Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 71/187449-21 Uitspraakdatum: 30 juni 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] (Marokko) op [geboortedatum01] 1987, zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland, bijgestaan door mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 juni 2022 . 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van het feit als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. D. Kardol heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van voorarrest en met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). 4. Waardering van het bewijs De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 juni 2015 tot en met 30 augustus 2020 heeft deelgenomen aan (een) terroristische organisatie(s), te weten Hay’at Tahrir al-Sham en/of Harakat Fajr al Sham al Islamiyya en/of Jabhat Ansar al Din. De rechtbank overweegt als volgt. De kern van het bewijs in onderhavig zaak wordt gevormd door een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en veiligheidsdienst (AIVD) van 18 mei 2020. Dit ambtsbericht houdt onder meer in dat de verdachte tussen het voorjaar van 2017 tot het voorjaar van 2019 is gelokaliseerd in gebieden in Syrië die op dat moment lagen in het territorium van Hay’at Tahrir al-Sham (HTS). De verdachte zou in het voorjaar van 2018 hebben deelgenomen aan een militair kamp van Harakat Fajr al Sham al-Islamiyya. Bovendien zou de verdachte in het voorjaar van 2017 en 2018 betrokken zijn geweest bij de handel in springstoffen. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in beginsel geen rechtsregel zich verzet tegen het gebruik van een door de AIVD verstrekt ambtsbericht tot het bewijs in een strafzaak. De strafrechter is daarbij gehouden met de nodige behoedzaamheid te beoordelen of het ambtsbericht, gelet op de soms beperkte toetsbaarheid, tot het bewijs kan meewerken. Het gebruik van een ambtsbericht als bewijsmateriaal is slechts dan toegestaan indien er voldoende mogelijkheden zijn tot verificatie van de gegevens die daarin zijn opgenomen (Hoge Raad 05-09-2006, ECLI:NL:HR:2006:AV4122). De officier van justitie heeft onder meer gewezen op de omstandigheden dat: - de verdachte blijkens de inreisstempel in zijn paspoort in juni 2015 vanuit Nederland naar Turkije is gereisd; - het paspoort van de verdachte op 28 mei 2015 is afgegeven; - de verdachte volgens zijn zus ineens een paspoort ging regelen en daarna vrij snel vertrok en daarbij moest huilen; - de verdachte blijkens zijn eigen verklaring in de tenlastegelegde periode in Idlib (Syrië) heeft verbleven; - Idlib volgens de Midden-Oostendeskundige in de periode 2017 tot en met 2019 onder de invloedssfeer van HTS stond; - in het onder de verdachte in beslag genomen notitieboekje buitengewoon opvallende aantekeningen zijn aangetroffen; - in het notitieboekje de vlag/ het logo van HTS en Jaysh Fatah al-Sham was getekend en - de verdachte, toen hij zich in augustus 2020 bij het Nederlandse consulaat in Turkije meldde, op een briefje heeft geschreven dat hij in Idlib was en samen heeft gewerkt met “free syrien Idlib army” tegen de dictator. Hoewel is komen vast te staan dat de verdachte in juni 2015 is uitgereisd naar Syrië en in de tenlastegelegde periode in Idlib heeft verbleven, een gebied dat gedurende het voorjaar van 2017 tot het voorjaar van 2019 onder controle van HTS stond, komt de rechtbank tot de conclusie dat van bevestiging van de constitutieve onderdelen van het ambtsbericht in ander bewijsmateriaal geen sprake is. Meer in het bijzonder is, voor zover is gebleken uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting, er onvoldoende steunbewijs voor de verdenking dat de verdachte heeft deelgenomen aan (een van) de in de tenlastelegging genoemde terroristische organisatie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.