Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 22/3240 en ROT 22/3777 (hoofdzaak) uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 augustus 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak tussen [eiseres] , te [plaats] , verzoekster, tevens eiseres, (hierna: eiseres), gemachtigde: drs. A. Hooplot, en het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , verweerder, gemachtigde: mr. S.B.H. Fijneman. Procesverloop Bij brief van 19 mei 2022 heeft de manager Parkeervoorzieningen van het cluster Stadsbeheer het abonnement voor de gemeentelijke [parkeergarage] van eiseres per 31 juli 2022 beëindigd. Bij besluit van 9 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat zij het beroep kennelijk ongegrond acht en geen aanleiding ziet om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Daarbij zal zij uitspraak doen in zowel de voorlopige voorzieningenprocedure als de hoofdzaak, omdat de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen. De voorzieningenrechter zal dit hierna uitleggen.
- Volgens verweerder is de brief van 19 mei 2022, waarbij het abonnement voor de gemeentelijke [parkeergarage] van eiseres is beëindigd, geen bestuursrechtelijk besluit, maar een privaatrechtelijke kwestie. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat eiseres geen bezwaar kon maken tegen deze brief. Daarom heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
- In deze procedure moet de voorzieningenrechter beoordelen of verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beëindiging van haar abonnement voor de gemeentelijke [parkeergarage] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat dit geen bestuursrechtelijk besluit is.
- Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat er alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit. Onder besluit wordt verstaan: “een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.” Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen publiekrechtelijke grondslag.
- De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat het beëindigen van een abonnement voor een gemeentelijke parkeergarage een privaatrechtelijke handeling is en geen publiekrechtelijke handeling. De brief van 19 mei 2022 is dus geen bestuursrechtelijk besluit, zodat daartegen geen bezwaar kon worden gemaakt. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 19 mei 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
- Daarom is het beroep van eiseres kennelijk ongegrond en is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
- Als eiseres wil opkomen tegen de brief van 19 mei 2022 kan dit in een civielrechtelijke procedure. Verweerder heeft overigens laten weten dat, voor zover het bezwaar is op te vatten als een privaatrechtelijk schrijven, dit beantwoordt zal worden door de afdeling Parkeervoorzieningen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 29 augustus
- De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorziening, staat geen rechtsmiddel open. Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Dit is gebaseerd op de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is gebaseerd op artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Dit staat in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.