Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 21/3886 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 september 2022 in de zaak tussen [Zorgverzekeraar 1] , [Zorgverzekeraar 2] , [Zorgverzekeraar 3] , [Zorgverzekeraar 4] , eiseressen (hierna ook: [Uitvoeringsorganisatie] ), (gemachtigde: mr. T.R.M. van Helmond), en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), verweerster, (gemachtigden: mr. E.C. Pietermaat en mr. T.P.J. Burgemeester). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Vereniging NVOS-Orthobanda (NVOS), (gemachtigden: mr. D.W.L.A. Schrijvershof en mr. L. Peeters). Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseressen tegen de oplegging van bestuurlijke boeten van € 25.000 aan ieder van eiseressen wegens overtreding van de Regeling Transparantie zorginkoopproces Zvw, met kenmerk TH/NR-011 (de Regeling). Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit van 27 augustus 2020 (het primaire besluit) tot boeteoplegging. NVOS heeft bezwaar gemaakt omdat zij de boetebedragen te laag vond. Met het bestreden besluit van 2 juni 2021 heeft de NZa de boeteoplegging gehandhaafd. De NZa heeft een verweerschrift ingediend. NVOS heeft een schriftelijke zienswijze ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , [naam] , [naam] , , [naam] , [naam] en [naam] namens [Uitvoeringsorganisatie] , de gemachtigden van de NZa en mr. L. Peeters namens NVOS. Wettelijk kader en voorgeschiedenis 1. De bijlage bij deze uitspraak bevat het wettelijk kader en het beleid van de NZa. 2. Coöperatie [Uitvoeringsorganisatie] UA voert de zorgverzekering uit voor verschillende verzekeraars, waaronder eiseressen. Naar aanleiding van een melding van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (KNMT), een handhavingsverzoek van NVOS en een handhavingsverzoek van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) over het inkoopproces voor 2020 van respectievelijk mondzorg, orthesen en beenprothesen (hulpmiddelen) en farmaceutische zorg van [Uitvoeringsorganisatie] is de NZa een onderzoek gestart. Het onderzoek strekte ertoe te beoordelen of [Uitvoeringsorganisatie] tijdens het inkoopproces van mondzorg, hulpmiddelen en farmaceutische zorg de Regeling heeft overtreden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het ‘Toezichtrapport inzake overtreding Regeling TH/NR-011 Transparantie zorginkoopproces Zvw’ (het rapport) van 16 april 2020. 3.1. De NZa heeft het volgende vastgesteld en aan de besluitvorming ten grondslag gelegd. 3.2. Het Inkoopbeleid Mondzorg is gepubliceerd op de website van [Uitvoeringsorganisatie] , [website] (de website). In dit inkoopbeleid is de volgende tabel met het verloop van het zorginkoopproces mondzorg opgenomen: Uit deze tabel is af te lezen dat de conceptovereenkomsten Tandprothetische zorg, Angst, sedatie en narcose, en Jeugdtandverzorging op 1 juli 2019 worden gepubliceerd. [Uitvoeringsorganisatie] heeft de conceptovereenkomsten echter pas op 11 juli 2019 per e-mail aan de brancheorganisaties gestuurd en op 18 juli 2019 op de website gepubliceerd. [Uitvoeringsorganisatie] heeft de conceptovereenkomsten dus op een later moment gepubliceerd dan in het zorginkoopbeleid was vermeld, zonder dit tijdig en op de juiste wijze bekend te maken. Daarmee heeft [Uitvoeringsorganisatie] artikel 7, eerste en tweede lid, van de Regeling overtreden. 3.3. Het Inkoopbeleid Hulpmiddelen 2020 is gepubliceerd op de website. Hierin is de volgende planning opgenomen voor Orthesen en Beenprothese: [Uitvoeringsorganisatie] heeft op respectievelijk 15 en 16 juli 2019 overeenkomsten voor beenprothesen en orthesen aangeboden. In de aanbiedingsbrieven bij deze overeenkomsten aan alle zorgaanbieders heeft [Uitvoeringsorganisatie] opgenomen dat zij de reactietermijn van vier weken die wordt genoemd in het inkoopbeleid verlengt tot 1 oktober 2019. [Uitvoeringsorganisatie] heeft aldus de tekentermijn zoals die is opgenomen in haar Inkoopbeleid Hulpmiddelen 2020 gewijzigd, nu daarin een tekentermijn van