vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven Vonnis van 26 januari 2022 in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/10/629228 / HA ZA 21-1014 van 1. [naam eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam], voorheen mr. Polle Jan Willem Vermunt, handelend in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [naam eiser] , voornoemd, wonende te [woonplaats] , 2. mr. RALF VAN DER PAS q.q. kantoorhoudend te Eindhoven, in hoedanigheid van curator in het faillissement van STRIP 2000 B.V ., voorheen gevestigd te Eindhoven , eisers, advocaat mr. F.H.M. van Oorschot te Roosendaal, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 1], gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 2], gevestigd te [vestigingsplaats 2] , 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde sub 3], gevestigd te [vestigingsplaats 1] , 4. [gedaagde sub 4], wonende te [plaats] , 5. [gedaagde sub 5], wonende te [plaats] , gedaagden, advocaat mr. W. van Veldhuizen te Tilburg. Partijen zullen hierna eisers en gedaagden (dan wel: de bestuurders) worden genoemd. Afzonderlijk zullen partijen worden genoemd: Eiser 1, Eiser 2, [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] . 1.De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 1 september 2021 tot verwijzing van de onderhavige zaak naar de rechtbank Rotterdam voor voeging met de zaak C/10/618580 / HA ZA 21-429, en de in dat vonnis genoemde processtukken; de gezamenlijke mondelinge behandeling van de twee zaken op 13 december 2021. 1.2. Ten slotte is vonnis in deze zaak bepaald. Omdat in de gevoegde zaak na de mondelinge behandeling nog schikkingsonderhandelingen zouden plaatsvinden, wordt in beide zaken afzonderlijk vonnis gewezen. 2.De feiten 2.1. De ondernemingsstructuur aan de zijde van [gedaagde sub 1] is/was (voor zover relevant in deze procedure) als volgt: - [gedaagde sub 1] is een holdingvennootschap, zij was bestuurder en hield de aandelen in de werkmaatschappij [naam bedrijf] . (hierna: [naam bedrijf] ); - de bestuurders en aandeelhouders van [gedaagde sub 1] zijn [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ; - de bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 2] is [gedaagde sub 4] ; - de bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde sub 3] is [gedaagde sub 5] . 2.2. [naam bedrijf] verzorgde internetveilingen, veelal in opdracht van curatoren in faillissementen. 2.3. [naam bedrijf] heeft in opdracht van (de toenmalige bewindvoerder van) Eiser 1 en Eiser 2 veilingen gehouden. 2.4. [naam bedrijf] maakte bij haar bedrijfsactiviteiten tot 2017 gebruik van een Stichting [naam stichting] (hierna: de stichting). [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] waren de bestuurders van de stichting. Het statutaire doel van de stichting was het beheren van gelden in opdracht van [naam bedrijf] . 2.5. De stichting is op 25 oktober 2017 uitgeschreven uit het Handelsregister omdat de ontbonden rechtspersoon was opgehouden te bestaan. 2.6. De algemene voorwaarden van [naam bedrijf] vermelden in artikel 6 het volgende over de rol van de stichting en de wijze waarop met de opbrengsten van veilingen zou worden omgegaan: “6.1 Voor de door [naam bedrijf] verrichte diensten is Verkoper een vergoeding, bestaande uit een tussen [naam bedrijf] en Verkoper overeen te komen percentage over de omzet van de veiling, te vermeerderen met omzetbelasting, aan [naam bedrijf] verschuldigd. Voorts is [naam bedrijf] gerechtigd de door [naam bedrijf] gemaakte bijkomende kosten die betrekking hebben op de veiling van de Zaken van Verkoper bij Verkoper in rekening te brengen (bijvoorbeeld schoonmaakkosten, reiskosten, bewaar- en opstalkosten etc.). 6.2 Na het sluiten van een veiling worden op een door [naam bedrijf] vast te stellen tijdstip automatisch facturen verzonden naar de Kopers. Deze facturen worden geïnd op de bankrekening van de Stichting [naam stichting] . 6.3 [naam bedrijf] stelt na de ophaaldag de eindafrekening op. In deze eindafrekening is een lijst van de verkochte Kavels opgenomen met daarbij de veilingopbrengst van elke Kavel. [naam bedrijf] bewerkstelligt vervolgens dat de opbrengst onder aftrek van de in lid 1 van dit artikel aan [naam bedrijf] toekomende bedragen vanaf de bankrekening van B.V. worden overgemaakt naar de bankrekening van Verkoper. [naam bedrijf] is te allen tijde gerechtigd te bewerkstelligen dat door Verkoper aan [naam bedrijf] toekomende bedragen vanaf de bankrekening van de Stichting [naam stichting] . rechtstreeks aan [eiser] worden overgemaakt ter voldoening van vorderingen van [naam bedrijf] . Voorts is [naam bedrijf] te allen tijde gerechtigd vorderingen van [naam bedrijf] te verrekenen met aan Verkoper verschuldigde bedragen. 6.4 Het overmaken van de opbrengst van de veiling aan Verkoper, zoals omschreven in artikel 6.3, vindt in beginsel plaats binnen zeven dagen nadat Verkoper de eindafrekening van [naam bedrijf] ontvangen heeft.” Deze algemene voorwaarden zijn van toepassing verklaard op de overeenkomsten tussen Eisers (in het geval van Eiser 1: zijn toenmalige bewindvoerder) en [naam bedrijf] . 2.7. Volgens de desbetreffende eindafrekening van [naam bedrijf] heeft Eiser 1, na aftrek van kosten/ loon, recht op € 37.342,75. Daarvan is € 9.000 (wel) uitbetaald aan Eiser 1 en de rest niet. 2.8. Volgens de desbetreffende eindafrekening van [naam bedrijf] heeft Eiser 2, na aftrek van kosten/loon, recht op € 23.616,81. Dat bedrag is niet betaald/uitgekeerd aan Eiser 2. 