← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:4969

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 8943214 CV EXPL 20-47222 datum uitspraak: 17 juni 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , gemeente [gemeente] , eiser, gemachtigde: mr. F. van Schaik, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats] , gemeente [gemeente] , gedaagde, gemachtigde: mr. V.T.E. Kuijpers. De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1.De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 18 december 2020, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; het vonnis waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de door [eiser] overgelegde aanvullende bijlagen. 1.
  2. Op 19 mei 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen en de gemachtigden besproken. 2.De feiten 2.
  3. [gedaagde] is de zoon van [eiser] . 2.
  4. [gedaagde] heeft op 20 september 2019 namens zijn echtgenote en dochter aangifte gedaan tegen zijn drie broers vanwege bedreiging. Hij heeft in de aangifte genoemd dat de broers tijdens het incident een vuurwapen bij zich hadden. 2.
  5. De politie heeft op 29 oktober 2019 een huiszoeking gedaan in de woning van [eiser] , waar één van de broers op dat moment woonachtig was. De politie is binnengetreden door de voordeur te forceren. In de woning zijn geen vuurwapens of andere verboden objecten aangetroffen. 2.
  6. De officier van justitie heeft de bij [eiser] inwonende broer van [gedaagde] inmiddels buiten vervolging gesteld omdat er onvoldoende bewijs is. De andere twee broers zijn ook buiten vervolging gesteld. 2.
  7. De verhuurder van [eiser] heeft hem aansprakelijk gesteld voor de schade aan de voordeur. 3.Het geschil 3.
  8. [eiser] eist samengevat: [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 1.341,21 met rente; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  9. [eiser] baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft opzettelijk een onjuiste aangifte gedaan tegen zijn broers. De politie heeft vanwege deze aangifte een inval gedaan in de woning van [eiser] . [gedaagde] had kunnen weten dat dit na zijn aangifte ging gebeuren. Een aangifte met vermelding van een vermoeden van wapenbezit leidt immers doorgaans tot een grondig onderzoek waarbij de woning tegen de wil van de bewoners kan worden binnengetreden. [gedaagde] dient dan ook de door de inval veroorzaakte schade aan de voordeur te vergoeden. De schade bedraagt € 1.341,
  10. 3.
  11. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij voert aan dat zijn aangifte niet vals is en dat het causaal verband tussen de aangifte en de inval ontbreekt. 4.De beoordeling 4.
  12. [eiser] stelt dat er door [gedaagde] een valse aangifte is gedaan. Dit wordt door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Het enkele feit dat de broers van [gedaagde] buiten vervolging zijn gesteld, betekent nog niet dat de aangifte zoals die gedaan is door [gedaagde] vals is. Als dit wel zou komen vast te staan, is het de vraag in hoeverre het doen van een valse aangifte tegen de broers onrechtmatig is ten opzichte van de vader ( [gedaagde] ). 4.
  13. Op het voorgaande hoeft echter niet verder ingegaan te worden, omdat [eiser] zijn stelling dat de inval door de politie het gevolg is van de aangifte onvoldoende heeft onderbouwd. [eiser] wijst in dit kader alleen op de aangifte die [gedaagde] heeft gedaan. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt wat de aanleiding voor de politie was om de inval te doen en in hoeverre de aangifte hierbij een rol heeft gespeeld. Gelet op het tijdsverloop tussen de aangifte en de inval (meer dan een maand) is een verband hiertussen ook niet vanzelfsprekend. Omdat [eiser] onvoldoende stelt, wordt aan bewijs niet toegekomen. Zijn vordering wordt afgewezen. 4.
  14. [eiser] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vast op € 374,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 187,- tarief). De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen. 4.
  15. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 5.De beslissing De kantonrechter: 5.
  16. wijst de vordering af; 5.
  17. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vastgesteld op € 374,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling; 5.
  18. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de proceskostenveroordeling. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken. 47636

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.