Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/4189 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2022 in de zaak tussen [eiser], te [plaatsnaam], eiser, gemachtigde: mr. L. van der Wijngaart, en de burgemeester van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. C.W. de Jong. Procesverloop Bij besluit van 5 februari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de illegale seksinrichting in de woning aan [adres] (de woning) met ingang van 7 februari 2021 gesloten voor de duur van drie maanden. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 15 maart 2021, zaaknummer ROT 21/721, eisers verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Bij besluit van 25 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari
- Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door J.P. Langenbach. Overwegingen 1.
- Op 25 november 2020 heeft de Afdeling Vreemdelingen, Identificatie en Mensenhandel van de politie eenheid Rotterdam (AVIM) een controle uitgevoerd in de woning, waarvan eiser eigenaar is. Op dit adres staan geen personen ingeschreven in de basisregistratie personen. De bevindingen van de controle zijn door de AVIM neergelegd in een bestuurlijke rapportage van 27 november 2020 (rapportage). Deze rapportage is aan verweerder toegezonden met het verzoek een bestuurlijke maatregel te treffen om de illegale situatie te beëindigen. Bij brief van 31 december 2020 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om een maatregel op te leggen. Op basis van de rapportage en na een schriftelijke zienswijze van eiser van 7 januari 2021 heeft verweerder het primaire besluit genomen. 1.
- Bij primair besluit is verweerder overgegaan tot sluiting van de woning. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat in de woning in strijd met artikel 3:3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) zonder vergunning een seksbedrijf werd geëxploiteerd. Op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de APV en in overeenstemming met het handhavingsbeleid zoals neergelegd in de Nota prostitutie en seksbranche Rotterdam 2015 (Nota) kon daarom tot sluiting worden overgegaan, waarbij de met de sluiting te dienen belangen zwaarder wegen dan het belang van eiser.
- Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag een advies van de bezwaarschriften-commissie van 20 april
- Eiser voert in beroep aan dat er geen grondslag is voor de sluiting, omdat geen sprake is van exploitatie van een seksbedrijf. In de rapportage bevinden zich geen ondertekende verklaringen. Verder is onduidelijk hoe en in welke taal de aangetroffen personen zijn gehoord. Uit de rapportage blijkt niet dat er gebruik is gemaakt van een tolk, terwijl de prostituee Nederlands noch vloeiend Engels sprak. De verklaringen worden niet ondersteund door de waarnemingen. Het gaat om een normale hotelkamer met een bed. Dit maakt een kamer nog geen sekswerkplek. De prostituee is op straat aangetroffen en niet in de kamer. Evenmin blijkt uit de rapportage dat zij haar werkzaamheden in het pand verrichtte. Uit de aangetroffen lijst met namen blijkt niet dat het gaat om prostituees en ook niet dat de getallen geldbedragen betreffen. Eiser had geen wetenschap van het verblijf van een mevrouw die prostitueerde. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat de burgemeester geen rekening heeft gehouden met de eigen maatregelen die eiser heeft getroffen, te weten screening vooraf en actief toezicht. De sluiting van drie maanden is in strijd is met het beleid van verweerder, omdat niet gezegd kan worden dat de woning de woonfunctie heeft verloren en als bedrijfsruimte moet worden aangemerkt. Er had moeten worden volstaan met een bestuurlijke waarschuwing, nu het gaat om een eerste constatering. Daarnaast is het bestreden besluit volgens eiser in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft voor dezelfde overtreding twee maatregelen opgelegd. Ook had verweerder kunnen volstaan met sluiting van de bewuste kamer, zodat eiser de andere kamers nog had kunnen verhuren. Er is sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de burgemeester gebruik had moeten maken van zijn afwijkingsbevoegdheid. 4.
- Op grond van artikel 3:2 van de APV wordt verstaan onder ‘seksbedrijf’: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen betaling. Onder ‘seksinrichting’ wordt verstaan: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf. Op grond van artikel 3:3, eerste lid, van de APV is het verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning. Op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de APV kan het bevoegde bestuursorgaan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning. 4.
