Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/108093-21 Datum uitspraak: 2 februari 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte] geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] , raadsman mr. E. Kaya, advocaat te Rotterdam. 1.Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 januari 2022. 2.Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdachte wordt verweten dat hij geprobeerd heeft [naam slachtoffer] (hierna: aangever) al dan niet met voorbedachte raad van het leven te beroven, dan wel dat hij hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht dan wel hiertoe een poging heeft gedaan dan wel dat hij hem heeft mishandeld. Ook zou hij een ruit van de deur van de woning van aangever kapot hebben gemaakt. 3.Eis officier van justitie De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd: bewezenverklaring van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 ten laste gelegde vernieling; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarde een contactverbod ten aanzien van aangever . 4.Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering feit 1 4.1.1. Standpunt verdediging Van (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte op het doden van de aangever is geen sprake, wat moet leiden tot vrijspraak van de poging tot doodslag. De raadsman voert daartoe aan dat de aangever niet in vitale lichaamsdelen is gestoken, zodat niet kan worden aangenomen dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. 4.1.2. Beoordeling rechtbank Feitelijk gebeuren De aangever heeft verklaard dat de verdachte doordraaide, een mes met een lemmet van ongeveer 30 centimeter heeft gepakt en daarmee met een soort van aanloop op hem is afgelopen. De verdachte had het mes boven zijn hoofd vast en stak daarmee op de aangever in. De aangever weerde hem af en voelde dat hij werd geraakt in de linker bovenarm, waarbij hij meteen een diepe wond opmerkte, die hevig bloedde. De aangever is daarna in zijn linker knie geraakt. Uiteindelijk heeft de aangever de verdachte onder controle gekregen en het mes van hem afgepakt. De politie die ter plaatse is gekomen, heeft een bebloed mes aangetroffen waarvan de punt was afgebroken. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij dit mes herkende als een mes uit zijn keuken. De aangever is naar het ziekenhuis gebracht waarbij een wond aan de binnenzijde van zijn linker bovenarm en een wond in zijn linkerknie zijn gehecht. De verklaring van de aangever vindt steun in de verklaring van een getuige die aangever en een opgefokte jongeman in de tuin van haar buurman, de aangever, zag. Ook heeft zij de aangever meerdere keren ‘rustig’ horen roepen. Ook getuige [naam getuige] heeft verklaard over dit roepen van ‘hou je rustig’. Dit ondersteunt de verklaring van aangever dat de agressie vanuit de verdachte kwam en dat hij de aangever klaarblijkelijk belaagde. Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de verdachte stekende bewegingen heeft gemaakt met een mes beginnend boven zijn hoofd en bewegend naar het lichaam van de aangever. Uit het feit dat de aangever aan de binnenzijde van zijn linker bovenarm is geraakt toen hij de aanval van de verdachte afweerde, leidt de rechtbank af dat de aangever zijn arm opgeheven had en de verdachte bewegingen maakt in de richting van het hoofd/bovenlichaam van de aangever. (Voorwaardelijk) opzet op de dood? Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de verdachte de aangever wilde doden. Mogelijk is er wel sprake van voorwaardelijk opzet op de dood doordat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood van de aangever zou kunnen leiden. Voor de beantwoording van de vraag of er een aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft bestaan, is van belang in welke richting van het lichaam is gestoken, waarmee is gestoken en hoe is gestoken. De verdachte heeft met een mes met van ongeveer 26cm lang, van korte afstand, bovenhands steekbewegingen richting aangever gemaakt, waarbij aangever is geraakt aan de binnenzijde van zijn linker bovenarm toen hij verdachtes steken afweerde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd/bovenlichaam een kwetsbaar onderdeel van het lichaam is en dat het steken met een fors mes in die richting een aanmerkelijke kans op de dood oplevert. Van belang is daarbij ook nog dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht was op het toebrengen van dodelijk letsel bij aangever, dat reeds hieruit volgt dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Slechts door het afweren van aangever heeft de verdachte de aangever niet dodelijk verwond. Het standpunt van de raadsman dat voorwaardelijk opzet op de dood niet kan worden bewezen, wordt op grond van het voorgaande dan ook verworpen door de rechtbank. 4.1.4 Conclusie Het verweer wordt verworpen. Wettig en overtuigend bewezen is de primair ten laste gelegde poging tot doodslag. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, primair, en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1 hij op 19 april 2021 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, een of met een mes, in de knie en/of de linker bovenarm, van voornoemde [naam slachtoffer] heeft gestoken en in de richting van het hoofd en/of het bovenlichaam van voornoemde [naam slachtoffer] heeft gestoken terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 hij op 19 april 2021 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit die aan [naam slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5.Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: ten aanzien van feit 1: poging tot doodslag; ten aanzien van feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6.Strafbaarheid verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is dus strafbaar. 