Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/103 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2022 in de zaak tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman, en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Procesverloop Bij besluit van 24 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 7.500,- voor een overtreding van de Wet dieren. Bij besluit van 27 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2022. Dit beroep is tegelijk behandeld met ROT 21/104. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] , bestuurder van eiseres, en [naam] , KAM-coördinator bij eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Overwegingen 1. Verweerder heeft aan eiseres een boete opgelegd voor het volgende beboetbare feit: “Een karkas was zichtbaar verontreinigd. Deze zichtbare verontreiniging werd niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.” Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van: artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten, en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004). 2. Verweerder heeft zijn boetebesluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In het rapport schrijft de toezichthouder onder meer het volgende: “Datum en tijdstip van de bevinding: 31 mei 2019 omstreeks 14:52 uur. In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: de heer [naam] , functie: bedrijfsleider. Tijdens mijn reguliere inspectie bevond ik mij in de uitbeenderij alwaar ik op een stomp van een kalf faecale bezoedeling aantrof. Aan de kleur en consistentie was duidelijk zichtbaar dat het mest betrof, zie fotobijlage foto 1. De stomp was gestempeld (goedgekeurd voor humane consumptie) en was verschillende posities gepasseerd waar eventuele bezoedeling verwijderd had moeten worden, zie fotobijlage foto 2. Faecale bezoedeling aan de binnenzijde van het bekken zoals bij dit karkas ontstaat voor of tijdens het verwijderen van het maagdarmpakket. De zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. [eiseres] . heeft als ccp (critical control point) het voorkomen van faecale bezoedeling in hun bedrijfsplan staan wat betekent dat vlees met faecale bezoedeling de slachthal niet zou mogen verlaten. Ik heb direct opdracht gegeven de faecale bezoedeling te verwijderen door middel van wegsnijden. Bij mijn controle na afloop van het slachtproces zag ik dat een karkas zichtbaar was verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. […] Ter plaatse heb ik de heer [naam] , chef uitbeenderij van [eiseres] , van mijn bevindingen op de hoogte gesteld en hem medegedeeld dat ik een rapport van bevindingen zou opmaken. Vervolgens heb ik de heer [naam] , bedrijfsleider van [eiseres] , telefonisch op de hoogte gebracht en hem een rapport aangezegd. Tenslotte heb ik de heer [naam] , als directeur van [eiseres] , via een e-mailbericht op de hoogte gesteld van mijn bevindingen en hem ter zake een rapport van bevindingen aangezegd, zie bijlage aanzegging rapport per e-mail 31-05-2019.” 3. Eiseres voert aan dat pas in de uitbeenderij de bezoedeling is geconstateerd. Zowel medewerkers van eiseres als de NVWA-controleurs hadden het betreffende karkas toen al een aantal malen gezien en beoordeeld maar dat heeft geen constatering van bezoedeling opgeleverd. Er wordt aangenomen dat de bezoedeling is ontstaan bij het verwijderen van het maag-darmpakket maar als dat zo was, dan was de bezoedeling al veel eerder opgemerkt. Er wordt aangenomen dat het karkas met bezoedeling de slachthal heeft verlaten maar dat blijkt nergens uit. Eiseres weet niet hoe de bezoedeling op de stomp terecht is gekomen maar sluit uit dat dit tijdens het uitslachten is gebeurd. Eiseres kan dan ook niet overtreding van punt 7 en punt 10 van hoofdstuk IV, sectie I, Bijlage III, van Verordening 853/2004 worden verweten. Zij heeft aan alles in punt 7 voldaan, het karkas is gecontroleerd en gestempeld als goedgekeurd voor menselijke consumptie. Gedurende het gehele proces tot en met het stempelen was er geen verontreinigd karkas. Ook is niet aangetoond dat het zou schorten aan de hygiëne tijdens het slachten; daarbij wijst eiseres ook op de weekoverzichten. Daarnaast kan het wel voorkomen dat een bezoedeling pas in de uitbeenderij zichtbaar wordt maar dan is de procedure dat het dan onmiddellijk wordt weggesneden. Het rapport rept daar niet over. Dan kan eiseres dus niet worden verweten dat een bezoedeling niet meteen werd weggesneden. Verder voert eiseres aan dat telkens dezelfde boetebesluiten worden gebruikt om een nieuwe boete te verhogen maar dat kan niet, dat zou je slechts één keer moeten kunnen doen. Er is geen beleid dat dit ongelimiteerd gebruik van een eerdere overtreding aan banden legt. Dat is disproportioneel en onevenredig. Bovendien worden dergelijke boetes voor dit soort zaken in het strafrecht niet opgelegd. Daarnaast wijst eiseres erop dat verweerder de termijn van artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft overtreden en dat dit moet leiden tot een verlaging van de boete. Ten slotte heeft eiseres ter zitting nog een beroep gedaan op de redelijke termijn. 3.1. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer herhaald in ECLI:NL:CBB:2021:564, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport zoals hier aan de orde, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. 3.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van bevindingen. In het rapport is duidelijk beschreven wat de toezichthouder heeft waargenomen, namelijk fecale bezoedeling op de stomp van een kalf. Ook zijn twee foto’s bij het rapport gevoegd. Eiseres heeft de aangetroffen fecale bezoedeling ook niet betwist. 3.3. Eiseres stelt terecht dat verweerder de termijn van artikel 5:51 van de Awb heeft overschreden door niet binnen 13 weken na het rapport van bevindingen het boetebesluit te nemen. Deze termijn is evenwel een termijn van orde (TK 2003-2004, 29701, nr. 3, p.150) en overschrijding ervan leidt als zodanig niet tot het vervallen van de bevoegdheid om een boete op te leggen. Ook voor een eventuele matiging van de boete ziet de rechtbank in dit geval geen reden, nu gesteld noch gebleken is dat eiseres door de termijnoverschrijding in haar belangen of bewijspositie is geschaad. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouder de chef uitbeenderij ter plekke, de bedrijfsleider telefonisch en de directeur per e-mail op de hoogte heeft gesteld van de bevindingen en hen heeft meegedeeld dat er een rapport zou worden opgemaakt. 3.4. Het gaat hier om een vermeende overtreding van punt 7 en 10 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening 853/2004. In punt 7 en 10 staat het volgende: 7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.