Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10-297566-20 Datum uitspraak: 4 augustus 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , niet ingeschreven in de basisregistratie personen, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Ter Apel, raadsman mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 en 21 juli 2022. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. L. Verhoeven heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde, met uitzondering van het onder 2 ten laste gelegde Glock-pistool; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8,5 jaar, met aftrek van voorarrest. 4.Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging De verdachte dient te worden vrijgesproken van de feiten ten laste gelegd onder 1, 2 en 4. Het oogmerk om de onder feit 1 genoemde goederen weg te nemen ontbrak bij de verdachte. Subsidiair is het ten laste gelegde geweld, of de dreiging daarmee, niet gebruikt met het oog op de diefstal maar voor het achterhalen van de identiteit van de persoon die de verdachte zocht. De verdachte had wel een niet functionerend vuurwapen meegenomen in een tasje omdat hij had afgesproken met mensen die hij niet kende maar de andere vuurwapens die in de tenlastelegging staan vermeld heeft hij niet gezien en ook niet voorhanden gehad. Voorts wist de verdachte niets van de in de auto van [naam medeverdachte 1] aangetroffen cocaïne en heeft hij daar ook geen beschikkingsmacht over gehad. 4.1.2. Beoordeling Feit 1: Woningoverval Uit de verschillende verklaringen die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen blijkt dat er op zaterdag 21 november 2020 in de woning aan het [adres delict] in Rotterdam door meerdere daders een overval heeft plaatsgevonden. In die woning waren naast de bewoners een aantal gasten aanwezig. De hoofdbewoonster heeft uit de woning kunnen vluchten en heeft bij een kennis die in dezelfde straat woont 112 laten bellen. Daarna zijn meerdere politieagenten ter plaatse gekomen. Uiteindelijk zijn alle personen die in of nabij de woning aan het [adres delict] aanwezig waren aangehouden als verdachte. Op het politiebureau zijn van alle aangehouden verdachten foto’s genomen. De hoofdbewoner van het [adres delict] en zijn gasten hebben verklaard dat er twee of drie overvallers de woning zijn binnengekomen, direct nadat de deur voor de laatst gearriveerde gast werd geopend. Twee overvallers hebben de op de begane grond aanwezigen bedreigd met (vuur)wapens, hebben hen gedwongen om op de grond te gaan liggen en hebben hen gefouilleerd. Vervolgens zijn er verschillende goederen weggenomen, zoals telefoons, portemonnees en horloges. Door meerdere personen is verklaard dat één van de daders een baard had, een mondkapje droeg en een vuurwapen in zijn hand had. Een tweede dader was langer dan de eerste dader en hij had een (vuur)wapen met een geluiddemper in zijn hand. Tijdens deze overval is met de telefoon van één van de gasten een foto gemaakt waarop iemand met een wapen met een geluiddemper staat afgebeeld, terwijl dat wapen is gericht op een aantal op de grond liggende personen. De verdachte heeft erkend dat hij in de woning is geweest en hij heeft zichzelf herkend op de genoemde foto, die tijdens de woningoverval in de woning is gemaakt. De medeverdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] (verder respectievelijk: [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] ) hebben beiden ontkend in de woning te zijn geweest. De rechtbank heeft op de foto’s die vlak na de aanhouding van de verdachte, van [naam medeverdachte 1] en van [naam medeverdachte 2] zijn gemaakt, gezien dat alleen [naam medeverdachte 1] een baard had. Uit het dossier blijkt voorts dat [naam medeverdachte 1] als eerste verdachte is aangehouden, direct nadat politieagenten hem uit de woning hebben zien komen. Tijdens zijn aanhouding viel een vuurwapen op de grond. Na de aanhouding van [naam medeverdachte 1] hebben politieagenten door het raam de woning in gekeken. Daar zagen zij een persoon staan die een wapen met geluiddemper vast hield en dat gericht hield op de op de grond liggende personen. Door het raam werd gezien dat deze persoon zich van de woonkamer naar de hal bewoog, dat kort daarna de voordeur werd geopend en dat een persoon een wapen richtte op de politieagenten. Twee politieagenten hebben op de persoon die het wapen op hen richtte geschoten. Naar later bleek is hierdoor [naam medeverdachte 2] geraakt. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat alle drie de verdachten in de woning zijn geweest en dat ieder van hen op enig moment een (vuur)wapen in de hand heeft gehad. Uit het dossier blijkt dat één van de slachtoffers gedwongen is om direct achter de voordeur in de hal op de grond te gaan liggen. Andere slachtoffers hebben in de direct aan de hal grenzende woonkamer op de grond gelegen. De rechtbank stelt verder vast dat het, mede gelet op de indeling van de woning zoals die uit het dossier blijkt, niet mogelijk is dat één van de verdachten in de woning is geweest, zonder iets van de woningoverval mee te hebben gekregen. Het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen. Feiten 2 en 3: Wapens In de woning zijn drie wapens aangetroffen: een vuurwapen van het merk Glock in een damestas in een slaapkamer op de eerste verdieping, een Glock 19 in de woonkamer en een Kimar Lady K in de keuken. Voorts viel er een Umarex Walther-vuurwapen uit het tasje dat [naam medeverdachte 1] droeg toen hij uit de woning kwam en werd aangehouden. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het voorhanden hebben van het pistool van het merk Glock, die is aangetroffen in een slaapkamer, niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. Ook ten aanzien van de Glock 19 die in de woonkamer is aangetroffen zullen de verdachten worden vrijgesproken. Op dat vuurwapen is DNA aangetroffen van minimaal vier personen, waaronder [naam persoon] , hoofdbewoner [naam slachtoffer 1] en twee andere personen. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij [naam persoon] kent, maar dat is onvoldoende om met voldoende zekerheid vast te stellen dat dit vuurwapen door hem of (één van) de medeverdachten in de woning is gebracht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het dossier naar voren komt dat in de keuken een verschoten kogelhuls is aangetroffen. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft onderzoek gedaan naar de huls. De rechtbank stelt op basis van de uitkomst daarvan vast, dat deze huls is verschoten met de aangetroffen Glock 19. De rechtbank stelt in het verlengde daarvan vast dat er dus op enig moment met die Glock 19 in de woning moet zijn geschoten. Het dossier bevat echter geen aanwijzingen dat er tijdens de woningoverval met dat vuurwapen is geschoten. Dat laat de reële mogelijkheid open dat dit vuurwapen op enig moment voorafgaand aan de woningoverval al in de woning aanwezig was en door een ander is gebruikt dan door (één van) de verdachte(n). De verdachte heeft verklaard dat hij het Kimar Lady K wapen met de bijbehorende demper mee naar de woning heeft genomen. Gebleken is dat hij dit wapen tijdens de overval ook heeft gebruikt. Uit de verklaringen van in de woning aanwezige gasten blijkt voorts dat [naam medeverdachte 1] ook een wapen had en bij zijn aanhouding is het Umarex Walther-vuurwapen aangetroffen. Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn die wapens in de woning tijdens de woningoverval gebruikt, terwijl ook [naam medeverdachte 2] daarbij aanwezig was, zodat hetgeen onder 2 en 3 ten laste is gelegd kan worden bewezen. Feit 4: Cocaïne De auto van verdachte [naam medeverdachte 1] stond op het moment van zijn aanhouding geparkeerd ter hoogte van de woning aan het [adres delict] te Rotterdam. Op de achterbank van de auto werden drie sporttassen en twee dozen met daarin in totaal ruim 84 kilogram cocaïne aangetroffen. In de tassen en de dozen zaten identieke kartonnen pakketjes, die per twee aan elkaar gelijmd waren. Daartussen bevonden zich telkens platte pakketjes omwikkeld met zwart carbonpapier, met het opschrift ‘ [naam opschrift] ’. In een woning aan de Persoonshaven te Rotterdam is kort voor de woningoverval met de telefoon van de verdachte een foto gemaakt van een soortgelijke verpakking, waarop kartonnen bladen en vellen carbonpapier met het opschrift ‘ [naam opschrift] ’ zichtbaar zijn. De verdachte heeft hiervoor geen aannemelijke verklaring gegeven. Vast staat dat alle drie de verdachten – al dan niet gezamenlijk – vanaf dezelfde locatie, te weten in of nabij de woning aan de Persoonshaven in Rotterdam, naar de woning aan het Meiland zijn vertrokken. [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij dozen en tassen vanuit de woning aan het Meiland in de auto van [naam medeverdachte 1] hebben geladen. Nu de politie dit niet heeft waargenomen, moet dat gebeurd zijn voordat de politie bij de woning aankwam. Zoals hiervoor is overwogen, volgt ook uit de bewijsmiddelen dat alle drie de verdachten zich vóór de komst van de politie in de woning aan het [adres delict] hebben bevonden en voorts dat zij daarbij alle drie – op enig moment – in het bezit waren van een (vuur)wapen Door de verdachten is geen aannemelijke verklaring gegeven voor hun gewapende aanwezigheid in de woning. De in de auto aangetroffen grote hoeveelheid drugs vertegenwoordigt een zeer grote financiële waarde. Gezien vorenstaande feiten en omstandigheden – in onderlinge samenhang bezien – kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de woningoverval (mede) in relatie stond tot de hoeveelheden drugs die in de auto zijn aangetroffen. Gelet hierop en de handelwijze van alle drie de verdachten moeten zij zich bewust zijn geweest van het feit dat zich drugs bevond in de tassen en dozen die in de auto zijn gezet en hebben zij daarover de beschikkingsmacht gehad. Het onder 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Medeplegen De nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten volgt uit het geheel van de hierboven beschreven en uit de bewijsmiddelen blijkende handelingen die in de kern bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op 21 november 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, in een woning gelegen aan de [adres delict] , meerdere telefoons en portemonnees en geldbedragen en horloges, die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer 2] en/of [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 4] en/of [naam slachtoffer 5] en/of [naam slachtoffer 6] en/of [naam slachtoffer 7] en/of [naam slachtoffer 8] en/of [naam slachtoffer 9] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door - gemaskerd met een mondmasker de woning binnen te dringen en - vuurwapens op te houden en te richten naar die personen in de woning en- een wapen op het hoofd te zetten van die [naam slachtoffer 5] en te zeggen dat hij op de grond moest liggen en een voet op de rug van [naam slachtoffer 5] te plaatsen en - die personen te fouilleren en/of op de grond te laten liggen en- daaraan de woorden toe te voegen "als jullie bewegen dan haal ik de trekker over" en ‘Handen omhoog. Zet jullie portemonnee op de tafel, je telefoon. Ik ga jullie spullen meenemen. Als er iemand beweegt ga ik schieten. Doe je handen omhoog. Ik maak geen grap. Ga liggen op de grond.' en ‘Als jullie naar mijn gezicht kijken, dan schiet ik.’ althans woorden van