RECHTBANK ROTTERDAM Inloopteam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/4539 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. M. Can), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder (gemachtigde: [naam gemachtigde] ). Procesverloop Met het besluit van 27 november 2020 (primaire besluit) heeft het UWV aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is bepaald op 37,40%. Met het besluit van 7 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. Wat er aan deze procedure voorafging
- Eiser werkte als voorman productiemedewerker. Op 31 oktober 2015 is het dienstverband geëindigd. Het UWV heeft eiser een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit de WW heeft eiser zich op 4 oktober 2018 bij het UWV ziekgemeld, waarna eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) kreeg. Op 3 juli 2020 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd.
- Vervolgens heeft het UWV de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet WIA beoordeeld.
- Een arts van het UWV heeft eiser onderzocht en beoordeeld wat de arbeidsbeperkingen van eiser zijn per 1 oktober 2020 (de datum in geding). Deze beperkingen heeft de arts opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige van het UWV vastgesteld dat er vier functies zijn die eiser, met zijn beperkingen, nog zou kunnen doen. De arbeidsdeskundige heeft berekend dat eiser met de middelste van de voor de schatting gebruikte functies 62,60% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij zich ziekmeldde. De mate van arbeidsongeschiktheid is gelet hierop bepaald op 37,40%.
- Eiser heeft bezwaar gemaakt. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opnieuw naar de zaak van eiser gekeken. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn de beperkingen juist vastgesteld. Het UWV wijst er daarnaast op dat er door eiser geen arbeidskundige bezwaren naar voren zijn gebracht en dat zij geen onjuistheden hebben aangetroffen in de arbeidsdeskundige beoordeling. Hierop heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Wat eiser vindt
- Eiser is het niet met het UWV eens. Hij voert aan dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Volgens eiser is zijn medische situatie slechter en heeft hij meer beperkingen dan het UWV heeft aangenomen. Verder stelt eiser dat hij met zijn beperkingen de functies die het UWV geschikt vindt, niet kan verrichten. Waarover het gaat in deze zaak
- De vraag is of het UWV terecht stelt dat eiser voor 37,40% arbeidsongeschikt is. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat eiser daartegen in heeft gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om de medische toestand van eiser op 1 oktober 2020 en de vraag welke beperkingen daaruit volgen. Wat de rechtbank vindt
- Het UWV mag besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de rapporten moeten begrijpelijk zijn. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze voorwaarden voldoen. De voorwaarden waaraan de rapporten moeten voldoen
- De arts heeft het dossier en de daarin aanwezige medische informatie over eiser bestudeerd. Hij heeft eiser op het spreekuur gezien en onderzocht. Hij heeft beschreven dat eiser als gevolg van wervelkanaalstenose rugklachten heeft.
- De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt van de arts in zijn rapport van 4 juli 2021 heroverwogen. Hij heeft het dossier met daarin informatie van de behandelaars bestudeerd. Ook heeft hij eiser gesproken op de telefonische hoorzitting. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet anders te denken over de belastbaarheid dan de arts.
- Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming in bezwaar met zich brengt dat in situaties als onderhavige, waarin de medische grondslag van het primaire besluit gemotiveerd wordt betwist en waarin in de primaire fase geen sprake is geweest van een spreekuurcontact met een geregistreerde verzekeringsarts, als uitgangspunt geldt dat in de fase van bezwaar de betrokkene door een verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens een spreekuurcontact wordt gezien en onderzocht. Van een spreekuurcontact kan in zo’n situatie in beginsel slechts worden afgezien indien de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende kan motiveren dat in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie, een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft.
- De rechtbank vindt dat het medisch onderzoek in bezwaar niet zorgvuldig is verricht. Zij zal dat hierna uitleggen.
- De medische grondslag van het primaire besluit is door eiser in bezwaar betwist. In de primaire fase heeft er weliswaar een spreekuurcontact met een arts plaatsgevonden, maar niet met een verzekeringsarts. Het uitgangspunt in bezwaar is dan ook dat de betrokkene tijdens een spreekuurcontact door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt onderzocht. Daarvan kan slechts worden afgezien als de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende motiveert waarom een spreekuurcontact in het licht van de aard van de klachten en de beschikbare medische informatie geen toegevoegde waarde heeft.
- In het rapport van 10 mei 2022 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat eiser tijdens de telefonische hoorzitting zijn verhaal heeft kunnen doen en dat eiser desgevraagd aangaf dat hij alles heeft kunnen zeggen wat hij wilde zeggen. Daarnaast stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat eiser niet heeft aangegeven een fysiek spreekuurcontact met de verzekeringsarts bezwaar en beroep te willen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep geeft verder aan dat de telefonische hoorzitting, in combinatie met de aanwezige medische informatie, voldoende informatie heeft opgeleverd om de heroverweging op te baseren. Ten slotte stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het vanwege het risico om een corona-infectie op te lopen bij een fysiek spreekuur, en gelet op de gegevens verkregen bij het onderzoek, niet proportioneel zou zijn om een fysiek spreekuur te houden.
- Deze door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in beroep gegeven motivering bestaat uit een algemene onderbouwing van de beslissing om te volstaan met dossierstudie. Een specifiek op dit geval toegesneden motivering waarom een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft, ontbreekt. Op welke medische informatie de verzekeringsarts bezwaar en beroep precies doelt wordt niet beschreven. Evenmin wordt beschreven waarom deze aanwezige medische informatie met zich brengt dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. De rechtbank acht mede van belang dat het hier gaat om lichamelijke klachten die in een fysiek spreekuurcontact door de verzekeringsarts bezwaar en beroep te onderzoeken zijn. Daarbij komt dat er verschil van mening lijkt te bestaan over de ernst van de aandoening; een fysiek spreekuurcontact waarbij eiser onderzocht wordt door de verzekeringsarts bezwaar en beroep lijkt dan ook een logische stap te zijn. Dat eiser tijdens het telefonisch contact niet zelf zou hebben verzocht om een fysiek spreekuur is niet doorslaggevend. Het is aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep zelf om te beoordelen in hoeverre een spreekuurcontact toegevoegde waarde heeft. Onder deze omstandigheden is de gegeven motivering van de beslissing om te volstaan met dossierstudie niet voldoende. Wat is de conclusie van de rechtbank?
- Het beroep is gegrond, omdat het medisch onderzoek niet zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen.
- Omdat het medisch onderzoek in bezwaar (en mogelijk daarna ook het arbeidskundig onderzoek in bezwaar) opnieuw zal moeten worden gedaan, zal de rechtbank hier geen zogeheten bestuurlijke lus toepassen. Dat betekent dat de rechtbank het UWV zal opdragen om binnen tien weken na de datum van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij eiser in beginsel op het spreekuur dient te worden onderzocht door een geregistreerde verzekeringsarts bezwaar en beroep. Aan de bespreking van de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe.
- Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht dat eiser heeft betaald aan hem vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding voor de proceskosten die hij in beroep heeft gemaakt. Het UWV moet deze betalen. De vergoeding wordt als volgt berekend. Voor de bijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en krijgt daarvoor een vergoeding van €759,-. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt het UWV op om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en dan met name onder “wat is de conclusie van de rechtbank”; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van €49,- dat eiser heeft betaald moet vergoeden; - veroordeelt het UWV tot betaling van €759,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 21 juli 2022 door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J. Kroon, griffier. griffier rechter De uitspraak is verzonden op en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl. Als u het niet eens bent met deze uitspraak Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. De primaire beoordeling is gedaan door een arts en getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts. Zie de uitspraak van de CRvB van 23 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1491.