Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2022:5709
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 22/2749 uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 juli 2022 in de zaak tussen [Vennootschap 1] (de holding), verzoekster, (gemachtigden: mr. M. van Tuijl en mr. A. Danopoulos), en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (verweerder) (gemachtigde: mr. K. Janssens).
Inleiding In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van de holding tegen een besluit van verweerder van 6 mei 2022 (bestreden besluit) tot oplegging van een bestuurlijke boete van € 3.480.000 aan de holding wegens vier overtredingen van artikel 2, tiende lid, van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen in verbinding met artikel 19, eerste en derde lid, van Verordening (EG) 178/2002.
Nadat de holding een verzoek heeft gedaan tot uitstel van betaling, heeft verweerder de holding aangeboden om het boetebedrag in maximaal 12 termijnen voldoen. Dat betekent een maandbedrag van (12 maal) € 290.000.
De holding heeft bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de holding en de gemachtigde van verweerder. Voorts is namens de holding verschenen [Naam 2] , bestuurder van [Vennootschap 5] ( [Vennootschap 5] ) en zijn namens verweerder verschenen J. de Stoppelaar, A. Sijbrands, R. van Oost, F. Hoekstra, P. de Oliveira Calixto en D. Vandersmissen, allen werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA).
Wetgeving, voorgeschiedenis en besluitvorming 1. In de bijlage zijn een aantal relevante rechtsregels opgenomen.
Aangezien het analyserapport 679698 gedateerd was op 28 oktober 2016, wisten de ondernemingen toen al dat de MRL voor een aantal pesticides overschreden was. De ondernemingen hebben op dat moment geen melding gedaan bij de NVWA zoals voorgeschreven in artikel 19, derde lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002, maar hebben de melding pas ingediend op 5 februari 2021, na hier nadrukkelijk op te zijn gewezen door de NVWA. De NVWA heeft van Stichting Skal (Skal) op 4 mei 2021 de leveranciersklachtenregistratie van de ondernemingen ontvangen. Dit was een overzicht dat de ondernemingen bewaarden met betrekking tot klachten over leveranciers naar aanleiding van afwijkende partijen die zij hadden verkocht aan de ondernemingen.
In de leveranciersklachtenregistratie was de bedoelde partij geregistreerd op datum 13 mei 2019 en werd vermeld dat deze partij relevant was voor de NVWA. De ondernemingen hebben – zoals vermeld – pas een melding gedaan naar aanleiding van de brief van de NVWA van 4 januari 2021. De conclusie is dat artikel 19, derde lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002, is overtreden.
Ochratoxine A is niet homogeen verdeeld in een partij, vaak gaat het om puntbesmettingen. Hierdoor is de kans om ochratoxine A aan te treffen klein, maar als eenmaal het analyseresultaat boven het maximumgehalte is, blijft een partij afwijkend en daardoor een onveilig levensmiddel zoals bedoeld in artikel 14 van de Verordening (EG) 178/2002. Indien de analyse-uitslag bij een heranalyse conform is, verandert dit hier niets aan. Op basis van het analyseresultaat voor ochratoxine A van 11,2 microgram per kilogram was de conclusie van de afdeling Expertise van de NVWA dat de partij basmatirijst schadelijk was. Aangezien het analyserapport 852653 gedateerd was op 6 juli 2018, wisten de ondernemingen toen al dat het maximumgehalte voor ochratoxine A overschreden was. Er is echter eerst een melding gedaan op 24 januari 2021, nadat de ondernemingen hier nadrukkelijk op zijn gewezen door de NVWA. In de leveranciersklachtenregistratie die de NVWA van Skal heeft ontvangen hebben, is deze partij geregistreerd op 9 juli 2018 en werd vermeld dat deze partij relevant was voor de NVWA. De ondernemingen hebben – zoals vermeld – pas een melding gedaan naar aanleiding van de brief van de NVWA van 4 januari 2021. De conclusie is dat artikel 19, derde lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002, is overtreden.
Hieruit blijkt dat de exploitant van het levensmiddelenbedrijf levensmiddelen uit de Gemeenschap heeft uitgevoerd of wederuitgevoerd om in een derde land in de handel te worden gebracht, die niet voldeden aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, zonder andersluidend verzoek van de autoriteiten van het land van invoer of andersluidende bepalingen in de wetgeving, voorschriften, normen, gedragscodes en eventuele andere wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen (zie artikel 12, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002). Omdat de klant pas op 5 februari 2021 op de hoogte is gebracht met het verzoek om aanwezige voorraad te blokkeren, de klanten te informeren en indien nodig een terughaalactie in gang te zetten, is de conclusie (voorts) dat artikel 19, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002 is overtreden.
