Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/4973 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2022 in de zaak tussen [naam eiser] , te [plaats] , eiser, gemachtigde: mr. U. Karatas, en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder, gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg. Procesverloop Bij besluit van 8 februari 2021 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) 1 over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ingetrokken en de over die periode verleende bijstand voor een bedrag van € 3.156,96 teruggevorderd. Bij besluit van 8 februari 2021 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Tozo 2 over de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 september 2020 ingetrokken en de over die periode verleende bijstand voor een bedrag van € 4.229,41 teruggevorderd. Bij besluit van 8 februari 2021 (het primaire besluit 3) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Tozo 3 beëindigd, het recht op een uitkering over de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 ingetrokken en de over die periode verleende bijstand voor een bedrag van € 4.252,53 teruggevorderd. Bij besluit van 23 maart 2021 (het primaire besluit 4) heeft verweerder eisers aanvraag om een uitkering levensonderhoud op grond van de Tozo 3 voor de periode van 1 februari 2021 tot en met 31 maart 2021 afgewezen. Bij besluit van 12 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 7 januari 2022. Bij brief van 5 januari 2022 heeft eiser de rechtbank meegedeeld dat de zaak wat eiser betreft afgehandeld kan worden op de schriftelijke stukken en dat een mondelinge behandeling niet nodig is. Verweerder heeft de rechtbank vervolgens laten weten dat hij instemt met het achterwege laten van een zitting. De rechtbank heeft daarop, met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiser heeft werkzaamheden als zelfstandige verricht. In het kader van die werkzaamheden heeft eiser drie aanvragen om een uitkering op grond van de Tozo ingediend waarin hij onder meer heeft verklaard aan het urencriterium te voldoen. Op basis van eisers verklaringen in de aanvraagformulieren heeft verweerder over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 oktober 2021 bijstand aan hem toegekend. 2. Aan het bestreden besluit ligt, voor zover voor deze uitspraak van belang, het volgende ten grondslag. Eiser heeft de inlichtingenplicht geschonden door onjuist te verklaren over zijn werkzaamheden als zelfstandige. Anders dan eiser heeft verklaard, is niet aannemelijk geworden dat hij voldeed aan het urencriterium en dat zijn bedrijf financieel is geraakt door de Coronacrisis. Eiser heeft ook niet duidelijk gemaakt wat zijn inkomsten waren, waardoor verweerder het recht op bijstand niet heeft kunnen vaststellen. Verder was eiser in de periode van 9 januari 2021 tot 15 januari 2021 gedetineerd. Gelet op de genoemde omstandigheden was verweerder gehouden eisers recht op bijstand over de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 oktober 2021 in te trekken en de te veel verleende bijstand van hem terug te vorderen. 3. Eiser heeft het volgende aangevoerd. Verweerder heeft in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld door de aan hem verleende bijstand na drie toekenningen terug te vorderen. Verder heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat hij niet in Rotterdam woonde en dat hij niet voldeed aan het urencriterium. Verweerder had de terugvordering ten minste moeten beperken op grond van de zesmaandenjurisprudentie. 4.1. De Tozo bevat tijdelijke regels over bijstandsverlening aan zelfstandigen die financieel getroffen zijn door de gevolgen van de crisis in verband met COVID-19. De Tozo vindt zijn grondslag in artikel 78f van de Participatiewet (Pw). Op grond van artikel 1, onderdeel b, van de Tozo dient een betrokkene ten minste 1.225 uur per jaar te besteden aan werkzaamheden voor het bedrijf of zelfstandig beroep om als zelfstandige in de zin van de Tozo te worden aangemerkt. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Tozo wordt door de aanvrager van algemene bijstand het volgende verklaard en de volgende informatie verstrekt: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.