uiterlijk vier weken ná het aanbod van [Uitvoeringsorganisatie] staat vermeld, wat in dit geval neerkomt op respectievelijk uiterlijk 12 en 13 augustus 2019. [Uitvoeringsorganisatie] heeft in de aanbiedingsbrief bij de overeenkomst de datum om deze getekend te retourneren gewijzigd in 1 oktober 2019. [Uitvoeringsorganisatie] heeft de tekentermijn daarmee gewijzigd zonder deze wijziging tijdig en gemotiveerd bekend te maken op dezelfde wijze waarop de oorspronkelijke bekendmaking heeft plaatsgevonden, namelijk op de website van [Uitvoeringsorganisatie] . Daarmee heeft [Uitvoeringsorganisatie] artikel 7, eerste en tweede lid, van de Regeling overtreden. 3.4. Het Inkoopbeleid Extramurale Farmaceutische zorg 2020 is gepubliceerd op de website van [Uitvoeringsorganisatie] . Hierin is het volgende opgenomen: [Uitvoeringsorganisatie] heeft op 16 september 2019 de overeenkomsten aangeboden conform het gepubliceerde beleid. Elke overeenkomst bestond uit een Basisovereenkomst Farmaceutische zorg en een bijlage Tarieven Farmaceutische Zorg 2020. Daarbij ontving iedere individuele apotheek een nadere onderbouwing van het apotheekprofiel, dat bepalend is voor de hoogte van het tarief. Het apotheekprofiel is onder andere afhankelijk van de patiëntervaringen. Apotheken worden geacht een meetbureau in te schakelen om deze patiëntervaringen te meten. Bij e-mail van 11 oktober 2019 heeft [Uitvoeringsorganisatie] alle apotheken die op 16 september 2019 een overeenkomst is aangeboden op de hoogte gesteld van de situatie dat de metingen die gedaan zijn door meetbureau [naam] onjuist zijn doorgegeven, waardoor de benchmark onjuist is. Daarbij is aangegeven dat de apotheekprofielen opnieuw zullen worden berekend en zodra het apotheekprofiel bekend is, zij hierover worden geïnformeerd via de mail. Indien het apotheekprofiel verandert, krijgt de betreffende apotheek een ongewijzigde Basisovereenkomst met een gewijzigde bijlage met tarieven aangeboden. In dat geval wordt de mogelijkheid om de overeenkomst te ondertekenen verlengd. Bij e-mail van 16 oktober 2019 heeft [Uitvoeringsorganisatie] zorgaanbieders waarvan de bijlage bij de overeenkomst is gewijzigd, bericht dat de tekentermijn wordt verlengd tot uiterlijk 1 november 2019. Op 17 oktober 2019 heeft [Uitvoeringsorganisatie] een bericht geplaatst in de maandelijkse nieuwsbrief Farmacie dat de apotheekprofielen zijn herberekend vanwege een fout in de eerder gebruikte benchmark. Op 21 oktober 2019 is eenzelfde bericht op de website van [Uitvoeringsorganisatie] geplaatst en is aangegeven dat de apotheken die het betreft zijn geïnformeerd over de consequenties. [Uitvoeringsorganisatie] heeft hiermee de tekentermijn gewijzigd. Door deze wijziging van het zorginkoopbeleid en de procedure van de zorginkoop niet tijdig en gemotiveerd bekend te maken op dezelfde wijze waarop de oorspronkelijke bekendmaking van deze datum van publicatie heeft plaatsgevonden, namelijk op haar website, heeft [Uitvoeringsorganisatie] artikel 7, eerste en tweede lid, van de Regeling overtreden. 4. Nadat eiseressen een zienswijze hebben ingediend, heeft de NZa het primaire besluit genomen waarbij de NZa aan eiseressen ieder een bestuurlijke boete van € 25.000 heeft opgelegd. Bij dit besluit is de NZa tot de conclusie gekomen dat eiseressen driemaal artikel 7 van de Regeling hebben overtreden door: het op 11 en/of 18 juli 2019 wijzigen van het zorginkoopbeleid en de procedure van de inkoop van mondzorg zonder deze wijziging tijdig en gemotiveerd bekend te maken op dezelfde wijze waarop de oorspronkelijke bekendmaking van deze informatie heeft plaatsgevonden; het op 15 en 16 juli 2019 wijzigen van het zorginkoopbeleid en de procedure van de inkoop van respectievelijk orthesen en beenprothesen (hulpmiddelen) zonder deze wijziging tijdig en gemotiveerd bekend te maken op dezelfde wijze waarop de oorspronkelijke bekendmaking van deze informatie heeft plaatsgevonden; het op 16, 17 en/of 21 oktober 2019 wijzigen van het zorginkoopbeleid