soortgelijke dreigende strekking en/of aard; 2. hij op 21 november 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van - een pistool, van het merk Umarex Walther, type Pk380, kaliber 9mm en bijbehorende munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III onder 1º te weten: kogelpatronen van het kaliber 9mm voorhanden heeft gehad; 3. hij op 21 november 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7º van de Wet wapens en munitie gelet op gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk een nabootsing van een vuurwapen, te weten een alarmpistool met geluidsdemper, welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, namelijk een Walther PPK, voorhanden heeft gehad; 4. hij op 21 november 2020 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, meerdere dozen en tassen met daarin een grote hoeveelheid (in elk geval ongeveer 84.467 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad 5.Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: De eendaadse samenloop van: 1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; en 2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; en 3. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; 4. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6.Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7.Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een woningoverval waarbij zij de in de woning aanwezige personen met een vuurwapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp hebben bedreigd. De mannen die in de woning aanwezig waren moesten op de grond gaan liggen, werden gefouilleerd en hun eigendommen (telefoons, horloges, portemonnees en contant geld) werden van hen afgenomen. Voor de bewoners van de woning, waaronder een minderjarige jongen die weliswaar niet in de kamer waar de overval plaatsvond, maar wel op de bovenverdieping aanwezig was en hun gasten, is deze gebeurtenis bijzonder beangstigend geweest. Uit de toelichtingen bij de ingediende vorderingen blijkt dat zij vreesden voor hun leven en dat zij als gevolg van de overval (psychische) klachten hebben ontwikkeld. Sommige van hen hebben daar tot op de dag van vandaag nog last van. De ervaring leert dat dergelijke klachten nog lang kunnen aanhouden. Dat geldt temeer indien sprake is van een overval in een woning, een plek waar men zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. De verdachte heeft deze gevolgen voor lief genomen en kennelijk puur uit eigen financieel gewin gehandeld. De verdachte heeft overigens geen blijk gegeven van enige empathie voor hetgeen hij en zijn mededaders de slachtoffers hebben aangedaan. Naast de bezittingen van de aanwezigen hebben de verdachten ook drie tassen en twee dozen met ruim vierentachtig kilo cocaïne uit de woning in hun auto geladen. Harddrugs zijn stoffen die bedreigend zijn voor de volksgezondheid. Voor gebruikers kunnen zij schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen. Ten slotte leidt bezit van harddrugs veelal, direct en indirect, tot vele andere vormen van criminaliteit, hetgeen wordt geïllustreerd door deze gewapende woningoverval. 7.3. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 juni 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. De rechtbank heeft ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte betrokken bij haar oordeel, in het bijzonder het feit dat hij ver van zijn gezinsleden verblijft terwijl zijn moeder die in Spanje verblijft zeer ernstig ziek is, hij door de taalbarrière meer geïsoleerd is in detentie dan een gemiddelde verdachte en dat hij vanwege het ontbreken van een geldige verblijfstitel zal worden uitgezet na afloop van zijn gevangenisstraf. Bij de strafoplegging kan daar echter slechts in zeer marginale zin rekening mee worden rekening gehouden, gelet op het gegeven dat het de verdachte zelf is geweest die deze situatie voor zichzelf in het leven heeft geroepen. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de aard en ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van lange duur. Bij de bepaling daarvan heeft de rechtbank acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten en straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. . 8.Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen Ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 5] , [naam slachtoffer 9] , [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 8] , [naam slachtoffer 6] en [naam slachtoffer 4] . De benadeelde partij [naam slachtoffer 2] vordert een vergoeding van € 822,71 aan materiële schade en een vergoeding van € 4.000 aan immateriële schade. De overige benadeelde partijen vorderen elk een vergoeding van € 5.000,- aan immateriële schade. 8.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen. 8.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft primair om vrijspraak verzocht, zodat de vorderingen dienen te worden afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard. Subsidiair zijn de vorderingen en de hoogte daarvan betwist. 8.3. Beoordeling De benadeelde partij [naam slachtoffer 2] zal in het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat thans onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, bestaande uit kosten gemaakt voor schouderklachten, rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. In dat verband wordt overwogen dat uit bijlage 3 bij de vordering blijkt dat de benadeelde partij al voor de woningoverval last had van zijn schouder. Ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, hebben benadeelden op grond van artikel 6:106 BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, voor zover één van de in dit artikel (onder a-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.