ECLI:NL:RBROT:2022:5935
Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/960117-18 Datum uitspraak: 15 juli 2022 Tegenspraak Vonnis van meervoudige kamer in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 5 juli 2022.
Raadsman van de verdachte: mr. G. Özveren, advocaat te Rotterdam.
Officieren van justitie: mrs. A.C. Kramer en W.J. Veldhuis (hierna: officier van justitie).
Kern van dit vonnis Op de zitting stond ter discussie of Nederland rechtsmacht heeft ten aanzien van de gijzeling van de bemanningsleden van het Nederlandse schip [naam schip] in Nigeria. Daarnaast was de belangrijkste vraag of de verdachte betrokken was bij de kaping van dit schip op open zee.
Inhoudsopgave van dit vonnis De verdachte wordt beschuldigd van de kaping van het schip [naam schip] door (bedreiging met) geweld, en vreesaanjaging en de gijzeling van de bemanningsleden van datzelfde schip in Nigeria. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit vonnis.
In hoofdstuk 2 wordt de ontvankelijkheid van de officier van justitie besproken.
De rechtbank vindt dat de beschuldigingen zijn bewezen. Het bewijsverweer op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), de bewezenverklaring en de bewijsmotivering worden in hoofdstuk 3 van dit vonnis besproken. Een overzicht van de bewijsmiddelen is in hoofdstuk 4 van dit vonnis uiteengezet.
De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet verboden gedragingen. Welke dat zijn, is omschreven in hoofdstuk 5 van dit vonnis. In dat hoofdstuk worden ook de strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van de verdachte besproken.
Aan de verdachte wordt een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar en zes maanden opgelegd. Hoofdstuk 6 van dit vonnis vermeldt de overwegingen van de rechtbank die tot deze straf hebben geleid.
In hoofdstuk 7 wordt de beslissing over de in beslag goederen uiteengezet.
Hoofdstuk 8 sluit dit vonnis af met een korte weergave van alle beslissingen en de ondertekening door de rechters en de griffier.
Feit 2 hij in of omstreeks de periode van 21 april 2018 tot en met 19 mei 2018 aan boord van een (onder Nederlandse vlag varend) vaartuig (genaamd [naam schip] ) en/of op open zee (in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 kilometer uit de kust van Nigeria) en/of voor de kust van Nigeria en/of voor de kust van Kameroen en/of in Nigeria en/of in Kameroen en/of in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk elf, in elk geval een of meer bemanningsleden (te weten [naam persoon 1] ( [geboortedatum persoon 1] ), en/of [naam persoon 2] ( [geboortedatum persoon 2] ), en/of [naam persoon 3] ( [geboortedatum persoon 3] ), en/of [naam persoon 4] ( [geboortedatum persoon 4] ), en/of [naam persoon 5] ( [geboortedatum persoon 5] ) en/of [naam persoon 6] ( [geboortedatum persoon 6] ), en/of [naam persoon 7] ( [geboortedatum persoon 7] ), en/of [naam persoon 8] ( [geboortedatum persoon 8] ), en/of [naam persoon 9] ( [geboortedatum persoon 9] ), en/of [naam persoon 10] ( [geboortedatum persoon 10] ), en/of [naam persoon 11] ( [geboortedatum persoon 11] )), in elk geval één of meer perso(o)n(en), van hun/zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden met het oogmerk [naam bedrijf] , althans een ander, te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen van een hoeveelheid (los)geld immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) dat varende schip geënterd terwijl hij/zij bewapend was/waren met een of meer (automatische) vuurwapen(s), en/of bovengenoemde personen, in elk geval een of meer perso(o)n(en), met dat/die (automatische) vuurwapen(s) bedreigd en/of onder schot gehouden, en/of bovengenoemde personen, in elk geval een of meer perso(o)n(en), onder bedreiging van dat/die (automatische) vuurwapen(s) gedwongen het schip te verlaten en/of plaats te nemen op (een) bo(o)t(en) van verdachte en/of zijn mededaders en/of bovengenoemde personen, in elk geval een of meer van bovengenoemde perso(o)n(en) (meerdere keren) onder bedreiging van dat/die (automatische) vuurwapen(s) en/of (aldus) gedwongen (per boord) vervoerd naar een/diverse locatie(s) in Nigeria en/of Kameroen alwaar bovengenoemde personen, in elk geval een of meer van bovengenoemde perso(o)n(en) werd(en) gedwongen te wachten en/of te verblijven tot er losgeld betaald was, en/of meerdere malen telefonisch contact opgenomen met het bedrijf [naam bedrijf] en/of (aldus) onderhandeld over het te betalen losgeld en/of de vrijlating van bovengenoemde personen, in elk geval een of meer van bovengenoemde perso(o)n(en), en/of
een overeenkomst gesloten met het bedrijf [naam bedrijf] om tegen betaling van losgeld bovengenoemde personen in vrijheid te stellen.