2.9. [naam bedrijf] is op 17 april 2018 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. R.P.A. de Wit als curator (hierna: de curator). De curator heeft de bestuurders aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort. De rechtbank Amsterdam heeft de vordering van de curator toegewezen bij vonnis van 7 oktober 2020 (ECLI:NL:RBAMS: 2020:5372). Eisers zijn geen partij in die procedure. Er is geen hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. 2.10. De vorderingen van eisers op [naam bedrijf] zijn niet voldaan door de curator wegens gebrek aan baten. 2.11. Eisers hebben gedaagden aansprakelijk gesteld op de grondslag van onrechtmatige daad/ bestuursaansprakelijkheid. Gedaagden hebben deze aansprakelijkheid niet erkend. 3.De vordering en het verweer 3.1. Eisers vorderen bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Eiser 1: - de netto-veilingopbrengst ad € 37.342,75, althans enig bedrag dat de rechtbank in goede justitie door gedaagden aan Eiser 2 (de rechtbank begrijpt: Eiser 1) verschuldigd acht; - te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 16 februari 2018, althans 18 mei 2018, althans een datum door de rechtbank te bepalen, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; - te verminderen met de van [naam bedrijf] ontvangen betaling tot een totaalbedrag van € 9.000,00; - de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.148,43; II. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Eiser 2: - de netto-veilingopbrengst ad € 23.616, 81, althans enig bedrag dat de Rechtbank in goede justitie door gedaagden aan Eiser 2 verschuldigd acht; - te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 17 november 2017, althans een datum door uw Rechtbank te bepalen, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening; - de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.011,17; - de gerechtelijke incassokosten ad € 291,00 voor de griffiekosten van de faillissementsaanvraag en € 2.500,00 aan advocaatkosten in verband met de faillissementsaanvraag, althans enig bedrag dat de rechtbank in goede justitie door gedaagden aan gerechtelijke incassokosten verschuldigd acht; III. tot betaling van de kosten van dit geding. 3.2. Gedaagden voeren verweer en concluderen tot afwijzing van het gevorderde. 3.3. De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken. 4.De beoordeling 4.1. Het standpunt van eisers laat zich als volgt samenvatten: er is geld verduisterd. Dat levert een onrechtmatige daad/ bestuurdersaansprakelijkheid op. [naam bedrijf] was tegenover haar opdrachtgevers contractueel verplicht om de veilingopbrengsten te laten uitbetalen op de bankrekening van de stichting en om deze opbrengsten vervolgens snel uit te betalen aan de opdrachtgevers. Die contractuele verplichting is geschonden. [naam bedrijf] boekte slechte resultaten en is toen de veilingopbrengsten gaan gebruiken als werkkapitaal. [naam bedrijf] had in plaats daarvan extern kapitaal moeten zoeken (leningen) of de bedrijfsvoering moeten staken. [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5] treft bovendien het verwijt dat zij destijds bestuurders waren van de stichting en zij hadden als zodanig niet mogen meewerken aan een constructie waarbij het geld op de bankrekening van de stichting ter beschikking van [naam bedrijf] werd gesteld. 4.2. Gedaagden hebben betwist onrechtmatig te hebben gehandeld. 4.3. De rechtbank hanteert het volgende toetsingskader. Een bestuurder van een vennootschap pleegt een onrechtmatige daad jegens een derde, indien deze derde de bestuurder een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan maken van het feit dat de vennootschap niet aan zijn verplichtingen jegens die derde voldoet. Dit leidt tot aansprakelijkheid van de directe bestuurder (zoals in dit geval [gedaagde sub 1] ), maar via de band van artikel 2:11 BW ook van de indirecte bestuurders (in dit geval: de overige gedaagden). 4.4. De rechtbank acht gedaagden aansprakelijk als (indirect) bestuurders van [naam bedrijf] . Het gevorderde is dan ook - grotendeels - toewijsbaar. De veilingopbrengsten die hadden moeten toekomen als de eisers, zijn niet uitbetaald als gevolg van een binnen [naam bedrijf] bestaande handelswijze waarbij (delen van) opbrengsten van veilingen werden gebruikt voor de financiering van de eigen bedrijfsvoering van [naam bedrijf] . Dat dit gebeurde, is door de bestuurders op de mondelinge behandeling erkend. Het stond [naam bedrijf] echter niet vrij om dit te doen. [naam bedrijf] had zich tegenover haar opdrachtgevers (ook eisers) contractueel verplicht om de veilingopbrengsten te laten uitbetalen op de bankrekening van de stichting, waarna dat geld (na aftrek van kosten) korte tijd later moest worden uitbetaald aan de opdrachtgevers. Later is deze bankrekening op naam van [naam bedrijf] (met gebruik van de naam [naam bedrijf] ) gesteld, zoals gedaagden onbetwist stellen, maar de handelswijze om veilingopbrengsten die bestemd waren voor opdrachtgevers te gebruiken voor de financiering van de bedrijfsvoering van [naam bedrijf] is toen voortgezet. 4.5. Deze handelswijze is onzorgvuldig jegens de opdrachtgevers, waaronder eisers. Hun geld werd zonder hun wetenschap aangewend in een poging de slechte bedrijfsresultaten van [naam bedrijf] te keren. Het is ook verduistering zoals bedoeld in artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. [naam bedrijf] en de stichting hebben zich als heer en meester over (delen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.