en de procedure van de inkoop van farmaceutische zorg zonder deze wijziging tijdig en gemotiveerd bekend te maken op dezelfde wijze waarop de oorspronkelijke bekendmaking van deze informatie heeft plaatsgevonden. De boetebedragen heeft de NZa vastgesteld aan de hand van haar Beleidsregel Bestuurlijke boete wet marktordening gezondheidszorg 2018 (AL/BR-0050; de Beleidsregel), waarbij de NZa tot een verdergaande matiging is overgegaan van de uiteindelijke boetebedragen. Bij het bestreden besluit heeft de NZa de boetes gehandhaafd. Beroepsgronden 5.1. [Uitvoeringsorganisatie] betoogt dat geen sprake is van een of meer beboetbare overtredingen. [Uitvoeringsorganisatie] voert daarbij aan dat artikel 7 van de Regeling, zoals dat tot 1 januari 2022 luidde, niet voor alle wijzigingen geldt maar dat onderscheid moet worden gemaakt tussen inhoudelijke beleidswijzigingen en processuele wijzigingen. Enkel wanneer een wijziging werd aangebracht in zowel het zorginkoopbeleid als de procedure van de zorginkoop moest dit conform artikel 7 bekend worden gemaakt. Voor wijzigingen die louter op de procedure zien hoefde dit dus niet. Subsidiair voert [Uitvoeringsorganisatie] aan dat de eisen die artikel 7 van de Regeling daaraan (volgens de NZa) verbindt niet evenredig zijn en daarom niet van toepassing zouden (moeten) zijn indien zij niet, of zeer beperkt, bijdragen aan de inzichtelijkheid van het zorginkoopproces, of indien de transparantie op andere wijze wordt gewaarborgd. [Uitvoeringsorganisatie] meent dat de aard en invloed van de wijziging meegenomen dienen te worden bij de beoordeling of artikel 7 van de Regeling is geschonden. [Uitvoeringsorganisatie] meent niet dat wijzigingen in het geheel niet bekend gemaakt hoeven worden, maar meent dat een motivering waarom iets wordt gewijzigd niet vereist is in het geval de wijziging in het voordeel van de zorgaanbieders is. In dat kader benadrukt [Uitvoeringsorganisatie] dat de NZa en [Uitvoeringsorganisatie] het met elkaar eens zijn dat de wijzigingen als zodanig zonder meer toelaatbaar zijn. [Uitvoeringsorganisatie] heeft toegelicht dat het hier gaat om de volgende wijzigingen: - mondzorg: een beperkte wijziging van een termijn voor de publicatie van conceptovereenkomsten, waarvan publicatie in het geheel niet vereist is op grond van de Regeling maar slechts bedoeld was om zorgaanbieders in de gelegenheid te stellen te reageren op de conceptovereenkomsten; - hulpmiddelen: het verlengen van een termijn in het voordeel van de zorgaanbieders van vier naar circa elf weken in verband met de zomerperiode, waarbij het de zorgaanbieders volledig vrij stond de overeenkomst alsnog binnen de initiële termijn van vier weken te retourneren; - farmaceutische zorg: het herstellen van een fout ten aanzien van het door [Uitvoeringsorganisatie] aangeboden tarief in de bijlage bij een beperkt aantal overeenkomsten en het in verband daarmee verlengen van de tekentermijn voor die aanbieders die deze wijziging betrof. Deze wijzigingen zouden volgens [Uitvoeringsorganisatie] niet, althans niet zo onevenredig, gesanctioneerd moeten worden. 5.2. [Uitvoeringsorganisatie] heeft voorts gronden ingediend tegen de inzet van het boete-instrument en de hoogte van de boetebedragen. Volgens [Uitvoeringsorganisatie] had de NZa met betrekking tot de zorginkoop voor farmacie moeten volstaan met een waarschuwing. De eerdere waarschuwingen zagen op het zorginkoopproces voor mondzorg en hulpmiddelen in 2019 en gelden niet voor het zorginkoopproces farmacie. Volgens [Uitvoeringsorganisatie] heeft de NZa ook anderszins niet in redelijkheid tot boeteoplegging kunnen overgaan. Volgens [Uitvoeringsorganisatie] is het boetetotaal van € 100.000 onevenredig, omdat geen sprake is van zware of ernstige overtredingen. De boete en de kwalificatie als zeer zware en ernstige overtreding leiden voor [Uitvoeringsorganisatie] tot reputatieschade die niet in verhouding staat tot de overtredingen die zij heeft begaan. Voorts heeft de boeteoplegging mogelijk