) Laat een ding duidelijk zijn, wij laten ons niet afpersen en of bedreigen. Mochten wij of andere partijen/bedrijven, direct of indirect dreigementen krijgen van jou en/of (…) zullen wij genoodzaakt hiervan een melding en aangifte te doen. Wij wijzen conform [naam vennootschap 1] terms and conditions elke vorm van vordering en of rente af. Omstandigheden : Wij hebben tijdens het gesprek nogmaals duidelijk willen maken wat de omstandigheden zijn waar [naam bedrijf] mee te maken heeft gehad, zoals: - Crowd sale die enorm tegenvalt - Verandering in regelgeving - De gehele cryptomarkt heeft 2/3 van haar waarde verloren. - BTC waarde gehalveerd Informatie verstrekking : Er word ons verweten dat wij jou te weinig op de hoogte hebben gehouden na de aankoop van de tokens. Dit is niet correct. Wij houden onze officiële telegram chat en sociaal media's up to date met alle relevante informatie. Daarnaast is er direct contact onderhouden met jou over de gang van zaken. Wij hebben meermaals informatie aan je verstrekt zoals verlenging crowdsale, mark[t] informatie, en dat de crowdsale enorm is tegen gevallen.” 2.6. Op 21 juli 2020 hebben [gedaagde 1] c.s. [naam bedrijf] althans haar onderneming “due to lack of funds and lack of business” uit het handelsregister in de Verenigde Arabische Emiraten laten uitschrijven. 3.De vorderingen en het verweer 3.1. De vorderingen van [eiser] zijn in extenso weergegeven in het voornoemde incidentele vonnis onder 2.1. Kort samengevat komen deze erop neer dat [gedaagde 1] c.s. en [gedaagde 3] , bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, zullen worden veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 250.000,=, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 3.025,00 en de proceskosten. 3.2. [gedaagde 1] c.s. en [gedaagde 3] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] en tot afwijzing daarvan geconcludeerd, met verwijzing van [eiser] in de proceskosten met nakosten en wettelijke rente, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4.De beoordeling 4.1. Aan de vorderingen legt [eiser] , onder verwijzing naar een door hem overgelegd rapport van een particulier recherchebureau (als enige productie), het volgende ten grondslag. 4.1.1. Primair hebben [gedaagde 1] c.s. een onrechtmatige daad jegens hem gepleegd. [gedaagde 1] c.s. hebben [eiser] namelijk opgelicht. [gedaagde 1] c.s. hebben het doen voorkomen een bedrijf te hebben opgericht waarmee zij cryptogeld zouden vervaardigen door middel van ‘mining’ apparatuur. Aan [eiser] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevraagd of hij in deze crypto-mining onderneming financieel wilde investeren. Daarbij deelden zij mee dat de aangekochte mining apparatuur als onderpand zou dienen als zekerheid voor de eventuele investering van [eiser] . Aan [eiser] is een brochure overhandigd. Daarin werden onder andere grote winsten in het vooruitzicht gesteld bij een investering in het bedrijf van [gedaagde 1] c.s. Volgens deze brochure zou een crowdfunding plaatsvinden. Van de opbrengst daarvan zou 85% bestemd zijn voor de inrichting van de gehele mining faciliteit van de onderneming en 15% zou gebruikt worden voor marketing en het juridische aspect. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij [eiser] het vertrouwen gewekt dat hun organisatie solide was en dat het zeker een goed lopend concept zou zijn om in te investeren. Nadat [eiser] zijn investering had gedaan - door zijn vennootschap IMT is € 250.000,= betaald -, bleek dat er geen crypto mining apparatuur was aangeschaft. Uiteindelijk hebben [gedaagde 1] c.s. [eiser] meegedeeld dat het project om cryptomunten te ‘minen’ niet van de grond was gekomen en dat zijn investering waardeloos was. Wat [eiser] betreft hebben [gedaagde 1] c.s. zich door hun handelwijze van listige kunstgrepen bediend en hem, althans IMT, € 250.000,= afhandig gemaakt, naar alle waarschijnlijkheid met het oogmerk om [gedaagde 1] c.s. als eigenaren van de door hen opgerichte vennootschap [naam bedrijf] wederrechtelijk te bevoordelen. 4.1.2. Subsidiair beroept [eiser] zich op een toerekenbare tekortkoming door [gedaagde 1] c.s.. [gedaagde 1] c.s. zijn de door hen gedane contractuele toezeggingen niet nagekomen en zij hebben de beloofde voortgang en resultaten niet getoond. De door [eiser] geleden schade bedraagt de geïnvesteerde € 250.000,= en de bijkomende buitengerechtelijke incassokosten, berekend volgens de daarvoor geldende staffel. 4.2. Volgens [gedaagde 1] c.s. is van oplichting door hen van [eiser] geen sprake geweest en zij betwisten dus jegens [eiser] onrechtmatig te hebben gehandeld. Daartoe voeren zij het volgende aan. 4.2.1. [gedaagde 1] c.s. hebben inderdaad het voornemen gehad om met het door hen opgerichte bedrijf [naam bedrijf] bitcoins te laten ‘minen’. Begin juni 2018 is door hen [naam bedrijf] opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Dat land bood destijds voor blockchain-bedrijven een aantrekkelijk vestigings- en fiscaal klimaat. Het was de bedoeling de feitelijke mining-operatie via de Nederlandse vennootschap van [gedaagde 1] c.s., [naam vennootschap 2] , in Nederland te laten plaatsvinden. Op de in de cryptowereld gebruikelijke manier hebben [gedaagde 1] c.s. voorts geprobeerd door middel van de uitgifte van ‘tokens’ investeerders aan te trekken. ‘Tokens’ geven kopers het recht op een deel van de