Verweerder meent dat sprake is van vier overtredingen in concernverband. Daarbij zijn de gedragingen binnen de overige ondernemingen mede toegerekend aan de holding. Voorts meent verweerder dat sprake is van opzettelijke overtredingen. Bij de vaststelling van de boetebedragen is uitgegaan van de omzet die de ondernemingen tezamen in 2019 hebben gehad. Gelet op de hoogte van die omzet zijn de boetebedragen begrensd tot het bedrag van een geldboete van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (artikelen 32a en 32b van de Warenwet in verbinding met artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 3, derde lid, van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten en de daarbij behorende bijlage).
Het maximum van die zesde categorie bedroeg ten tijde van geding € 870.000. Verweerder heeft de totale boete gerelateerd aan viermaal dit maximumbedrag. Hoewel verweerder de ondernemingen gezamenlijk als overtreder heeft aangemerkt, blijkt uit het dictum (op bladzijde 2 van het bestreden besluit) dat hij de omzetgerelateerde boete van € 3.480.000 uitsluitend heeft opgelegd aan de holding.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 10. De voorzieningenrechter gaat er van uit dat de holding een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft bij haar verzoek. Verweerder heeft de verplichting tot voldoening niet opgeschort, maar aan de holding voorgesteld dat zij het boetebedrag in twaalf maanden voldoet. De ondernemingen zullen dan maandelijks € 290.000 moeten voldoen. Omdat de beslissing op bezwaar, na advisering door de bezwaaradviescommissie, naar verwachting nog wel enige maanden op zich laat wachten, zou dat betekenen dat holding totdat die beslissing is genomen een bedrag van rond de 1 miljoen euro zou moeten betalen. De holding stelt dat deze betalingsverplichting onomkeerbare gevolgen voor de uitoefening van haar onderneming zal hebben.
In dit verband heeft zij gewezen op de intrekking van het certificaat van twee van de dochterondernemingen door Skal. De rechtsmiddelen die zij daartegen heeft aangewend hebben haar nog niet gebaat en op een verzoek om afgifte van een nieuw certificaat is nog niet beslist door Skal. Verweerder erkent dat de decertificering aanzienlijke gevolgen heeft voor de omzet van de holding. Daar komt bij dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden er weliswaar niet aan in de weg staat dat in overeenstemming met artikel 6:16 van de Awb een bestuurlijke boete door het bestuursorgaan wordt ingevorderd voordat hierover onherroepelijk is geoordeeld, maar dient er wel een tijdige voorziening in rechte open te staan (arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak 34619/97 (Janosevic)).
Dit houdt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts in dat de holding een voorlopige voorziening moet kunnen vragen die ertoe strekt dat haar substantiële betalingsverplichtingen worden opgeschort in afwachting van een beslissing op bezwaar. In het kader van de te verrichten belangenafweging zal de voorzieningenrechter nagaan of niet voorshands moet worden betwijfeld dat het bestreden besluit rechtmatig is.
Aansprakelijkheid van de holding 11. Hoewel systematisch de beoordeling van de gronden die ertoe strekken dat er geen overtredingen zijn gepleegd vooraf gaat aan de vraag aan wie de overtredingen kunnen worden toegerekend (zie ook de volgorde van de leden van artikel 5:1 van de Awb), zal de voorzieningenrechter aansluiten bij de omgekeerde volgorde in het partijendebat, omdat de vraag naar het functioneel daderschap van de holding partijen het meest verdeeld houdt en ook het meest verstrekkend is. Indien de holding ten onrechte als overtreder is aangemerkt, is dat immers reeds reden voor schorsing van het besteden besluit.
12.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de holding overheersende zeggenschap kan uitoefenen op haar dochterondernemingen of de centrale leiding voert en om deze reden als exploitant van een levensmiddelenbedrijf is aan te merken en derhalve als overtreder. Verweerder heeft in dit verband gewezen op een mededingingsuitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 19 maart 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:120) en op uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:90 en ECLI:NL:RVS:2016:3265). Volgens verweerder is relevant dat de meeste ondernemingen op hetzelfde adres zijn gevestigd en dezelfde bestuurder hebben. Voorts is in de beschikking van de meervoudige economische raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant van 12 januari 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:86) overwogen dat in het geval van de holding en de dochterondernemingen het beeld naar voren komt van een sterke verwevenheid van de verschillende rechtspersonen, waarbij holding telkens de enig aandeelhouder en bestuurder is van de dochterondernemingen, terwijl [Naam 1] op zijn beurt enig aandeelhouder en bestuurder van holding is.