Het standpunt van de verdediging Er bestaat geen rechtsmacht ten aanzien van al hetgeen dat zich niet op het schip [naam schip] heeft afgespeeld. De rechtbank dient zich voor dat gedeelte van de tenlastelegging onbevoegd te verklaren. De vrijheidsberoving heeft plaatsgevonden in de jungle van Nigeria en daarom is Nigeria het aangewezen land om de verdachte te vervolgen.
Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet beantwoord moet worden bij de vraag naar de ontvankelijkheid van de officier van justitie. De bevoegdheidsvraag als bedoeld in artikel 348 Sv ziet in feite op de ‘nationale rechtsmachtsverdeling’ en niet op internationale rechtsmacht. De rechtbank is bevoegd om van de feiten kennis te nemen, zowel absoluut (artikel 45 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie) als relatief (artikel 2 lid 1 sub 7 Sv).
De aanwezigheid van rechtsmacht van de Nederlandse strafwet moet in beginsel worden beoordeeld op grond van de tenlastelegging.
Feit 1 Onder feit 1 wordt de verdachte verweten het overtreden van artikel 385a Sr. De rechtbank is van oordeel dat zowel artikel 3 als artikel 4 sub e Sr de Nederlandse strafwet rechtsmacht bieden. Dit is door de verdediging ook niet betwist.
Feit 2 Voor feit 2 is dat anders, de verdediging heeft bepleit dat alles wat niet op [naam schip] is gebeurd buiten de Nederlandse strafwet valt. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten artikel 282a Sr te hebben overtreden. In de tenlastelegging is een aantal pleegplaatsen opgenomen: aan boord van een (onder Nederlandse vlag varend) vaartuig en/of op open zee (in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 km uit de kust van Nigeria) en/of voor de kust van Nigeria en/of voor de kust van Kameroen en/of in Nigeria en/of in Kameroen en/of in Nederland.
Nu ook Nederland als pleegplaats in de tenlastelegging is opgenomen, heeft de rechtbank allereerst onderzocht of artikel 2 Sr (territorialiteitsbeginsel) rechtsmacht kan bieden. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Onderdeel van de delictsomschrijving van artikel 282a Sr is dat de dader ‘een ander dwingt iets te doen of niet te doen’. Die ‘ander’ is in dit geval [naam bedrijf] , gevestigd in Groningen, Nederland. De verdachte heeft volgens de tenlastelegging contact gehad met vertegenwoordigers van [naam bedrijf] in Nederland, onderhandelingen over het losgeld met hen gevoerd en een overeenkomst gesloten met dat bedrijf bedoeld om tegen betaling van losgeld de gegijzelde bemanningsleden in vrijheid te stellen. Het feit heeft daarmee zijn uitwerking in Nederland en de verdachte was daarmee ook op Nederlands grondgebied actief.
Nu een deel van de in de tenlastelegging opgenomen feitelijke handelingen in Nederland heeft plaatsgevonden, is er ook rechtsmacht voor de andere deelhandelingen van dit strafbare feit (vgl. HR 27-10-1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1413).
Om dezelfde reden biedt overigens ook artikel 3 Sr (vlaggenbeginsel) rechtsmacht. De gijzeling is namelijk al begonnen aan boord van [naam schip] door het schip te enteren, de bemanning onder schot te houden en hen te dwingen het schip te verlaten en in de boten van de gijzelnemers plaats te nemen. Voor deze feitelijke handelingen is het vlaggenbeginsel van toepassing en dit biedt dan ook rechtsmacht voor de andere deelhandelingen van dit feit.
Het is daarom niet nodig om de overige door de officieren van justitie genoemde grondslagen die mogelijk rechtsmacht zouden kunnen bieden nog te bespreken.
