Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/996605-15 (ontneming) Datum uitspraak: 1 februari 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, op de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen de veroordeelde: [naam veroordeelde] , geboren op [geboortedatum veroordeelde] te [geboorteplaats veroordeelde] ( [geboorteland veroordeelde] ), ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres veroordeelde] , [postcode veroordeelde] [woonplaats veroordeelde] , raadsvrouw mr. A.B.M. Nohl, advocaat te ’s-Gravenhage. 1.Onderzoek op de terechtzitting Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 december 2021. 2.Vordering De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 25 januari 2021 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en tot oplegging aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel. Bij de conclusie van eis heeft de officier van justitie het geschatte voordeel vastgesteld op € 179.208,90. 3.Standpunt verdediging De verdediging heeft primair aangevoerd dat de veroordeelde geen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er voldoende argumenten zijn voor het standpunt dat de veroordeelde in de toekomst niet zal beschikken over voldoende draagkracht en verzoekt zij de betalingsverplichting op nihil vast te stellen. 4.Strafbare feiten waarop de voordeelberekening is gebaseerd Bij vonnis van deze rechtbank van 28 januari 2020 (hierna: het vonnis) is de veroordeelde veroordeeld ter zake van de volgende feiten: Feit 1 (primair): feitelijke leiding geven aan het door een tweetal rechtspersonen meermalen plegen van valsheid in geschrift; Feit 2: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd; en in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking of tegemoetkoming. Een kopie van dit vonnis is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis. In deze procedure wordt daarom als vaststaand aangenomen dat deze feiten door de veroordeelde zijn begaan. 5.Beoordeling Vast staat dat de veroordeelde feitelijke leiding heeft gegeven aan valsheid in geschrift, gepleegd door twee rechtspersonen, te weten uitzendbureaus. De medewerkers van deze uitzendbureaus werden uitgeleend aan bedrijven. Aan deze bedrijven werden de gewerkte uren gedeclareerd tegen een overeengekomen uurtarief. Aan een aantal medewerkers van de uitzendbureaus werd contant een vast uurloon uitbetaald, dat lager was dan het gedeclareerde uurloon. Deze medewerkers tekenden een blanco kwitantie, waarop later het gedeclareerde uurloon werd ingevuld. Het verschil tussen het gedeclareerde uurloon en het daadwerkelijk uitbetaalde uurloon is contant door de veroordeelde gehouden. Over het bij de bedrijven gedeclareerde (hogere) uurloon werden wel alle wettelijk vereiste heffingen afgedragen. Vast staat ook dat de valsheden waarvoor de veroordeelde is veroordeeld geen wederrechtelijk voordeel hebben gegenereerd. Dan nog kan in deze zaak sprake zijn van wederrechtelijk verkregen voordeel indien aannemelijk is dat andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (artikel 36e, derde lid, Sr). De veroordeelde heeft geen verklaring omtrent de herkomst van de gelden afgelegd. Hij heeft slechts ontkend schuldig te zijn. De officier van justitie heeft zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat de gelden zijn verworven door verduistering, omdat de gelden toebehoren aan de beide rechtspersonen en de veroordeelde zich deze gelden wederrechtelijk heeft toegeëigend door deze aan de rechtspersonen te onttrekken. In elk geval zijn de gelden niet verworven door fiscale delicten, aldus de officier van justitie. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 74 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (hierna: AWR) is artikel 36e Sr niet van toepassing op bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. De rechtbank zal zich moeten buigen over de vraag of artikel 74 AWR van toepassing is in het geval (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.