Verweerder heeft er in zijn verweerschrift verder op gewezen dat sprake is van een geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen en dat in de geconsolideerde jaarrekening van 2019 is te lezen dat daarin de financiële gegevens zijn verwerkt van de tot de groep behorende maatschappijen en andere rechtspersonen waarop een overheersende zeggenschap kan worden uitgeoefend of waarover de centrale leiding wordt gevoerd.
12.2.
Holding heeft weersproken dat sprake is van vereenzelviging van de ondernemingen. Zij heeft aangevoerd dat 100%-aandeelhouderschap buiten het mededingingsrecht onvoldoende is om uit te gaan van beslissende invloed. Vereenzelviging vormt namelijk een uitzondering op de regel van artikel 2:175 van het Burgerlijk Wetboek dat een aandeelhouder niet persoonlijk aansprakelijk gehouden kan worden voor wat in naam van de vennootschap wordt verricht. Voorts heeft holding gesteld dat uit geen van de stukken blijkt dat [Naam 1] enige bemoeienis heeft gehad met de feitelijke gang van zaken.
12.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
12.4.
Gelet op artikel 5:1, tweede en derde lid, van de Awb in verbinding met en artikel 51, tweede lid, van het Wetboek van strafrecht (Sr) zijn er drie ingangen om de holding verantwoordelijk te kunnen houden voor de gestelde overtredingen. De holding is pleger, medepleger of heeft feitelijk leiding gegeven aan de overtreding. Naast feitelijk leidinggeven zou gelet op artikel 51, tweede lid, Sr ook sprake kunnen zijn van opdrachtgeven, maar die figuur voegt weinig toe aan het ruimere begrip van feitelijk leidinggeven. Holding heeft er terecht op gewezen dat niet kan worden aangesloten bij het begrip onderneming als normadressaat in artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, omdat dat niet de normadressaat is van hier volgens verweerder geschonden normen en bovendien afwijkt van artikel 5:1 en artikel 51 Sr.
De door verweerder genoemde uitspraken van de Afdeling missen relevantie voor deze zaak; de uitspraak van de raadkamer van de rechtbank Oost-Brabant geeft alleen een beeld weer van de verwevenheid binnen de groep maar geeft daar geen oordeel over. Voor vereenzelviging van de dochter en moedervennootschap in die zin dat wordt uitgegaan van één bedrijf ziet de voorzieningenrechter ook anderszins geen aanleiding, omdat misbruik van identiteitsverschil niet door verweerder is gesteld (vgl. ECLI:NL:HR:2000:AA7480). Dat sprake is van medeplegen in de zin van bewuste en nauwe samenwerking (vgl. ECLI:NL:HR:2014:3474) is evenmin door verweerder gesteld, zodat de holding slechts als pleger zou kunnen worden aangemerkt of als feitelijkleidinggever verantwoordelijk gehouden zou kunnen worden.
12.5.
Om de holding als pleger aan te kunnen merken moeten de gedragingen van de betrokken ondernemingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de holding. Volgens het zogenoemde Drijfmestcriterium (ECLI:NL:HR:2003:AF7938 en ECLI:NL:HR:2016:733) kan van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: (a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon; (b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon; (c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening; (d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Hoewel de voorzieningenrechter wil aannemen dat een of meer van deze omstandigheden zich zal hebben voorgedaan bij [Vennootschap 6] en mogelijk ook bij de betrokken ondernemingen [Vennootschap 5] en [vennootschap 2] , die ook hetzelfde personeel hadden, is niet duidelijk of de holding ook enige rol heeft gespeeld bij de verweten gedragingen of dat zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de holding werd aanvaard of placht te worden aanvaard.
Dat de holding de daaraan gekoppelde zorgplicht niet is nagekomen, heeft verweerder gesteld noch gemotiveerd.
12.6.
Ten aanzien van feitelijk leidinggeven is de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende om hem aan te merken als feitelijk leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit, terwijl ook een rechtspersoon feitelijk kan leidinggeven (ECLI:NL:HR:2016:733). Overigens is de holding geen bestuurder van [Vennootschap 5] . Feitelijk leidinggeven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijk leidinggeven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid.
Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijk leidinggeven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat; dit is het zogenoemde Slavenburgcriterium (ECLI:NL:HR:1986:AC9607). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er onvoldoende feiten en omstandigheden door verweerder aangevoerd om de holding aansprakelijk te houden voor het feitelijk leidinggeven aan de gedragingen door de genoemde ondernemingen.
Nergens uit blijkt dat [Naam 1] (in zijn hoedanigheid van bestuurder van de holding) zelf de overtredingen heeft begaan of dat de holding een beleid voerde waarvan de gestelde overtredingen het rechtstreeks gevolg waren. Evenmin is gebleken dat [Naam 1] uiteindelijk zelf op de hoogte was van de verweten gedragingen en hem daarom het persoonlijk verwijt treft dat hij heeft nagelaten daartegen op te treden. De holding heeft in dat verband aangevoerd dat [Naam 1] sinds enige jaren niet meer betrokken is bij de dagelijkse gang van zaken binnen de ondernemingen en alleen nog formeel bestuurder is. Verweerder heeft dat niet betwist.
12.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter er vooralsnog niet van overtuigd dat de holding kan worden aangemerkt als exploitant van een levensmiddelenbedrijf als bedoeld in artikel 3, punt 3, van Verordening (EG) nr. 178/2002 of anderszins verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gedragingen waarvan verweerder haar een verwijt maakt.
De overtredingen 13. De voorzieningenrechter voegt hier ten overvloede aan toe dat hij ten aanzien van de partij karwijzaad er niet van overtuigd is dat sprake is van een overtreding van artikel 19, eerste en derde lid, van Verordening (EG) nr. 178/2002. De vraag is namelijk of sprake is van het (in de Unie) in de handel brengen van deze partij nu die eerst is vastgehouden in verband met het testen en vervolgens is uitgevoerd naar India. Daarbij is artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002 niet nageleefd, maar verweerder heeft die overtreding niet aan holding tegengeworpen. Het standpunt van verweerder ter zitting dat van uitvoer pas sprake kan zijn indien artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002 is nageleefd, volgt de voorzieningenrechter niet. Naleving van die bepaling is wel een voorwaarde om tot uitvoer over te mogen gaan, maar niet-naleving betekent niet dat de partij feitelijk niet is uitgevoerd en zou moeten worden geacht in de handel te zijn gebracht. Indien het standpunt van verweerder juist zou zijn zou er bovendien nimmer sprake kunnen zijn van een overtreding van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 178/2002. Ook daarom volgt de voorzieningenrechter dat standpunt niet.
Slot 14. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het bestreden besluit te schorsen tot zes weken nadat verweerder op het bezwaar heeft beslist.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2022.
De griffier is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage Algemene wet bestuursrecht Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.
Artikel 5:1 1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
Artikel 5:8 Indien twee of meer voorschriften zijn overtreden, kan voor de overtreding van elk afzonderlijk voorschrift een bestuurlijke sanctie worden opgelegd.
Artikel 5:44 1. Het bestuursorgaan legt geen bestuurlijke boete op indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel een strafbeschikking is uitgevaardigd. (…) Artikel 5:46 (…) 2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. (…) Boek 2 Burgerlijk Wetboek Artikel 175 1. Deze titel is van toepassing op de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid is een rechtspersoon met een in een of meer overdraagbare aandelen verdeeld kapitaal. De aandelen zijn op naam gesteld. Een aandeelhouder is niet persoonlijk aansprakelijk voor hetgeen in naam van de vennootschap wordt verricht en is niet gehouden boven het bedrag dat op zijn aandelen behoort te worden gestort in de verliezen van de vennootschap bij te dragen, onverminderd het bepaalde in artikel 192. Ten minste één aandeel met stemrecht in de algemene vergadering wordt gehouden door een ander dan en anders dan voor rekening van de vennootschap of een van haar dochtermaatschappijen.
Wetboek van Strafrecht Artikel 23 (…) 3. De geldboete die voor een strafbaar feit ten hoogste kan worden opgelegd, is gelijk aan het bedrag van de categorie die voor dat feit is bepaald.
1°. tegen die rechtspersoon, dan wel 2°. tegen hen die tot het feit opdracht hebben gegeven, alsmede tegen hen die feitelijke leiding hebben gegeven aan de verboden gedraging, dan wel 3°. tegen de onder 1° en 2° genoemden te zamen. (…) Verordening (EG) 178/2002 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden.
