← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:6768

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 9477595 CV EXPL 21-32705 datum uitspraak: 12 augustus 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiseres], m.h.o.d.n. [handelsnaam], vestigingsplaats: [vestigingsplaats eiseres], eiseres, gemachtigden: gerechtsdeurwaarders A. Niekus en mr. E. Krom, tegen [gedaagde] , woonplaats: [woonplaats gedaagde], gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

  1. De procedure 1.
  2. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 28 september 2021, met bijlagen; de aantekeningen van het mondelinge antwoord van [gedaagde]; de repliek, met bijlagen; de schriftelijke reactie van [gedaagde], met een ingevoegde bijlage; de rolbeslissing van 20 mei 2022; de akte van [eiseres]. 1.
  3. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te reageren op de akte van [eiseres], maar zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt.
  4. De feiten 2.
  5. [gedaagde] heeft met ingang van 19 augustus 2020 een verzekeringsovereenkomst gesloten met [eiseres], ten behoeve van haar bromfiets. Partijen zijn daarbij een verzekeringspremie van € 32,32 per maand overeengekomen. 2.
  6. Bij de online aanvraag van de verzekering heeft [gedaagde] vermeld dat haar geboortedatum 18 september 1969 is. Op 8 oktober 2020 heeft de moeder van [gedaagde] telefonisch contact opgenomen met [eiseres]. Zij heeft aangegeven dat de vermelde geboortedatum onjuist is en dat dit 19 augustus 2001 moet zijn. [eiseres] heeft daarop meegedeeld dat de premie door die wijziging zou worden verhoogd naar € 90,65 per maand. [gedaagde] heeft vervolgens de verzekeringsovereenkomst per direct opgezegd. 2.
  7. [eiseres] heeft een factuur d.d. 8 oktober 2020 van € 116,67 aan [gedaagde] gestuurd in verband met de verhoogde premie over de periode 19 augustus 2020 tot en met 18 oktober
  8. Deze factuur is door [gedaagde] niet betaald. 2.
  9. Omdat [gedaagde] de verzekering 10 dagen voor het einde van de lopende maand heeft beëindigd heeft [eiseres] berekend dat [gedaagde] nog € 30,21 tegoed heeft. Zij heeft [gedaagde] hier een creditnota van 8 oktober 2020 over gestuurd, waarin zij meldt: “Heeft u nog een bedrag van ons tegoed? Dan ontvangt u dit binnen twee weken op rekeningnummer [bankrekeningnummer].”
  10. Het geschil 3.
  11. [eiseres] eist samengevat: [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 116,67 aan hoofdsom, met rente, en € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  12. [eiseres] baseert de eis op het volgende. [gedaagde] heeft bij de aanvraag van de verzekering een onjuiste geboortedatum doorgegeven. Toen de juiste geboortedatum bekend was heeft [eiseres] de premie verhoogd. Voor de verzekeringsperiode 19 augustus 2020 tot en met 8 oktober 2020 is [gedaagde] daarom nog een premie verschuldigd van € 86,46, namelijk het factuurbedrag van € 116,67 (2.3) min € 30,21 gezien de voortijdige beëindiging (2.4). Dat bedrag moet zij alsnog betalen. [eiseres] heeft daarnaast het bedrag van € 30,21 aan [gedaagde] betaald, omdat zij in de veronderstelling was dat [gedaagde] de premie tot en met 18 oktober 2020 had betaald. Dat was echter niet het geval. Het bedrag van € 30,21 is dus onverschuldigd betaald. [gedaagde] moet daarom dat bedrag terugbetalen. Omdat [gedaagde] ondanks aanmaningen niet tot betaling is overgegaan moeten de rente en (buiten)gerechtelijke kosten voor haar rekening komen. 3.
  13. [gedaagde] is het niet eens met de eis en verzoekt (in haar schriftelijke reactie) om geen van de vorderingen toe te wijzen, omdat ze nooit heeft vernomen dat zij nog geld verschuldigd is aan [eiseres] en omdat zij het bedrag van € 30,21 niet heeft ontvangen.
  14. De beoordeling Herberekening premie 4.
  15. [eiseres] vordert ten eerste een bedrag van € 86,46 aan achterstallige premie. Het uitgangspunt in dit kader is dat partijen een premie van € 32,32 per maand zijn overeengekomen. [eiseres] had moeten stellen en onderbouwen dat zij op 8 oktober 2020, naar aanleiding van de bijgestelde geboortedatum, met terugwerkende kracht een hogere premie met [gedaagde] is overeengekomen. Zij heeft in dat kader slechts gesteld dat een medewerker heeft ‘meegedeeld dat de premie door deze wijziging zou worden verhoogd’ (randnummer 4 repliek) en dat zij ‘de verzekeringsvoorwaarden en de premie direct gewijzigd heeft’ (randnummer 6 repliek). [eiseres] is in beginsel echter niet gerechtigd om de premie eenzijdig te verhogen, laat staan met terugwerkende kracht. Een overeenkomst komt namelijk tot stand door aanbod en aanvaarding (artikel 6:217 BW). Nergens is uit gebleken dat [gedaagde] heeft ingestemd met een hogere premie met terugwerkende kracht. Ook is niet gesteld of gebleken dat in de polisvoorwaarden een bepaling is opgenomen die [eiseres] recht geeft op eenzijdige verhoging, bij vermelding van onjuiste gegevens. 4.