7.Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft, onder invloed van alcohol met een mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van het hoofd/bovenlichaam van de aangever. De aangever had veel bloed verloren en bleek wonden aan zijn linker bovenarm en knie te hebben, waarvoor hij in het ziekenhuis op de spoedeisende hulp is behandeld. Doordat de aangever er in slaagde de aanval van de verdachte af te weren en tijdig (medische) hulp in heeft kunnen schakelen, is het bij een poging gebleven. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de aangever, ook heeft hij algemene gevoelens van onveiligheid versterkt. Uit de verklaring van de aangever ter zitting volgt dat hij – mede doordat het lichamelijke herstel moeizaam is verlopen en hij meermalen in het ziekenhuis opgenomen moest worden – nog dagelijks hinder ondervindt van de gevolgen van het zeer agressieve handelen van de verdachte, waarbij hij op zijn eigen erf door de verdachte zonder duidelijke reden is aangevallen. Daarbij moet het voor de aangever onbevredigend zijn dat verdachte geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn handelen. Daarnaast heeft verdachte ook de ruiten van de woning van de verdachte kapotgemaakt toen de verdachte zijn woning was ingevlucht. Ook hierdoor heeft de aangever schade geleden. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 20 december 2021, waaruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.2. Rapportage en voortgangsverslag Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 juli 2021. Reclassering Nederland stelt in haar rapport dat de verdachte een verklaring voor zijn handelen zoekt in externe factoren. Hierdoor ziet Reclassering Nederland geen concrete aanknopingspunten voor een begeleidings- of behandelcontact en zij adviseert om die reden bij een veroordeling geen bijzondere voorwaarden op te leggen bij een voorwaardelijk strafdeel. Daar komt bij dat de verdachte een beperkte beheersing heeft van de Nederlandse taal en dit de uitvoering van een eventueel begeleidingscontact verder bemoeilijkt. Reclassering Nederland heeft ook een voortgangsverslag opgemaakt, gedateerd 17 januari 2022. Hierin staat dat drie meldplichtgesprekken zijn gevoerd met de verdachte, waarin hij onder meer heeft verklaard voor een periode van negen maanden abstinent te zijn van verdovende middelen en alcohol. Tijdens de korte toezichtperiode zijn er bij Reclassering Nederland geen signalen geweest die haar hebben doen twijfelen aan deze verklaring van verdachte. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gezien de ernst van de feiten kan daarop niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Als forse stok achter de deur om de verdachte in de toekomst te weerhouden van soortgelijke feiten, zal de rechtbank aan verdachte een deel van de voorgenomen straf in voorwaardelijke vorm opleggen. De rechtbank ziet aanleiding, zoals door de officier van justitie is geëist, een contactverbod met de aangever als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke strafdeel te verbinden. De rechtbank zal – gezien het advies van de Reclassering Nederland – geen andere bijzondere voorwaarden opleggen. Daarbij is meegewogen dat de verdachte heeft verteld negen maanden abstinent te zijn van alcohol en er geen signalen zijn daaraan te twijfelen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. 8.Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel De aangever heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert primair een schadevergoeding van € 69.724,57, bestaande uit een bedrag van € 49.724,57 wegens materiële schade en een bedrag van € 20.000,- wegens immateriële schade. Subsidiair vordert de benadeelde partij een schadevergoeding van € 61.439,62, bestaande uit een bedrag van € 41.439,62 wegens materiële schade en een bedrag van € 20.000,- wegens immateriële schade. Tevens vordert zij de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 8.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 69.724,57, bestaande uit een bedrag van € 49.724,57 wegens materiële schade en een bedrag van € 20.000,- wegens immateriële schade. 8.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadeposten ‘kleding’, ‘deuren’, ‘schade woning’, ‘mantelzorg’ ‘huishoudelijke hulp’ en ‘verlies aan verdienvermogen’ onvoldoende zijn onderbouwd en dat de benadeelde partij voor dat gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Wat betreft de schadeposten ‘eigen risico’, ‘medicijnen’, ‘ziekenhuisdaggeldvergoeding’ en ‘reiskosten’ heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor de gevorderde immateriële schade heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in dat deel van zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hiertoe wordt gesteld dat de bij de vordering gevoegde uitspraken niet vergelijkbaar zijn met onderhavige zaak. De verdediging verzoekt dan ook om deze uitspraken niet als uitgangspunt te nemen bij de bepaling van de immateriële schade. Tenslotte ontbreekt een diagnose van een psycholoog of psychiater. 8.3. Beoordeling Materiele schade Het verzoek, voor zover betreffend de geleden materiele schade, is opgebouwd uit de volgende posten: Kleding (€ 352,-) Schade woning (in totaal € 1.060,-) Eigen risico 2021 (€ 385,-) Eigen risico 2022 (€ 385,-) Medicatie (€ 35,-) Ziekenhuisdaggeldvergoeding (€ 403,-) Huishoudelijke hulp (€ 1.911) Mantelzorg (€ 1.820,-) Verlies aan verdienvermogen (in totaal € 43.234,42) Reiskosten (in totaal € 139,15) De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade voor wat betreft de posten c),
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.