vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/626121 / HA ZA 21-866 Vonnis in incident van 5 januari 2022 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MAAS EN KLEIBERG SUBSIDIEADVIES ROTTERDAM B.V., gevestigd te Rotterdam, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident, advocaat mr. G.T. Poot te Rotterdam, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WP TRADING ALPHEN AAN DEN RIJN B.V., gevestigd te Alphen aan den Rijn, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. M.P.C. van Essen te Alphen aan den Rijn. Partijen zullen hierna Maas en Kleiberg en WP Trading genoemd worden. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 21 mei 2021, met producties 1 tot en met 5; het vonnis in het bevoegdheidsincident van de Rechtbank Den Haag van 15 september 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken, waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank in de stand waarin zij zich bevindt; de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring met de producties 3 t/m 6; het B3 formulier namens WP Trading met de juiste productie 4 behorend bij haar incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring; de conclusie van antwoord in het incident tot vrijwaring. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het vrijwaringsincident. 2. De vordering in de hoofdzaak 2.1. In de hoofdzaak vordert Maas en Kleiberg om WP Trading bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om aan Maas en Kleiberg tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 64.903,81 aan hoofdsom, € 1.723,09 aan buitengerechtelijke kosten en € 3.739,33 aan wettelijke rente berekend tot 6 mei 2021, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 6 mei 2021, met veroordeling van WP Trading in de proceskosten. 2.2. Maas en Kleiberg legt – kort samengevat – het volgende aan haar vorderingen in de hoofdzaak ten grondslag. Partijen hebben op 25 juli 2019 een overeenkomst gesloten op basis waarvan Maas en Kleiberg werkzaamheden zou verrichten verband houdende met subsidieaanvragen. WP Trading zou hiervoor een zogenaamde ‘succes fee’ betalen aan Maas en Kleiberg. Maas en Kleiberg vordert betaling van openstaande facturen betreffende deze succes fees. 3. Het geschil in het incident 3.1. WP Trading vordert dat haar wordt toegestaan Plantics B.V., Mulders Sierteelt V.O.F. en SpecialPlantZundert B.V. in vrijwaring op te roepen, kosten rechtens. 3.2. WP Trading stelt daartoe het volgende. De overeenkomst waarop Maas en Kleiberg haar vordering in de hoofdzaak baseert, heeft WP Trading tot stand gebracht ter uitvoering van een zogenoemde samenwerkingsovereenkomst waarbij naast WP Trading de drie in vrijwaring op te roepen partijen partij zijn. In deze samenwerkingsovereenkomst ligt besloten dat ieder van de deelnemende partijen in hun onderlinge verhouding naar rato bijdragen in – onder andere – kosten verband houdende met subsidieaanvragen. Dat brengt mee dat WP Trading recht en belang heeft om, voor het geval de vordering van Maas en Kleiberg in de hoofdzaak voor toewijzing vatbaar is, de overige partijen bij de samenwerkingsovereenkomst in vrijwaring op te roepen. 3.3. Maas en Kleiberg voert verweer. Zij voert aan dat niet WP Trading, maar WPT Biobased B.V. partij is bij de samenwerkingsovereenkomst. En WP Trading heeft (dus) geen onderbouwing gegeven dat de in vrijwaring op te roepen partijen verplicht zouden zijn de nadelige gevolgen van een veroordeling van WP Trading in de hoofdzaak te dragen. Daarnaast heeft WP Trading gehandeld in strijd met artikel 208 lid 3 Rv en artikel 20 lid 2 Rv door de incidentele conclusie tot vrijwaring niet gelijktijdig in te stellen met de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid in juli 2021. De procedure is hiermee onnodig vertraagd, waardoor de vordering tot oproeping in vrijwaring dient te worden afgewezen en Maas en Kleiberg in ieder geval recht heeft op een proceskostenveroordeling. 4. De beoordeling in het incident 4.1. De incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring is tijdig en vóór alle weren genomen. Ingevolge artikel 210 lid 1 Rv kan de gedaagde één of meerdere partijen in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde partij(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.