vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/640947 / KG ZA 22-579 Vonnis in kort geding van 3 augustus 2022 in de zaak van [naam eiser] , wonende te [woonplaats eiser], eiser, advocaat mr. S. van Buuren te Rotterdam, tegen [naam gedaagde] , wonende te [woonplaats gedaagde], gedaagde, niet verschenen. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 11 juli 2022, met producties; de mondelinge behandeling gehouden op 19 juli 2022; het tijdens de behandeling tegen gedaagde verleende verstek; het e-mailbericht van mr. Van Buuren van 26 juli 2022. 1.2. Vonnis is bepaald op heden. 2. De feiten 2.1. Eiser is op 11 februari 2022 een geregistreerd partnerschap aangegaan met [naam 1] (hierna: [naam 1]). Samen hebben zij sinds [datum 1] een kind. 2.2. Eiser heeft met zijn ex-echtgenote, [naam 2] (hierna: [naam 2]) een dochter, geboren op [datum 2]. 2.3. [naam 1] heeft een relatie gehad met gedaagde. Uit deze relatie is een zoon geboren op [datum 3]. De relatie tussen [naam 1] en gedaagde is in 2012 beëindigd. De zoon woont bij [naam 1] en eiser. Door het geregistreerd partnerschap is eiser onderhoudsplichtig geworden voor de zoon van [naam 1] en gedaagde. 2.4. Nu eiser inmiddels onderhoudsplichtig is voor drie kinderen is hij een procedure gestart tegen [naam 2] om de door hem te betalen alimentatie voor hun dochter te verlagen. In deze procedure heeft [naam 2] zich op het standpunt gesteld dat, nu eiser geen inzage heeft gegeven in het inkomen van gedaagde, geen rekening gehouden dient te worden met de onderhoudsplicht van eiser voor de zoon van [naam 1] en gedaagde. 2.5. Eiser heeft de benodigde stukken bij gedaagde opgevraagd bij brief van 3 maart 2022. Telefonisch heeft gedaagde toegezegd de stukken aan te leveren. Deze toezegging is niet door gedaagde nagekomen. 2.6. Bij e-mailbericht van 24 juni 2022 heeft mr. Van Buuren namens eiser aan gedaagde verzocht de stukken binnen vijf dagen over te leggen. Aan dit verzoek is niet door gedaagde voldaan. 3. De vordering 3.1. Eiser vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1. gedaagde te veroordelen binnen een week na betekening van dit vonnis inzage, althans afschrift aan eiser te overleggen van de navolgende bescheiden: zijn aangifte inkomstenbelasting 2012 met de daarbij behorende aanslag, althans – als hij daarover niet beschikt – de meest oude aangifte inkomstenbelasting na 2012 met de daarbij behorende aanslag; zijn jaaropgaaf 2021; zijn salarisstroken over 2022; 2. gedaagde een dwangsom op te leggen van € 600,- per dagdeel dat hij niet aan deze verplichting voldoet; 3. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding. 3.2. Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat gedaagde op grond van artikel 843a Rv gehouden is de bescheiden aan hem af te geven. De behandeling van de onder 2.4 bedoelde procedure tot wijziging van de kinderalimentatie wordt verwacht in oktober 2022. Eiser kan om die reden niet de uitkomst van een bodemprocedure afwachten en heeft daarom een spoedeisend belang bij het gevorderde. 3.3. Op de stellingen van eiser wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4. De beoordeling 4.1. Uit het door eiser overgelegde originele exploot van de dagvaarding is gebleken dat gedaagde correct en tijdig is opgeroepen voor de zitting van 19 juli 2022. Aangezien ook de overige bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht zijn genomen is verstek verleend tegen gedaagde. 4.2. Bij e-mailbericht van 26 juli 2022 heeft mr. Van Buuren bericht dat gedaagde de gevorderde stukken onder b. en c. alsnog heeft verstrekt. Bij afgifte van die bescheiden heeft eiser daarom geen belang meer waardoor dit deel van de vordering wordt afgewezen. Ten aanzien van het resterende deel van de vorderingen wordt het volgende overwogen. 4.3. Voldoende is gebleken dat eiser een spoedeisend belang heeft bij de door hem gevorderde voorzieningen, mede gelet op de aard daarvan. 4.4. In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen naar voren is gebracht, te worden beoordeeld of de in deze zaak aannemelijk te achten omstandigheden een ordemaatregel vereisen dan wel of de vordering van eiser in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. 4.5. Artikel 843a lid 1 Rv bepaalt dat hij die daarbij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.