Conclusie Op grond van de artikelen 2 (feit 2), 3 (feiten 1 en 2) en 4 sub e (feit 1) Sr is de Nederlandse strafwet van toepassing op de ten laste gelegde feiten. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging. De verweren van de verdediging worden verworpen.
Beoordeling vormverzuim Op grond van artikel 359a Sv kan de rechtbank - voorzover van belang - indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde feiten.
De vraag die dus voorligt, is of sprake is van zo een vormverzuim. De rechtbank vindt van niet. In het kader van het bewijsverweer heeft de rechtbank op de zitting aan de officier van justitie gevraagd wat het doel van de inzet van de pseudokoop en -dienstverlening was. Volgens de officier van justitie kon met de inzet van het opsporingsmiddel, tezamen met de eveneens ingezette bevoegdheid tot inwinnen van stelselmatige informatie op grond van artikel 126j Sv, bewijs worden verzameld voor de identificatie van de verdachte. Uiteindelijk is voor een fysieke ontmoeting een afspraak op Mauritius gemaakt om uitsluitsel over de identificatie te krijgen. Deze gang van zaken is door de verdediging niet weersproken en een ander doel van de ontmoeting is niet met feiten en omstandigheden onderbouwd.
Gelet op het voorgaande heeft de inzet van de pseudokoop en -dienstverlening ertoe geleid dat de verdachte kon worden geïdentificeerd. Hiermee is gehandeld binnen de grenzen van artikel 126i Sv en is dus geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het verweer tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.
Bewezenverklaring De rechtbank vindt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan op de volgende manier:
Feit 1 hij op 21 april 2018 op open zee in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 kilometer uit de kust van Nigeria en aan boord van een onder Nederlandse vlag varend vaartuig, [naam schip] , dat vaartuig door bedreiging met geweld en vreesaanjaging in zijn macht heeft gebracht en gehouden immers hebben verdachte en zijn mededaders dat varende schip geënterd terwijl zij waren bewapend met automatische vuurwapens, en bemanningsleden van dat schip met die automatische vuurwapens bedreigd en onder schot gehouden, en die bemanningsleden onder bedreiging van die automatische vuurwapens gedwongen het schip te verlaten en plaats te nemen op boten van verdachte en zijn mededaders terwijl verdachte dit feit heeft gepleegd met meer personen gezamenlijk en met het oogmerk die bemanningsleden wederrechtelijk van hun vrijheid te beroven en beroofd te houden.
Feit 2 hij in de periode van 21 april 2018 tot en met 19 mei 2018 aan boord van een onder Nederlandse vlag varend vaartuig [naam schip] op open zee in de zuidelijke Atlantische Oceaan op ongeveer 91 kilometer uit de kust van Nigeria en in Nigeria en in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk bemanningsleden van hun vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden met het oogmerk [naam bedrijf] te dwingen iets te doen, te weten het betalen van een hoeveelheid losgeld, immers hebben verdachte en zijn mededaders dat varende schip geënterd terwijl zij bewapend waren met automatische vuurwapens en die bemanningsleden met die automatische vuurwapens bedreigd en onder schot gehouden en die bemanningsleden onder bedreiging van die automatische vuurwapens gedwongen het schip te verlaten en plaats te nemen op boten van verdachte en zijn mededaders en die bemanningsleden onder bedreiging van die automatische vuurwapens en gedwongen vervoerd naar diverse locaties in Nigeria alwaar die bemanningsleden werd gedwongen te wachten en te verblijven tot er losgeld betaald was en telefonisch contact opgenomen met het bedrijf [naam bedrijf] onderhandeld over het te betalen losgeld en de vrijlating van die bemanningsleden en een overeenkomst gesloten met het bedrijf [naam bedrijf] om tegenbetaling van losgeld die bemanningsleden in vrijheid te stellen.
Bewijsverweer Standpunt van de verdediging De verdachte is niet betrokken geweest bij de kaping van het schip. Hij is nooit op [naam schip] geweest en hij is ook niet ‘ [naam 1] ’ die in het dossier veelvuldig wordt genoemd.