  16. Verder overweegt de kantonrechter dat uit artikel 7:929 e.v. BW volgt dat een verzekeraar voldoende andere maatregelen kan nemen wanneer voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst onjuiste gegevens zijn verstrekt. Zo kan de verzekeraar overgaan tot opzegging of het (geheel of gedeeltelijk) beperken van het recht op uitkering van verzekeringsgelden. Echter volgt uit deze bepalingen evenmin een recht om de premie met terugwerkende kracht te verhogen. 4.
  17. Kortom, nergens is uit gebleken dat partijen een premieverhoging met terugwerkende kracht zijn overeengekomen, of dat [eiseres] eenzijdig gerechtigd is tot bijstelling. [eiseres] heeft daardoor haar vordering ter zake van de achterstallige premie onvoldoende onderbouwd, zodat die wordt afgewezen. Onverschuldigde betaling 4.
  18. [eiseres] maakt verder aanspraak op een bedrag van € 30,
  19. Zij stelt dat zij dit bedrag onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde]. Uit de wet volgt dat wanneer iemand een bedrag aan een ander betaalt, zonder dat daarvoor een rechtsgrond (reden) is, diegene gerechtigd is om dat bedrag terug te vorderen (art. 6:203 BW). 4.
  20. Allereerst moet worden vastgesteld of [eiseres] een bedrag van € 30,21 aan [gedaagde] heeft betaald, aangezien [gedaagde] dit betwist. [eiseres] heeft in dat kader de brief van 8 oktober 2020 overgelegd, waarin wordt aangekondigd dat het bedrag binnen twee weken zal worden gestort op [bankrekeningnummer] (2.4). Als bijlage 2 bij repliek heeft zij een bewijs overgelegd waaruit volgt dat het bedrag van € 30,21 op 12 oktober 2020 is overgeschreven naar dat rekeningnummer. [eiseres] heeft daarmee haar standpunt voldoende onderbouwd. Bij haar schriftelijke verweer heeft [gedaagde] betwist dat dit bedrag naar haar is overgeschreven en ze heeft ter ondersteuning daarvan een screenshot van een betaalapplicatie overgelegd. In reactie daarop heeft [eiseres] gesteld dat dit vermoedelijk een screenshot van een ander rekeningnummer betreft, dan het rekeningnummer dat is doorgegeven aan [eiseres]. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren, maar dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat zij deze nadere onderbouwing niet betwist. Hierdoor staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat [eiseres] € 30,21 aan [gedaagde] heeft betaald. 4.
  21. Vervolgens moet worden beoordeeld of [eiseres] een rechtsgrond had om dit bedrag aan [gedaagde] te betalen. Zoals hiervoor is geoordeeld moet ervan worden uitgegaan dat partijen een maandpremie van € 32,32 waren overeengekomen. Er is geen discussie over dat [gedaagde] deze premie had betaald over de periode 19 september 2020 tot en met 18 oktober
  22. De verzekering is tien dagen voor het einde van deze betaalperiode geëindigd, namelijk op 8 oktober
  23. Om die reden bestond er een rechtsgrond voor [eiseres] om een derde van de betaalde premie terug te betalen dus een bedrag van € 10,
  24. Voor het overige is niet gebleken dat er een rechtsgrond was voor [eiseres] om dit bedrag aan [gedaagde] te betalen. De terugbetaling van € 30,21 was namelijk gebaseerd op de foutieve veronderstelling dat [gedaagde] een premie van € 90,65 had betaald. Aangezien er dus geen reden voor [eiseres] was om meer dan € 10,77 aan [gedaagde] te betalen, moet [gedaagde] op grond van de wet het restant van € 19,44 terugbetalen. Rente 4.
  25. De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf het moment dat [gedaagde] in verzuim verkeert (art. 6:119 BW). [eiseres] heeft [gedaagde] voorafgaand aan deze procedure niet deugdelijk in gebreke gesteld. Zij heeft namelijk slechts aanspraak gemaakt op achterstallige premie en niet op een onverschuldigd betaald bedrag. Pas voor het eerst in de conclusie van repliek heeft [eiseres] haar vordering in dit opzicht deugdelijk onderbouwd. Daarom wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van de conclusie van repliek, 23 februari
  26. buitengerechtelijke incassokosten en rente 4.
  27. De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat [gedaagde] door [eiseres] nooit is aangemaand tot betaling van het toewijsbare bedrag. De vraag of [gedaagde] de aanmaningen heeft ontvangen kan daarom buiten beschouwing blijven. proceskosten 4.
  28. Aangezien beide partijen voor een deel in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen. uitvoerbaarheid bij voorraad 4.
  29. Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
  30. De beslissing De kantonrechter: 5.
  31. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 19,44 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 23 februari 2022 tot de dag van volledige betaling; 5.
  32. compenseert de proceskosten, in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen; 5.
  33. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken. 33394

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.