ECLI:NL:RBROT:2022:510
Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/2457 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2022 in de zaak tussen [naam verzoekster], te [woonplaats verzoekster], verzoekster, gemachtigde: mr. H.J. Ruysendaal, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. A. Zonneveld.
Procesverloop Bij besluit van 5 januari 2021 heeft verweerder aan verzoekster wettelijke rente toegekend tot een bedrag van € 40,- en het verzoek om schadevergoeding van 24 november 2020 en 30 december 2020 voor het overige afgewezen.
Bij brief van 7 mei 2021 heeft verzoekster een verzoek om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij de rechtbank.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen 1.1.
Verzoekster heeft op 26 juli 2017 bijstand aangevraagd. Bij besluit van 15 september 2017 heeft verweerder de aanvraag buiten behandeling gesteld. Op 23 september 2017 heeft verzoekster een nieuwe aanvraag voor bijstand ingediend. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 9 november 2017 met ingang van 23 september 2017 bijstand toegekend aan verzoekster. Bij besluit van 3 januari 2018 is de ingangsdatum van de bijstand bepaald op 26 juli 2017. Bij brief van verweerder van 28 augustus 2019 is aan verzoekster medegedeeld dat de uitbetaling van de bijstand met ingang van 1 augustus 2019 is gestopt in afwachting van nadere informatie van verzoekster. Bij besluit van 3 oktober 2019 is het recht van verzoekster op een bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 28 januari 2019, omdat zij niet alle gegevens heeft verstrekt waar verweerder om heeft gevraagd. Op 16 december 2019 heeft een nabetaling plaatsgevonden van € 4.894,51. Bij besluit van 6 januari 2020 is het besluit van 3 oktober 2019 ingetrokken.
Doordat het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2017 gegrond is verklaard, is dat besluit onrechtmatig.
Dat geldt ook voor de besluiten van 28 augustus 2019 waarbij de betaling van de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 augustus 2019 is gestopt en die van 3 oktober 2019 waarbij het recht van verzoekster op een bijstandsuitkering met ingang van 28 mei 2019 is ingetrokken. Doordat deze besluiten met de nabetaling van 16 december 2019 en de intrekking van 6 januari 2020 ongedaan zijn gemaakt, zijn ook deze besluiten onrechtmatig.
1.2.
Bij brieven van 24 november 2020 en 30 december 2020 heeft verzoekster verweerder verzocht om de schade te vergoeden die zij als gevolg van het onrechtmatig besluit van 15 september 2017 heeft geleden. Verzoekster beschrijft haar schade door aan te geven dat zij als gevolg van het in het geheel niet ontvangen van bijstand, danwel het ontvangen van een te laag bedrag aan bijstand voor verschillende periodes, de huur niet meer kon betalen en dat huisuitzetting dreigt.
1.3.
Bij het besluit van 6 januari 2021 heeft verweerder aan verzoekster een bedrag van (door verweerder afgerond op) € 40,- aan wettelijke rente toegekend als schadevergoeding in verband met het gedeeltelijk gegrond verklaren van het bezwaar tegen het besluit van 15 september 2017 en met de intrekking van het besluit van 3 oktober 2019. Voor het overige heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3.1.
Op grond van artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is het bestuursorgaan, indien een afwijzende beschikking tot betaling door het bestuursorgaan als gevolg van bezwaar of beroep wordt vervangen door een beschikking tot betaling, wettelijke rente verschuldigd vanaf het tijdstip waarop het in verzuim zou zijn geweest indien de beschikking op de laatste dag van de daarvoor gestelde termijn zou zijn gegeven. Op grond van het vierde lid is dit artikel van overeenkomstige toepassing indien het bestuursorgaan de beschikking tot betaling met terugwerkende kracht wijzigt of intrekt.
3.2.
Op grond van artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bestaat de schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest.
Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. D. van Dijk-Goedhart, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 28 januari 2022.
De griffier en de rechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.