Artikel 3 Overige definities In deze verordening wordt verstaan onder: (…) 2. “ levensmiddelenbedrijf”: onderneming, zowel publiek- als privaatrechtelijk, die al dan niet met winstoogmerk actief is in enig stadium van de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen;
Artikel 17 Verantwoordelijkheden 1. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven zorgen ervoor dat de levensmiddelen en diervoeders in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid en controleren of deze voorschriften metterdaad worden nageleefd.
Daartoe onderhouden zij een systeem van officiële controles en andere op de situatie afgestemde activiteiten, met inbegrip van de communicatie met het publiek over de veiligheid en de risico's van levensmiddelen en diervoeders, bewaking van de veiligheid van levensmiddelen en diervoeders alsmede andere controleactiviteiten betreffende alle stadia van de productie, verwerking en distributie.
Voorts stellen de lidstaten de regels vast inzake maatregelen en sancties in geval van overtredingen van de wetgeving inzake levensmiddelen en diervoeder. De maatregelen en sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
Artikel 18 Traceerbaarheid (…) 2. De exploitanten van levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven moeten kunnen nagaan wie hun levensmiddelen, diervoeders, voedselproducerende dieren of andere stoffen die bestemd zijn om in levensmiddelen of diervoeders te worden verwerkt of waarvan kan worden verwacht dat zij daarin worden verwerkt, heeft geleverd.
Hiertoe moeten deze exploitanten beschikken over systemen en procedures met behulp waarvan deze informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteiten kan worden verstrekt. (…) Artikel 19 Verantwoordelijkheden voor levensmiddelen: exploitanten van levensmiddelenbedrijven 1. Indien een exploitant van een levensmiddelenbedrijf van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een levensmiddel dat hij ingevoerd, geproduceerd, verwerkt, vervaardigd of gedistribueerd heeft niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldoet, leidt hij onmiddellijk de procedures in om het betrokken levensmiddel uit de handel te nemen wanneer dit de directe controle van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf heeft verlaten, en de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis te stellen. Indien het product de consument bereikt kan hebben, stelt de exploitant de consumenten op doeltreffende en nauwkeurige wijze in kennis van de redenen voor het uit de handel nemen en roept zo nodig, wanneer andere maatregelen niet volstaan om een hoog niveau van gezondheidsbescherming te verwezenlijken, de reeds aan consumenten geleverde producten terug. (…) 3. Een exploitant van een levensmiddelenbedrijf stelt de bevoegde autoriteiten onverwijld in kennis als hij van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een door hem in de handel gebracht levensmiddel schadelijk voor de menselijke gezondheid kan zijn. Hij stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van de maatregelen die hij heeft genomen om risico’s voor de eindgebruiker te voorkomen en verhindert of ontmoedigt niemand om overeenkomstig de nationale wetgeving en de juridische praktijk, met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien hierdoor een risico in verband met een levensmiddel kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen.
Verordening (EG) nr. 396/2005 Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad Artikel 3 Definities 1. Voor de toepassing van deze verordening gelden de bij Verordening (EG) nr. 178/2002 vastgestelde definities en de definities in artikel 2, punten 1 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG.
Verordening (EG) nr. 1881/2006 Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen Artikel 1 Algemene bepalingen 1. De in de bijlage opgenomen levensmiddelen worden niet in de handel gebracht indien hun gehalte aan verontreinigingen het in de bijlage vastgestelde maximumgehalte overschrijdt.
Bijlage Maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (…) (…) (…) Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen In artikel 2, tiende lid, van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen is onder meer bepaald dat het verboden is ten aanzien van eet- en drinkwaren te handelen in strijd met artikel 19 van verordening (EG) 178/2002.
Warenwet en Warenwetbesluit bestuurlijke boeten Uit de artikelen 32a en 32b van de Warenwet in verbinding met artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 3, derde lid, van het Warenwetbesluit bestuurlijke boeten en de daarbij behorende bijlage volgt dat overtreding van artikel 2, tiende lid, van het Warenwetbesluit bereiding en behandeling van levensmiddelen kan worden beboet met een omzetgerelateerde boete van één procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan de overtreding met een maximum gelijk aan het bedrag van een geldboete van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht indien de in de overtreding genoemde gedraging opzettelijk is verricht dan wel een half procent indien de in de overtreding genoemde gedraging met grove schuld is verricht, waarbij voorts geldt dat een omzetgerelateerde boete alleen kan worden opgelegd aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon met een omzet van ten minste tien miljoen euro in het boekjaar voorafgaande aan de overtreding.