← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:6485

Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2] uitspraakdatum: 9 juni 2022 [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats] , verzoeker. 1.De procedure Verzoeker heeft op 27 mei 2022, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 27 mei 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 2 juni

  1. Ter zitting van 2 juni 2022 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening); mevrouw [persoon B] , werkzaam bij THL Advocaten, namens Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster); mevrouw [persoon C] , werkzaam bij Woonstad Rotterdam; de heer [persoon D] , werkzaam bij Woonstad Rotterdam. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2.Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen. Schuldhulpverlening heeft verklaard dat verzoeker sinds 27 mei 2022 budgetbeheer ontvangt en dat het inkomen van verzoeker voldoende is om de huur te voldoen. Verzoeker ontvangt een uitkering uit hoofde van de Participatiewet. Verzoeker heeft aangetoond dat de huur voor de maand mei 2022 is voldaan op 26 april 2022 en voor de maand juni 2022 is voldaan op 27 mei
  2. 3.Het verweer Verweerster heeft ter zitting aangevoerd dat het verzoek moratorium afgewezen dient te worden. Een moratorium kan slechts tot stand komen wanneer de grondslag voor ontruiming enkel en alleen de huurachterstand betreft. In dit geval is tevens sprake van woonfraude. Verweerster heeft sterk het vermoeden dat verzoeker niet in de woning woont, terwijl dit wel een vereiste is op grond van de huurovereenkomst. Verweerster heeft de dagvaarding overgelegd waarin zij uiteen heeft gezet dat er sprake is van woonfraude en dat mede op die grondslag ontruiming van de woning is gevorderd. Daarnaast heeft verweerster ter zitting aangevoerd dat zij geen vertrouwen heeft in verzoeker, daar verzoeker eerder niet heeft meegewerkt aan een oplossing. 4.De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 12 mei 2022 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 mei 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 3 mei 2022 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker staat sinds 27 mei 2022 onder budgetbeheer en schuldhulpverlening heeft verklaard dat het inkomen voldoende is om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft tevens aangetoond dat hij de huur over de maanden mei en juni 2022 tijdig heeft voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. In het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 2022 is geoordeeld dat de hoogte van de betalingsachterstand ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt alsmede veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. Anders dan verweerster ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de stelling van verweerster dat voornoemd oordeel tot ontruiming van het gehuurde mede is gebaseerd op de in de dagvaarding gestelde woonfraude. De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. 5.De beslissing De rechtbank: - schort de tenuitvoerlegging op van het op 3 mei 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening; - bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden; - bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan; - bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw; - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.