RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 9549180 \ CV EXPL 21-38436 datum uitspraak: 22 juli 2022 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , die handelt onder de naam [handelsnaam 1], woonplaats: [woonplaats eiser], eiser, gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink, tegen [gedaagde] , die handelt onder de naam [handelsnaam 2], woonplaats: [woonplaats gedaagde], gedaagde, gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.. De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
- De procedure 1.
- Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen: het exploot van dagvaarding van 9 november 2021, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; de separaat ingediende producties van [eiser]; de separaat ingediende producties van [gedaagde]; het tussenvonnis van 24 januari 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald. 1.
- De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei
- [eiser] heeft deelgenomen via MS Teams, bijgestaan door mr. P. Hertroijs als gemachtigde. Zijdens [gedaagde] heeft mr. J.I. Jansen als gemachtigde deelgenomen via een telefoonverbinding. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
- De feiten 2.
- [eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] arbeidskrachten ter beschikking gesteld voor het uitvoeren van werkzaamheden op een tennispark. 2.
- Ten aanzien van deze werkzaamheden heeft [eiser] aan [gedaagde] op 6 juni 2021 en op 14 juni 2021 facturen gestuurd ten bedrage van respectievelijk € 3.626,06 en € 6.348,
- 2.
- Op 18 juni 2021 heeft [gedaagde] een bedrag van € 6.000,00 overgemaakt naar [eiser].
- Het geschil 3.
- [eiser] eist samengevat: [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 4.613,78, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.974,35 vanaf 2 november 2021; [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover; het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
- [eiser] baseert zijn eis op het volgende. [gedaagde] is verplicht om voor het restant van de door [eiser] gefactureerde en ter beschikking gestelde arbeidskrachten te betalen en dient hiertoe op grond van artikel 3:296 lid 1 BW te worden veroordeeld. De hoofdsom bestaat uit het openstaande factuurbedrag: € 3.626,06 + € 6.348,29 - € 6.000,00 = € 3.974,
- De gevorderde buitengerechtelijke kosten bedragen € 522,44 en de reeds verschenen rente berekend tot en met 1 november 2021 bedraagt € 116,
- 3.
- [gedaagde] is het niet eens met de eis en voert het volgende aan. Partijen hebben een (afromings)afspraak gemaakt op basis waarvan [gedaagde] een bedrag van € 2.496,00 te vorderen heeft van [eiser]. De hoofdsom van [eiser] moet worden verrekend met dit bedrag.
- De beoordeling Hoofdsom 4.
- Als onbetwist staat tussen partijen vast dat [eiser] arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld aan [gedaagde] en dat [gedaagde] daar in beginsel een bedrag voor verschuldigd is. De vraag die partijen verdeeld houdt, is hoe hoog dat bedrag is. In dat kader doet [gedaagde] een beroep op verrekening, ten gevolge waarvan hij meent een lager bedrag dan door [eiser] gefactureerd aan hem verschuldigd te zijn. 4.
- Ter onderbouwing van zijn beroep op verrekening verwijst [gedaagde] naar Whatsapp-correspondentie en een drietal verklaringen, waarvan één afkomstig is van hemzelf. Uit de gevoerde correspondentie is naar het oordeel van de kantonrechter geenszins vast te stellen dat tussen partijen een afspraak tot stand is gekomen op basis waarvan [gedaagde] een vordering op [eiser] heeft die kan worden verrekend met de vordering van [eiser] op [gedaagde]. Integendeel, uit de correspondentie blijkt expliciet dat [eiser] tweemaal laat weten dat hij geen afspraak heeft gemaakt. Ook uit de overgelegde verklaringen zijn dergelijke afspraken naar het oordeel van de kantonrechter niet eenduidig af te leiden; zowel de inhoud van de gestelde afspraken als de vermeende instemming van [eiser] valt hier niet uit op te maken. Het is voor de kantonrechter zodoende niet op eenvoudige wijze vast te stellen in hoeverre het beroep op verrekening van [gedaagde] gegrond is. 4.
- Op grond van artikel 6:136 BW kan de rechter een vordering ondanks een beroep van de verweerder op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Dit leidt tot het oordeel dat de vordering tot betaling van de hoofdsom van [eiser] zal worden toegewezen, nu het beroep op verrekening het enige verweer is dat door [gedaagde] is opgeworpen en dat beroep aan die toewijzing ex artikel 6:136 BW niet in de weg staat. Buitengerechtelijke incassokosten en rente 4.
- De buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 522,44 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen. De gevorderde rente wordt eveneens toegewezen. Proceskosten 4.
- [gedaagde] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [eiser] tot vandaag vast op € 107,01 aan dagvaardingskosten, € 240,00 aan griffierecht en € 498,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten x € 249,00 tarief). Dit is totaal € 845,
- De over dit bedrag gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na heden. Uitvoerbaarheid bij voorraad 4.
- Dit vonnis wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
- De beslissing De kantonrechter: 5.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen € 4.613,78, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 3.974,35 vanaf 2 november 2021 tot de dag van volledige betaling; 5.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de kant van [eiser] tot vandaag vastgesteld op € 845,01, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na vandaag tot de dag van volledige betaling; 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en uitgesproken ter openbare terechtzitting. 48637