Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 20/6703 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2022 in de zaak tussen [eiseres] , te [plaats] , eiseres, gemachtigde: mr. M.J.J.E. Stassen, en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. ing. H.D. Strookman, en Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid). Procesverloop Bij besluit van 5 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 7.500,- voor een overtreding van de Wet dieren. Bij besluit van 10 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard en de boete verlaagd naar € 5.000,-. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door [naam] , [naam] en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] , toezichthouder bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Overwegingen 1. Verweerder heeft zijn boetebesluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 20 juli 2018 is opgemaakt door een toezichthouder van de NVWA. In dat rapport schrijft de toezichthouder onder meer het volgende: “Datum en tijdstip van de bevinding: 20 juli 2018 omstreeks 08:00 uur. In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [Chef schone slachthal] , functie: Chef schone slachthal Net na de reguliere 2% inspectie bevond ik mij nog op het KDS-bordes net voor de opknapper. Ik zag daar dat er een varkenskarkas aankwam met fecale bezoedeling. De fecale bezoedeling zat aan de buitenkant van het karkas vanaf de schouderbladen doorlopend naar de nek en de kop met oren (zie bijlage tekening). Er werd door de opknapper en chef slachthal geen zak om het karkas gehangen om kruisbesmetting te voorkomen (er waren namelijk geen zakken aanwezig op het opknapbordes). Er werd enkel een rood lint om het karkas gedaan, hetgeen voor de werknemers in de lijn betekent dat ze geheel van het karkas moeten afblijven. Hiermee werd verontreiniging van het vlees niet voorkomen en hierdoor trad er tot 5x toe op verschillende plaatsen in de lijn kruisbesmetting op. [Chef schone slachthal] vroeg of de reusels (buikvet) wel verwijderd mochten worden, wat ik toestond, echter daartoe trok hij het rode lint eerst stuk. Daarop reageerde degene die de koppen lossnijdt meteen door zich om te draaien om alsnog de kop los te willen snijden en greep hierdoor vol in het vieze fecaal bezoedelde oor. [Chef schone slachthal] knoopte het rode lint weer terug echter nu om een voorpoot, hetgeen voor de werknemers in de lijn betekent dat ze alleen van deze voorpoot moeten afblijven. Vervolgens liep iemand anders tussen de rij hangende varkens door richting weegschaal en raakte daardoor met zijn jas het betreffende varken aan op de fecaal bezoedelde plek. Dan gaat het vervolgens weer mis bij de weegschaal, waar een dame die ingewerkt wordt, het oornummer eruit knipt (en dus haar handen vuil maakt aan het fecaal bezoedelde oor en oornummer). Vervolgens pakt de andere dame die de medewerkster inwerkt het oornummer, omdat het karkas uitgerailed moet worden naar de opknapruimte, en heeft zij ook dus vieze handen. De opknapper van de BO-cel verwijdert al tijdens het uitrailen van het in beweging zijnde karkas al in de deuropening het bezoedelde lint nog vóór dat hij gekeken en gezien heeft waar de fecale bezoedeling zit. Ik zag dat het karkas zichtbaar was verontreinigd. Zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect. Hieruit bleek mij dat werd gehandeld in strijd met het bepaalde in bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV onder punt 7 en 10 van Verordening (EG) nr. 853/2004 juncto artikel 3 lid 1 van deze verordening, hetgeen een overtreding is van het bepaalde in artikel 2.4 lid 1 onder d van de Regeling dierlijke producten juncto artikel 6.2 lid 1 van de Wet dieren. […] Ik bracht de [Chef schone slachthal] , als chef schone slachthal van [eiseres] , meteen van mijn bevindingen op de hoogte, en zegde ter zake later om 11.00 uur een rapport van bevindingen aan aan [naam] , kwaliteitsmanager [eiseres] . en [naam] , bedrijfsleider [eiseres]” 2. Eiseres voert aan dat de beschrijving in het rapport onsamenhangend is; niet duidelijk is wie wat zou hebben bezoedeld, om hoeveel karkassen het ging en foto’s of verklaringen van medewerkers ontbreken. Deze informatie is wel van belang omdat volgens het beleid van de NVWA eiseres tot op het laatste moment van het slachtproces de gelegenheid heeft om bezoedelingen weg te snijden. Daarbij wijst eiseres ook op de uitspraak ECLI:NL:CBB:2017:426 van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb). De toezichthouder heeft vóór de opknappositie gezien dat het karkas verontreinigd was en eiseres had daarna nog de gelegenheid om de bezoedeling weg te snijden, wat ook is gebeurd. Het karkas werd uitgeraild naar de opknappositie; er was dus sprake van het onmiddellijk wegsnijden van de bezoedeling. Door al voor de opknappositie te gaan controleren heeft de NVWA in strijd met het eigen beleid gehandeld. Daarnaast voert eiseres aan dat een proces-verbaal van het contact tussen de toezichthouder en de medewerkers van eiseres ontbreekt. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat medewerkers [naam] , [naam] en [naam] door de toezichthouder zijn aangesproken maar wat er is gezegd, is niet duidelijk. Ook voert eiseres aan dat de boete onevenredig is en ten onrechte is verhoogd vanwege recidive. De eerdere boete was namelijk opgelegd aan een andere entiteit en bovendien kan verweerder niet steeds hetzelfde boetebesluit gebruiken om daaropvolgende boetes te verhogen. Daarnaast is er geen enkel gevaar voor de volksgezondheid. Bovendien moet de boete worden verlaagd omdat verweerder zich niet heeft gehouden aan de termijn van artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten slotte doet eiseres een beroep op de redelijke termijn. 2.1. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb), onder meer herhaald in ECLI:NL:CBB:2022:168, mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een rapport van bevindingen, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder van de NVWA kan daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij zal doorgaans van belang zijn de wijze waarop de bedoelde waarnemingen in het rapport zijn weergegeven en onderbouwd, alsmede de aard van de waarneming en daarbij in het bijzonder in welke mate die waarneming waarderende elementen kent. De rechtbank vindt vastlegging in een ambtsedig proces-verbaal niet nodig. Als een rapport van bevindingen niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt komt aan de daarin vermelde feiten en omstandigheden weliswaar minder bewijskracht toe dan wanneer deze zouden zijn opgenomen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, maar dat betekent niet dat verweerder zijn besluit niet (uitsluitend) op dat rapport mag baseren. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak ECLI:NL:CBB:2021:1030 waarin het CBb bij zijn oordeel betrekt dat het rapport is opgesteld door een opgeleide toezichthouder, van wie niet is gebleken dat deze een belang heeft bij het onjuist vermelden van hetgeen hij heeft waargenomen. Daarvan is de rechtbank in dit geval ook niet gebleken. 2.2. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het rapport van bevindingen. In het rapport schrijft de toezichthouder op welke plek in het slachtproces hij zich bevond en wat hij vervolgens heeft waargenomen ten aanzien van een bezoedeld varkenskarkas. Uit het rapport blijkt duidelijk dat het steeds om hetzelfde varkenskarkas gaat en de toezichthouder beschrijft duidelijk de handelingen van medewerkers ten aanzien van dit karkas die hij achtereenvolgens heeft waargenomen. Nu de beschrijvingen voldoende duidelijk zijn vindt de rechtbank een verdere onderbouwing van het rapport met foto’s of verklaringen niet nodig. Verder staat in het rapport beschreven dat de toezichthouder de chef schone slachthal, de kwaliteitsmanager en de bedrijfsleider van eiseres van de bevindingen op de hoogte heeft gebracht en een rapport heeft aangezegd. Een letterlijke weergave van wat daarbij is gezegd vindt de rechtbank niet nodig. Daarnaast blijkt uit het rapport niet dat deze of andere medewerkers van eiseres een verklaring hebben afgelegd tegenover de toezichthouder. Eiseres heeft in dit verband ook enkel gesteld dat de reactie van medewerkers niet zijn vastgelegd. Zij heeft niet concreet gemaakt of en wat er dan door een medewerker van eiseres zou zijn verklaard en wat dus volgens haar in het rapport zou ontbreken. Niet is gebleken dat een verhoor heeft plaatsgevonden, laat staan dat afgelegde verklaringen zijn vastgelegd waarop de vermeende overtreding is gebaseerd. 2.3. Op grond van de bevindingen in het rapport heeft verweerder de boete aan eiseres opgelegd. In het voornemen en het boetebesluit staat als grondslag van de boete vermeld: “Beboetbaar feit 1: Karkassen waren zichtbaar verontreinigd. Deze zichtbare verontreinigingen werden niet onmiddellijk verwijderd door bijsnijden of door een andere behandeling met een gelijkwaardig effect.” In het voornemen en het boetebesluit staat dat dit een overtreding is van: artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 2.4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Regeling dierlijke producten, en gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, en Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, punt 7 en 10, van Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (Verordening 853/2004). 2.4. In punt 7 en 10 van Bijlage III, sectie I, hoofdstuk IV, van Verordening 853/2004 (hierna: punt 7, punt 10) staat het volgende: 7. Het bedwelmen, het verbloeden, het villen of plukken, het verwijderen van de ingewanden en andere vormen van uitslachten moeten zo spoedig mogelijk plaatsvinden en op zodanige wijze dat verontreiniging van het vlees wordt voorkomen. In het bijzonder geldt het volgende:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.