← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:7149

beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaakgegevens: C/10/639814 / JE RK 22-1382 datum uitspraak: 26 juli

  1. beschikking ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam, betreffende [naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2007 te [geboorteplaats kind], hierna te noemen [naam kind]. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [naam moeder], hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder], [naam vader], hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader]. Het procesverloop Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken: - het verzoek met bijlagen van de Raad van 15 juni 2022, ingekomen bij de griffie op 15 juni 2022; - een brief met bijlagen van de moeder van 26 juni 2022, ingekomen bij de griffie op 28 juni
  2. Op 20 juli 2022 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn: - de minderjarige [naam kind], die apart is gesproken, - de moeder, - de vader,- de pleegvader als informant, - een vertegenwoordigster van de Raad, te weten [naam 1], - een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam 2]. De feitenHet ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders. [naam kind] verblijft in een netwerkpleeggezin Het verzoek De Raad heeft een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een pleeggezin verzocht voor de duur van twaalf maanden. Het standpunt van belanghebbenden De Raad heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt nader toegelicht. In het verleden heeft [naam kind] op verschillende plekken gewoond. Vanaf jonge leeftijd heeft hij zijn vader moeten missen. [naam kind] heeft veel schoolverzuim laten zien en heeft last gehad van angst en depressieve gevoelens. De moeder is voor [naam kind] minder beschikbaar geweest. Sinds het verblijf van [naam kind] in het netwerkpleeggezin krijgt hij de structuur die hij nodig heeft. Daardoor gaat [naam kind] weer naar school. De moeder heeft moeite om de zorgen te (h)erkennen en vindt dat het slechter met [naam kind] gaat sinds zijn plaatsing in het netwerkpleeggezin. Ook vindt zij hulpverlening niet nodig. De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij het niet eens is met het verzoek van de Raad. Zij bestrijdt dat er bij [naam kind] sprake is geweest van depressieve gevoelens en suïcidegedachten. De vader heeft zich ter zitting niet verzet tegen het verzoek van de Raad. De pleegvader heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat [naam kind] in het netwerkpleeggezin kan blijven wonen. De beoordeling Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [naam kind] is opgegroeid zonder de aanwezigheid van zijn vader. In de periode dat [naam kind] bij zijn moeder heeft gewoond, heeft hij op veel verschillende plekken gewoon en veelvuldig schoolverzuim laten zien. Door haar persoonlijke problematiek heeft de moeder moeite om voor [naam kind] voldoende emotioneel beschikbaar en responsief te zijn. De relatie tussen hen is verstoord geraakt. Vanwege de zorgen is [naam kind] in het netwerkpleeggezin geplaatst. De moeder staat niet achter deze plaatsing en geeft [naam kind] geen emotionele toestemming om op deze plek te zijn. In het netwerkpleeggezin heeft [naam kind] stabiliteit en gaat hij weer naar school. Nu de ouders nog niet zelfstandig in staat zijn de bedreigde ontwikkeling van [naam kind] af te wenden, is op dit moment hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk. Ook is het in het belang van de ontwikkeling van [naam kind] dat de plaatsing in het netwerkpleeggezin wordt voortgezet. Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarom zal de kinderrechter [naam kind] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b BW. De beslissing De kinderrechter: stelt [naam kind] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam, met ingang van 26 juli 2022 tot 26 juli 2023; verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een netwerkpleeggezin, te weten bij mw. C.J.A. van Brummen en dhr. O. van Laanen, met ingang van 26 juli 2022 tot 26 juli 2023; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in tegenwoordigheid van D. van der Aa als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 juli
  3. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshofDen Haag.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.