← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:5862

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 9712216 CV EXPL 22-6087 datum uitspraak: 1 juli 2022 (bij vervroeging) Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats eiser], eiser, gemachtigde: [naam], tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: [vestigingdplaats gedaagde], gedaagde, zonder gemachtigde. De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

  1. De procedure 1.
  2. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 16 februari 2022, met bijlagen; het mondelinge antwoord; het schriftelijke verweer, met bijlagen; de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald; de spreekaantekeningen van [eiser]. 1.
  3. Op 8 juni 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met [eiser] en zijn gemachtigde besproken. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is [gedaagde] niet ter zitting verschenen.
  4. De feiten 2.
  5. [eiser] is een aannemer, die handelt onder de naam [handelsnaam]. In deze hoedanigheid heeft hij werkzaamheden verricht voor diverse opdrachtgevers, waaronder voor [gedaagde]. 2.
  6. Voor werkzaamheden die [eiser] in 2021 heeft verricht voor [gedaagde] heeft [eiser] vijf facturen gezonden aan [gedaagde], voor een bedrag van € 6.690,-. Het betrof de volgende factuurnummers: 2021/0016, 2021/0019, 2021/0022, 2021/0023 en 2021/
  7. Deze facturen zijn niet (volledig) voldaan door [gedaagde].
  8. Het geschil 3.
  9. [eiser] eist samengevat: [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 7.745,07 met rente; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 6.690,-, rente van € 345,57 (berekend tot en met 16 februari 2022) en buitengerechtelijke kosten van € 709,
  10. 3.
  11. [eiser] baseert de eis op het volgende. [eiser] heeft werkzaamheden voor [gedaagde] verricht, maar [gedaagde] is – ondanks meerdere aanmaningen en sommaties – in gebreke gebleven met voldoening van de facturen. [gedaagde] verkeert dan ook in verzuim en is hierdoor tevens vergoeding van rente en buitengerechtelijke kosten aan [eiser] verschuldigd. 3.
  12. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Haar verweer wordt onder de beoordeling besproken.
  13. De beoordeling 4.
  14. Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] nog een vergoeding verschuldigd is voor het werk dat [eiser] heeft geleverd aan [gedaagde]. [gedaagde] betwist het door [eiser] gestelde en voert in dit kader aan dat [eiser] minder uren voor [gedaagde] heeft gewerkt dan hij stelt. Volgens [gedaagde]’s administratie heeft [eiser] 80 uur gewerkt, wat neer komt op een bedrag van € 2.400,- (à € 30,- per uur). Van dit bedrag heeft [gedaagde] reeds € 2.130,- betaald. [eiser] stelt dat dit niet juist is en motiveert dat hij in de periode van week 16 tot en met week 28, 223 uur heeft gewerkt, verdeeld over vier projecten. Omdat [gedaagde] de specificatie van [eiser] – die ter zitting is gegeven en toegelicht – niet heeft betwist, is hiermee vast komen te staan dat [eiser] 223 uur voor [gedaagde] heeft gewerkt. Deze stelling heeft [gedaagde] immers onvoldoende (gemotiveerd) betwist. Tussen partijen is verder niet in geschil dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht voor een bedrag van € 30,- per uur. Gelet op deze vergoeding, is [gedaagde] aan [eiser] in beginsel een bedrag van € 6.690,- (€ 30,- maal 223 uur) verschuldigd. 4.
  15. Ten aanzien van het verschuldigde bedrag, stelt [gedaagde] dat hij reeds een bedrag van € 2.130,- heeft betaald. [gedaagde] onderbouwt deze stelling door bankafschriften te overleggen van betalingen aan [eiser]. [eiser] betwist echter dat deze betalingen betrekking hebben op de door hem gefactureerde bedragen/vergoeding van werkzaamheden. De kantonrechter volgt [eiser] hierin op grond van het navolgende. De door [gedaagde] ingebrachte bankafschriften hebben de volgende omschrijvingen: “2021/0012, 2021/0013, 2021/0014, 2021/0015 en 2021/0020”. Deze omschrijvingen komen overeen met het type factuurnummer dat [eiser] gebruikt, maar de nummers komen níet overeen met de factuurnummers waarvan [eiser] betaling vordert. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om nader te onderbouwen waarom deze betalingen desalniettemin zien op de werkzaamheden waarvan [eiser] in dit geschil betaling vordert. Nu [gedaagde] dit niet heeft gedaan, zal het verweer als voldoende gemotiveerd betwist worden verworpen. 4.
  16. Gelet op het bovenstaande zal de vordering van [eiser] worden toegewezen en zal [gedaagde] veroordeeld worden tot het betalen van een bedrag van € 6.690,- aan [eiser]. buitengerechtelijke incassokosten en rente 4.
  17. Tussen partijen is nog in geschil of [eiser] de e-mails van [gedaagde] heeft ontvangen, die [gedaagde] in reactie op [eiser]’s aanmaningen heeft gestuurd. In het kader van deze procedure kan dit echter in het midden blijven. Omdat vast staat dat [eiser] [gedaagde] heeft aangemaand, staat namelijk vast dat [eiser] ten minste één buitengerechtelijke incassohandeling heeft verricht. [eiser] heeft daarmee aan de voorwaarden voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. De rente wordt toegewezen, omdat uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] deze stellingen niet heeft betwist, met dien verstande dat [gedaagde] de wettelijke rente heeft gevorderd overeenkomstig artikel 6:119 BW. proceskosten 4.
  18. [gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser] tot vandaag vast op € 125,03 aan dagvaardingskosten, € 224,- aan griffierecht en € 622,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 311,- tarief). Dit is totaal € 971,
  19. uitvoerbaarheid bij voorraad 4.
  20. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
  21. De beslissing De kantonrechter: 5.
  22. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 7.745,07 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag aan hoofdsom dat heeft uitgestaan vanaf de vervaldag van de facturen tot en met vandaag; 5.
  23. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] tot vandaag vastgesteld op € 971,03; 5.
  24. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  25. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken. 44236

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.