- Bij de uitoefening van de in artikel 3:9a, eerste lid, van de APV neergelegde bevoegdheid hanteert verweerder een handhavingsbeleid, dat is opgenomen in hoofdstuk 6 van de Nota. In de paragraaf “Handhavingskader illegale prostitutie” is omschreven op welke wijze bestuursrechtelijk tegen illegale prostitutie wordt opgetreden bij overtreding van artikel 3:3, eerste lid, van de APV. Ten aanzien van woningen geldt als maatregel bij een eerste constatering de versnelde sluiting van het pand voor één maand, vervolgens: “a. indien van toepassing afzien van verdere sluiting; b. indien van toepassing verlenging sluitingsduur naar drie maanden.” Als toelichting is hierbij het volgende vermeld: “Wanneer een woning als bedrijfsmatig prostitutiebedrijf wordt gebruikt, wordt de woning niet meer feitelijk als woning gebruikt. In dergelijke gevallen wordt zo snel mogelijk de illegale situatie beëindigd door een sluiting. In beginsel gaat de burgemeester over tot sluiting van de woning voor de duur van drie maanden. Binnen de eerste maand van de sluiting vindt een zienswijzengesprek plaats. Wanneer de pandeigenaar kan aantonen dat hijzelf door concrete maatregelen de illegale situatie heeft beëindigd (zoals het ontbinden van de huurovereenkomst en/of ontruimen van de woning) en herhaling wordt voorkomen (bijvoorbeeld door aangepaste wijze van verhuur) kan na één maand worden afgezien van een verdere sluiting. De richtlijnen voor goed verhuurderschap zijn te raadplegen via www.rotterdam.nl/goedehuisbaas. Wanneer sprake is van overlast en loop op het pand, kan ondanks goede maatregelen van de pandeigenaar toch de langere sluitingsduur van drie maanden worden opgelegd. Dit wordt in deze gevallen nodig geacht om de loop uit het pand te halen.” Bevoegdheid 5.
- De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er sprake is van het exploiteren van een seksbedrijf. 5.
- Volgens vaste jurisprudentie mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal en van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte bestuurlijke rapportage van de politie. Dat geldt ook voor de rechter, tenzij tegenbewijs aanleiding geeft tot het afwijken van dit uitgangspunt. Hoewel de rapportage niet op ambtseed of ambtsbelofte maar “naar waarheid” is opgemaakt, neemt de rechtbank, gelet op de reguliere werkwijze rond het opmaken van bestuurlijke rapportages door de politie aan de hand van onderliggende processen-verbaal, ook hier als uitgangspunt dat verweerder in beginsel mag afgaan op de juistheid van de in de rapportage opgenomen bevindingen en dat het aan eiser is om tegenbewijs te leveren waaruit blijkt dat de inhoud van de rapportage niet juist is. 5.
- Uit de rapportage komt naar voren dat de prostituee niet stond ingeschreven op het adres van eiser en dat zij geen huurovereenkomst had. Zij had een advertentie op www.kinky.nl geplaatst, waarin zij seksuele handelingen aanbood tegen een vergoeding. Uit haar verklaring blijkt dat ze dit werk deed om inkomsten te genereren en dat ze haar klanten in de betreffende kamer ontving. In de kamer werd een lege Lebara verpakking aangetroffen waarvan het bijbehorende telefoonnummer gelijk is aan het telefoonnummer van de prostituee waarop is ingebeld door de AVIM-medewerker voor het maken van een seksafspraak en werd tevens een papier aangetroffen met namen en bedragen. Dit alles maakt dat verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake was van het exploiteren van een seksbedrijf en de woning terecht heeft aangemerkt als seksinrichting. Eiser heeft geen stukken ingebracht waaruit het tegendeel blijkt. Voor zover eiser ter zitting heeft aangevoerd dat uit camerabeelden blijkt dat er geen activiteiten werden verricht die passen bij een seksinrichting, stelt de rechtbank vast dat eiser deze camerabeelden niet in het geding heeft gebracht. 5.