opbrengst van de te ontwikkelen mining-activiteiten. De kopers van de tokens weten precies welke risico’s zij daarbij nemen. In een onder andere ook aan [eiser] beschikbaar gesteld informatiemateriaal is een en ander gedetailleerd uiteengezet. In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat er snel veel geld kon/kan worden verdiend met cryptovaluta, maar ook dat het risico op het verdampen van de inleg levensgroot was/is. De waarde van de bitcoin is in het begin snel gestegen, maar in de loop van 2018 ook weer tot zelfs beneden de beginwaarde gedaald. De mining-operatie van [naam bedrijf] is uiteindelijk niet van de grond gekomen. De reden daarvan is de volgende. Voor een geslaagde mining-operatie zijn verschillende gunstige “ingrediënten” nodig. De energieprijs moet laag zijn. Er moet een geschikte locatie zijn om de mining -apparatuur te laten draaien. Een voldoende hoge bitcoinprijs is van belang en, ten slotte, moeten er voldoende investeerders zijn. Vanaf augustus 2018 begon [naam bedrijf] met de crowdfunding van financiering voor de mining-operatie door middel van de uitgifte van tokens. Ten behoeve daarvan zijn kosten gemaakt in de vorm advies- en promotiekosten en kosten in verband met de organisatie van diverse evenementen en off- en online marketing events in verschillende continenten. Er hebben zich een aantal potentiële investeerders gemeld, maar vanaf medio november 2018 werd duidelijk dat een aantal van de elementaire vereisten voor een geslaagde mining-operatie niet gehaald zou worden. Zo was sprake van sterke prijsdalingen van de bitcoin waardoor de kosten van het minen niet langer op zouden wegen tegen de opbrengst van de geminede bitcoins. Een andere tegenslag was dat een van de partijen waarvan [naam bedrijf] mining-apparatuur wenste te kopen in zwaar weer kwam te verkeren en de productie stop zette. Tegelijkertijd nam in diezelfde periode het aantal crypto-start-ups sterk toe, waardoor sprake was van verwatering en er werd een verbod afgekondigd op crypto-advertenties. Als gevolg van dit alles keerde het marktsentiment en trokken verschillende investeerders zich in november en december 2018 uit het project van [naam bedrijf] terug. Het gevolg hiervan was dat [naam bedrijf] niet meer voor de eerder door haar begrote kosten de mining-operatie kon starten, terwijl de geïnvesteerde gelden reeds waren besteed aan de exploitatie van de onderneming. In februari 2019 heeft [naam bedrijf] moeten constateren dat de mining-operatie niet opgestart kon worden, alsook dat [naam bedrijf] geen werkkapitaal meer bezat. Later in 2019 is de business license van [naam bedrijf] in de Verenigde Arabische Emiraten niet verlengd en is de onderneming opgehouden te bestaan. Aangezien [naam bedrijf] nooit operationeel is geworden hebben de door haar uitgegeven tokens geen waarde. 4.3. Namens [gedaagde 3] is het verweer gevoerd dat zij bij de onderneming van [gedaagde 1] c.s. in het geheel niet betrokken is geweest; zij is slechts de echtgenote van [gedaagde 1] . 4.4. De rechtbank overweegt het volgende. 4.5. Uit de feiten volgt dat [gedaagde 1] c.s. hebben gehandeld als bestuurders van een (buitenlandse) vennootschap, [naam bedrijf] , en dat [eiser] met hen in die hoedanigheid een overeenkomst is aangegaan, namelijk de Token Agreement. 4.6. [eiser] heeft aangevoerd dat hij zich niet kan herinneren de Token Agreement te hebben ondertekend. Voor zover hij daarmee heeft willen betogen dat hij de in die Token Agreement vastgelegde overeenkomst met [naam bedrijf] niet heeft gesloten, wordt aan dat verweer voorbijgegaan. [gedaagde 1] c.s. hebben namelijk aan [eiser] een exemplaar van de Token Agreement toegestuurd, waarna deze met een handtekening van [eiser] retour is gekomen. [eiser] heeft in dit geding ook zelf de Token Agreement, voorzien van dezelfde handtekening, overgelegd bij het rapport van het door hem ingeschakelde particuliere recherchebureau, waarin met zoveel woorden wordt opgemerkt dat [eiser] de Token Agreement met [naam bedrijf] is aangegaan. 4.7. Uitgangspunt voor deze zaak is dus dat [eiser] een “Token Agreement” heeft gesloten met de vennootschap naar het recht van de Verenigde Arabische Emiraten [naam bedrijf] . Voorop staat dat [eiser] zich daarom in eerste instantie tot [naam bedrijf] zou moeten richten als hij meent dat hij bij zijn investering in “SRXIO-tokens” bedrogen is. De rechtbank begrijpt dat [eiser] [gedaagde 1] c.s. aanspreekt omdat [naam bedrijf] geen verhaal biedt, omdat deze vennootschap, zoals [gedaagde 1] c.s. hebben aangegeven, inmiddels ontbonden is. [eiser] stelt [gedaagde 1] c.s. dus als bestuurders van genoemde (buitenlandse) vennootschap aansprakelijk. 4.8. Beide partijen zijn uitgegaan van Nederlands recht als het recht dat bij de beantwoording van de vraag of [eiser] [gedaagde 1] c.s. aansprakelijk kan houden, moet worden toegepast. Gelet op artikel 4 lid 1 Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II), zal ook de rechtbank daarvan uitgaan. 4.9. Het is vaste rechtspraak dat in het kader van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, een bestuurder op grond van art. 6:162 Burgerlijk Wetboek (BW) persoonlijk aansprakelijk kan zijn. Vergelijk onder meer het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, (Ontvanger/X), waarin is overwogen: “3.5 (…) Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.