Beoordeling Uit de bewijsmiddelen die aan de bewezenverklaring ten grondslag zijn gelegd kan worden afgeleid dat de verdachte de bij de kaping en gijzeling betrokken ‘ [naam 1] ’ is. Die vaststelling of gevolgtrekking wordt in haar betrouwbaarheid ondersteund door de navolgende feiten en omstandigheden:
De piraten waren zwaar bewapend met automatische geweren. We kwamen toen bij een klein dorpje op het water. Op deze plek hebben wij ongeveer 3 weken verbleven. De majoor en [naam 3] van de rederij hebben over de vrijlating onderhandeld. We werden naar een eiland gebracht. Op het eiland kwam een andere man met een tas in zijn hand. De majoor en de man gingen toen naar een hutje. De majoor kwam daarna naar buiten met een pak geld. Daarna gingen we met iedereen, ook de piraten, op de foto.
Feit 1 het in zijn macht brengen en het in zijn macht houden van een vaartuig door bedreiging met geweld en vreesaanjaging door twee of meer personen gezamenlijk gepleegd met het oogmerk iemand wederrechtelijk van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden.
Feit 2 Medeplegen van gijzeling.
Strafbaarheid van de feiten Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De feiten zijn dus strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is strafbaar.
Verdediging De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is een rustige en erg beschaafde jongen en had vanwege geldproblemen geen andere keuze. Hij heeft alleen ondersteunende taken verricht zoals het voeren van de onderhandelingen, omdat hij als enige goed Engels sprak. Daarnaast verzoekt de verdediging rekening te houden met het onherstelbaar vormverzuim van het onjuist inzetten van de pseudokoop/dienstverlening.
Beoordeling Algemeen De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de kaping van het schip [naam schip] en de gijzeling van elf bemanningsleden van dat schip. De verdachte en zijn medeverdachten zijn met automatische vuurwapens naar het schip gevaren en hebben het schip geënterd. Terwijl zij de aangetroffen bemanningsleden onder schot hielden, hebben ze het schip doorzocht op geld en andere goederen. Vervolgens hebben ze de bemanningsleden gedwongen het schip te verlaten en hen vervoerd naar diverse locaties in de jungle en bij een moeras. Daar werden ze gedurende in totaal drieënhalve week vastgehouden terwijl de verdachte met [naam bedrijf] , hun werkgever/opdrachtgever, onderhandelde over het te betalen losgeld. Uiteindelijk heeft dat erin geresulteerd dat [naam bedrijf] een bedrag van € 340.000 heeft betaald, waarna de bemanningsleden werden vrijgelaten.
Omstandigheden rond de feiten De gebeurtenissen moeten een beangstigende ervaring zijn geweest, in de eerste plaats voor de ontvoerde bemanningsleden. Gedurende de gijzeling liep een van de bemanningsleden schotwonden op, een ander werd zo ziek als gevolg van malaria dat hij een nierdialyse nodig had en blijvende schade opliep aan zijn nieren. Hun familieleden moeten ook al die tijd hebben gevreesd voor het lot van hun dierbaren. Ook de op het schip achtergebleven bemanningsleden die zich - soms dagenlang - verstopt hadden, moeten doodsangsten hebben uitgestaan. Zij wisten niet of er nog piraten op het schip waren, noch wat ze moesten doen met het stuurloze schip. In de laatste plaats moet het ook een stressvolle periode zijn geweest voor de medewerkers van [naam bedrijf] die betrokken waren bij de onderhandelingen.
Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte in ieder geval operationeel leiding gaf aan deze operatie. Hij voerde de onderhandelingen met [naam bedrijf] en de gegijzelden beschouwden hem als de leider, zowel op het schip als op het land. Hij gaf de opdrachten aan de andere gijzelnemers en ze sprongen in het gelid als hij eraan kwam.
De door de verdachte gepleegde feiten staan niet op zichzelf: piraterijfeiten als deze komen de afgelopen jaren in en rond Afrika veelvuldig voor. Het is een ernstige bedreiging voor het internationaal erkende recht op vrije doorgang op internationale wateren en vormt een daarmee een bedreiging voor de handel. Bovenal gaat piraterij gepaard met veel geweld en bedreiging met geweld. Dat lijkt ook hier het geval: de piraten hadden beschikking over meerdere automatische wapens, waaronder een FN MAG, een machinegeweer dat afstanden tot 1800 meter kan overbruggen.