- Eisers betoog dat hij geen wetenschap had van de seksinrichting doet niet af aan de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting. Noodzaak sluiting 6.
- Vervolgens dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van de woning voor drie maanden noodzakelijk is. 6.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de aangetroffen situatie, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het noodzakelijk was om het pand te sluiten. Verweerder mocht ervan uitgaan dat er in het pand klanten zijn ontvangen en dat er sprake was van enige loop naar het pand. Verweerder heeft zich dus in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het noodzakelijk was om het pand tijdelijk te sluiten om een einde te maken aan de situatie, de rol van het pand als illegale seksinrichting ongedaan te maken, herhaling te voorkomen en ook verdere nadelige effecten ervan op het openbare leven en andere lokale omstandigheden te voorkomen. De aanwezigheid van een illegale seksinrichting heeft namelijk een aanzuigende werking met betrekking tot andere illegale praktijken waardoor een gevoel van onveiligheid en maatschappelijke onrust kan ontstaan. 6.
- De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een sluiting van het pand voor de duur van drie maanden noodzakelijk was. Verweerder heeft er, in afwijking van zijn beleid, voor gekozen niet de woning versneld voor één maand te sluiten en vervolgens te beoordelen of een verlenging van de sluitingsduur naar drie maanden nodig is. In plaats daarvan heeft verweerder na een zienswijzeprocedure besloten tot sluiting voor drie maanden ineens. In verweerders beleid is bepaald dat bij het volgen van de reguliere procedure na één maand kan worden afgezien van verdere sluiting wanneer de pandeigenaar kan aantonen dat hijzelf door concrete maatregelen de illegale situatie heeft beëindigd (zoals het ontbinden van de huurovereenkomst en/of het ontruimen van de woning) en herhaling wordt voorkomen (bijvoorbeeld door aangepaste wijze van verhuur). Nu geen sprake was een huurovereenkomst kon die bezwaarlijk door eiser worden ontbonden. Wel is aannemelijk geworden dat het verblijf van de prostituee was geëindigd. De rechtbank is van oordeel dat de bezwaarschriftencommissie in haar advies, dat in het bestreden besluit is overgenomen, onvoldoende heeft gemotiveerd dat de door eiser voorgestelde maatregelen onvoldoende zekerheid bieden om herhaling te voorkomen. Dat, zoals in het primaire besluit is overwogen, vanwege het ontbreken van een huurovereenkomst onduidelijk is welke personen toegang hebben tot het pand, acht de rechtbank een onvoldoende motivering in het licht van het feit dat eiser in de zienswijzeprocedure onderbouwd had aangevoerd dat hij met behulp van camera’s toezicht houdt op de ingang van het pand en dat hij de tijdelijke verhuur via Booking.com had beëindigd. Ook heeft eiser in de zienswijzeprocedure onderbouwd aangevoerd dat hij voor een andere bedrijfsvoering heeft gekozen doordat hij op het punt stond een overeenkomst te gaan sluiten met de Stichting Timon, een organisatie op het terrein van jeugdhulpverlening. De overweging van de bezwaarschriftencommissie dat deze in de zienswijze genoemde stichting onbekend is, verhoudt zich moeilijk met het feit dat deze stichting op verschillende locaties in Rotterdam actief is op het terrein van jeugdzorg en daarmee bij de gemeente Rotterdam bekend zal zijn. Verweerder heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zodanige overlast of loop op het pand dat daardoor een sluiting voor drie maanden aangewezen is. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder, in strijd met artikel 7:12 van de Awb, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom is overgegaan tot sluiting voor langer dan één maand. Deze beroepsgrond slaagt.
- Reeds gelet op het hiervoor overwogene is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank komt daarmee niet toe aan de overige beroepsgronden. Verweerder zal een nieuwe beslissing op het bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij zal verweerder zo nodig ook moeten beoordelen of de wijze waarop hij van zijn bevoegdheid gebruik zal maken evenredig is. Daarbij dient hij alle omstandigheden van het geval te betrekken en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.
- Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt zij op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 181,- vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1,518,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Flikweert, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Sahin, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 9 juni
- De rechter en de griffier zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.