Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/996573-20 Datum uitspraak: 5 juli 2022 Tegenspraak (artikel 279 Sv) Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , gemachtigd raadsvrouw mr. H. Oldenhof, advocaat te ’s-Gravenhage. 1.Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2022, dat is gesloten op de terechtzitting van 5 juli 2022. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officieren van justitie mrs. F.B.W. Groendijk en L.H.H. Roebroek (hierna verder te noemen: de officier van justitie) hebben gevorderd: - bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde plegen van gewoontewitwassen in de vorm van het voorhanden hebben, omzetten en gebruiken van het ten laste gelegde geldbedrag; - veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 3 maanden hechtenis. 4.Waardering van het bewijs Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat er geen feiten of omstandigheden kunnen worden vastgesteld op grond waarvan een redelijk vermoeden van witwassen kan worden vastgesteld. Mocht geoordeeld worden dat daarvan wel sprake zou zijn, dan geldt dat de gedane stortingen van contant geld zijn te verklaren. De verdediging heeft gesteld dat de echtgenoot van de verdachte, [naam medeverdachte 1] , met grote regelmaat een casino bezocht en daar iedere keer behoorlijke bedragen besteedde. In het geval dat zijn saldo daarvoor niet toereikend was, leende hij – onder de mededeling dat hij geld nodig had om salarissen van zijn medewerkers te voldoen – daarvoor geld van de verdachte door geld van haar rekening over te schrijven naar zijn eigen rekening. Kort daarna kreeg de verdachte het geld in contanten terug, welke contante bedragen dan weer werden afgestort op rekening van verdachte. De stortingen van contante geldbedragen waren dus niet van misdrijf afkomstig en dat betekent dat de verdachte van het ten laste gelegde witwassen dient te worden vrijgesproken. Standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van een vermoeden van witwassen, omdat in de ten laste gelegde periode een contant geldbedrag van totaal € 51.100 op de rekening op naam van de verdachte is afgestort, zonder dat daarvoor een aantoonbare legale grondslag aanwezig is. In de onderzoeksperiode zijn geen salarisinkomsten te zien op haar rekening. De verdachte heeft in het geheel geen verklaring afgelegd en nader onderzoek heeft daarom niet plaatsgevonden. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat van die rekening door een ander dan de verdachte gebruikt is gemaakt. Hetgeen daarover door de verdediging eerst ter zitting naar voren is gebracht kan niet als een door de verdachte afgelegde verklaring worden aangemerkt. Het witwasvermoeden is niet weggenomen. Beoordeling Bij de beoordeling van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, dient naar vaste rechtspraak als uitgangspunt te worden genomen dat, indien het onderzoek geen bewijs heeft opgeleverd dat de ten laste gelegde geldbedragen van een bepaald misdrijf afkomstig zijn, toch bewezen kan worden verklaard dat deze voorwerpen ‘uit enig misdrijf’ afkomstig zijn, als op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden geconcludeerd moet worden dat die voorwerpen geen legale herkomst kunnen hebben. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van de aangetroffen voorwerpen, in dit geval geldbedragen. Deze verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verdachte met zo’n verklaring komt, dan ligt het vervolgens op de weg van het openbaar ministerie om naar aanleiding daarvan nader onderzoek te doen. Bij het ontbreken van een dergelijke verklaring zal over het algemeen geen andere conclusie kunnen worden getrokken dan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek in deze zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd dat de ten laste gelegde bedragen van een bepaald misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat eerst moet worden vastgesteld of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden zodanig zijn dat er zonder meer van een vermoeden van witwassen sprake is. In dat verband wordt het volgende overwogen. De feiten en omstandigheden die een vermoeden van witwassen dragen Naar aanleiding van anonieme meldingen aangaande mensenhandel heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in het kantoorpand van het bedrijf [naam bedrijf] , een bedrijf waarvan de verdachte enig