Dat de verdachte zich ‘op seriematige wijze’ heeft ingelaten met kapingen, zoals de officieren van justitie hebben betoogd, staat op basis van het dossier onvoldoende vast. De rechtbank gaat daar in de strafmaat dan ook niet van uit.
Het bovenstaande brengt met zich mee dat een forse gevangenisstraf het uitgangspunt is. Bij het bepalen van die duur is voorts het volgende in aanmerking genomen.
Persoonlijke omstandigheden De verdachte is afkomstig uit Nigeria en aannemelijk is dat de verdachte daar een moeizaam bestaan had. De verdachte heeft zelf ook te maken gehad met geweld: op de zitting heeft hij verklaard dat zijn broer gekidnapt is en vervolgens vermoord. Dat heeft hem veel gedaan. Deze omstandigheden kunnen geen rechtvaardiging vormen voor het plegen van strafbare feiten en zeker niet dergelijke ernstige feiten. Toch kan er niet geheel aan voorbijgegaan worden dat de bestraffing in deze zaak plaatsvindt tegen die achtergrond.
Verder neemt de rechtbank mee dat detentie in Nederland een zware belasting voor de verdachte moet zijn, aangezien hij zich zorgen maakt over zijn familie en hij in detentie een zeer geïsoleerd bestaan leidt. De verdachte is immers ver van huis en zijn familie, ontvangt geen bezoek in het huis van bewaring en het onderhouden van contact met zijn familie in Nigeria is beperkt vanwege de hoge kosten. In zoverre zijn zijn detentieomstandigheden zwaarder dan die voor een willekeurig ander iemand die in Nederland is aangehouden. Ook hiermee kan bij de strafoplegging slechts in zeer marginale zin worden rekening gehouden, gelet op het gegeven dat het de verdachte zelf is geweest die in de kern deze situatie voor zichzelf in het leven heeft geroepen.
Gelet op hetgeen in hoofdstuk 3 van dit vonnis is overwogen over het door de verdediging gevoerde verweer in de zin van 359a Sv behoeft het daarop gebaseerde strafmaatverweer geen bespreking meer.
Ten slotte heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die door deze rechtbank en het gerechtshof Den Haag in het (recente) verleden zijn opgelegd in min of meer vergelijkbare piraterijzaken. Strafverzwarend zijn de lange duur en omvang van de gijzeling - elf bemanningsleden, ruim drie weken en diep in de jungle - alsmede de leidende rol van de verdachte. Deze factoren maken dat de rechtbank tot een hogere straf komt dan die in eerdere piraterijzaken zijn opgelegd.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 8 jaar en 6 maanden passend en geboden.
Wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen van 47, 57, 282a en 385a van het Wetboek van Strafrecht.
Beoordeling Ten aanzien van de in beslag genomen goederen, te weten 6 enveloppen en 3 dozen, zal een last worden gegeven tot teruggave aan de degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt, zijnde [naam bedrijf] .
Dit vonnis is gewezen door: mr. J.H. Janssen, voorzitter, en mrs. J.C. Tijink en T.M. Riemens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y. Ouarssani griffier, en uitgesproken op de zitting van deze rechtbank op 15 juli 2022.
De oudste en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Verhoor van verdachte 20 mei 2020 ( [proces-verbaalnummer 1] ), p. 848 en verhoor van verdachte 2 maart 2020 ( [proces-verbaalnummer 2] ), p. 827.
Verhoor van verdachte 20 mei 2020 ( [proces-verbaalnummer 1] ), p. 848.
Verhoor van aangever [naam aangever] 5 juni 2018 ( [proces-verbaalnummer 3] ), p. 234.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 4] , p. 163 en 164.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 5] , p. 222 t/m 232.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 6] , p. 484 t/m 504.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 7] , p. 549 en 622.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 8] , p. 631 t/m 644.
Het proces-verbaal van politie nummer [proces-verbaalnummer 9] , p. 517 t/m 522.
Afgelegd op de terechtzitting van 5 juli 2022.
Pagina 234.
Pagina 59.
Pagina 67 e.v.
Pagina 248 e.v.
Pagina 359.
Pagina 237.
Verhoor getuige bij de rechter-commissaris op 27 mei 2021, RC-nummer 18/1129, pagina’s 2 t/m 4.