aandeelhouder is en haar echtgenoot [naam medeverdachte 1] tevens medeverdachte, bestuurder. Uit verder onderzoek volgt dat in de periode 2016 tot en met begin juli 2019 voor een totaalbedrag aan € 30.000 aan contante opnames zijn gedaan van de rekening van [naam bedrijf] Bij [naam vennootschap 1] , een andere vennootschap waarvan de echtgenoot van de verdachte tot 3 november 2017 bestuurder en enig aandeelhouder is geweest, is in totaal voor een bedrag van € 678.860 aan contante geldbedragen opgenomen. Bij [naam vennootschap 2] , een vennootschap waarvan de zwager van de verdachte, [naam medeverdachte 2] tevens medeverdachte, bestuurder en enig aandeelhouder was, is voor een totaalbedrag van € 430.890 contant opgenomen. Daarnaast heeft een analyse plaatsgevonden naar de persoonlijke rekening van de verdachte en van haar medeverdachten, waaronder ook haar dochter [naam medeverdachte 3] . Uit die analyse is onder meer informatie verkregen over de geldstromen op de rekening op naam van de verdachte. Op deze rekening zijn in de jaren 2016 tot het begin van 2019 met regelmaat geldbedragen gestort. In totaal is in die periode een bedrag van € 51.100 contant gestort. Gebleken is dat de verdachte geen inkomen heeft genoten over die periode. Een verband met de hierboven genoemde opnames van [naam bedrijf] , [naam vennootschap 2] en [naam vennootschap 1] is niet gebleken. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien een vermoeden van witwassen rechtvaardigt. De herkomst van de gestorte bedragen is niet bekend en zij staan niet in verhouding tot de inkomsten van de verdachte, die immers in het geheel niet over een inkomen beschikt. Daar komt bij dat het voorhanden hebben van relatief grote contante geldbedragen ongebruikelijk is vanwege de veiligheidsrisico’s die daarmee gepaard gaan, reden waarom dit als een zogenoemde witwastypologie gezien wordt. Hetzelfde geldt voor het omzetten van contante geldbedragen. Dit wordt vaak gedaan om de herleidbaarheid van geldbedragen te voorkomen. Dat betekent dat van de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van het geld mag worden verwacht. Een verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld is evenwel uitgebleven. Zij heeft consequent gebruik gemaakt van haar zwijgrecht en zij was niet aanwezig tijdens de inhoudelijke behandeling van haar strafzaak. Hetgeen de verdediging ter zitting heeft aangevoerd over de herkomst van het geld, inhoudende dat een ander dan de verdachte – te weten haar echtgenoot – van haar rekening gebruik heeft gemaakt door daarvan geld over te schrijven naar zijn eigen rekening voor casinobezoek en dat geld vervolgens weer contant aan haar terug te geven, kan in dezen geen soelaas bieden. In het vonnis dat heden in de zaak van de echtgenoot wordt gewezen, is geoordeeld dat het verweer dat de hem ten laste gelegde bedragen stortingen betreffen naar aanleiding van casinobezoek niet kan slagen, omdat het geen uitleg vormt voor de discrepantie tussen diens inkomen en zijn uitgaven. Dat heeft tot gevolg dat dit verweer ook hier niet kan slagen. De conclusie is derhalve dat het ten laste gelegde geldbedrag uit misdrijf afkomstig is. De vraag die vervolgens voorligt, is of de verdachte wist van de illegale herkomst van het geldbedrag. Die vraag kan naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord in de zin dat de verdachte wetenschap had. Mede gegeven de relatie tot de medeverdachte veroordeelde echtgenoot [naam medeverdachte 1] , met wie zij een economische eenheid vormde, in combinatie met haar aandeelhouderschap van een vennootschap die te maken heeft met de activiteiten van haar echtgenoot, twijfelt de rechtbank voorts niet aan haar wetenschap. De verdachte heeft geen enkele aanknopingspunt gegeven voor een ander scenario. Zij heeft gedurende het gehele onderzoek een beroep gedaan op haar zwijgrecht en is niet ter zitting verschenen. Dat kan haar weliswaar in beginsel niet worden tegengeworpen, maar het betekent ook dat een verklaring voor haar betrokkenheid bij de transacties ontbreekt. Dat maakt dat de rechtbank concludeert dat zij schuldig is aan het opzettelijk witwassen van het ten laste gelegde geldbedrag. 4.1. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: zij in de periode van 7 juli 2016 tot en met 5 januari 2019, in Den Haag en Voorburg, althans in Nederland,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.