consequenties voor de positie van [Uitvoeringsorganisatie] als deelnemer aan aanbestedingsprocedures, want die zou kunnen gelden als uitsluitingsgrond bij aanbestedingsprocedures. Ten slotte meent [Uitvoeringsorganisatie] dat de boeteoplegging kan leiden tot misbruik door zorgaanbieders. Zij wijst er op dat meer en meer zorgaanbieders en brancheorganisaties dreigen met meldingen bij de NZa als zorginkoopprocedures of de inhoud van de overeenkomst niet worden aangepast conform de wensen van zorgaanbieders, terwijl beperkte omissies als de voorliggende snel zijn te vinden. Positie NVOS 6. In deze procedure heeft de brancheorganisatie voor orthopedische hulpmiddelen en diensten NVOS zich als belanghebbende gemeld. Haar belang en verzoek om handhaving heeft betrekking op het onderdeel hulpmiddelen. Gelet hierop en omdat zij op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) deelneemt als partij en zelf geen beroep heeft ingesteld kan haar zienswijze er slechts toe strekken – en deze is daartoe ook beperkt – dat het bestreden besluit in stand dient te blijven wat betreft de boeteoplegging wegens het niet op de website publiceren door [Uitvoeringsorganisatie] van de verlenging van de termijn voor het ondertekenen van de overeenkomsten voor inkoop van hulpmiddelen. Beoordeling door de rechtbank 7. De feitelijke gedragingen van [Uitvoeringsorganisatie] zijn niet in geschil. Vaststaat dat [Uitvoeringsorganisatie] de conceptovereenkomsten voor inkoop van mondzorg voor het jaar 2020 op de website heeft bekendgemaakt na de op de website aangekondigde datum. Met betrekking tot hulpmiddelen en farmaceutische zorg staat vast dat [Uitvoeringsorganisatie] de termijn voor het ondertekenen van de overeenkomsten voor inkoop van deze zorg voor het jaar 2020 heeft verlengd zonder dat dit op de website is bekendgemaakt. In geschil is of deze gedragingen overtredingen van artikel 7 van de Verordening opleveren en zo ja, of de NZa tot beboeting van de vier betrokken zorgverzekeraars heeft kunnen overgaan en een totaalbedrag van € 100.000 aan boetes evenredig is. 8.1. Het standpunt van [Uitvoeringsorganisatie] dat de Regeling uitsluitend kan worden toegepast wanneer dit daadwerkelijk bijdraagt aan de inzichtelijkheid van de zorgmarkt kent twee pijlers. Enerzijds stelt [Uitvoeringsorganisatie] namelijk dat artikel 7 van de Regeling tot niet meer dan dat strekt en anderzijds stel zij dat wanneer die bepaling een ruimer bereik heeft de Regeling op dit punt disproportioneel en daarom onverbindend is. [Uitvoeringsorganisatie] neemt daarbij het standpunt in dat bij de uitleg en toepassing van artikel 4 en 7 van de Regeling een onderscheid moet worden gemaakt tussen het zorginkoopbeleid en de procedure van de zorginkoop waarbij volgens haar alleen procedurewijzigingen hoeven te worden gepubliceerd indien sprake is van een materiële wijziging van het inkoopbeleid. Daarnaast moet volgens [Uitvoeringsorganisatie] onderscheid worden gemaakt tussen relevante wijzingen – die moeten worden bekendgemaakt – en irrelevante wijzingen – die niet hoeven te worden bekendgemaakt. Voorts lijkt [Uitvoeringsorganisatie] daarbij het standpunt in te nemen dat bekendmaking van wijzigingen niet op de website hoeft plaats te hebben, maar ook op andere wijze kan gebeuren. 8.2. Uit artikel 45 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) volgt dat de NZa onder meer met het oog op de inzichtelijkheid van de zorgmarkten of de bevordering van de concurrentie regels kan stellen betreffende de wijze van totstandkoming van overeenkomsten met betrekking tot zorg of tarieven en betreffende de voorwaarden in die overeenkomsten. De NZa heeft er terecht op gewezen dat de zorgmarkten zich kenmerken door de complexe verhoudingen tussen de betrokken drie partijen (de consument (patiënt/verzekerde), de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar) en de specifieke vormen van marktfalen die optreden bij afwezigheid van passend overheidsoptreden. Zo lopen bijvoorbeeld betalingen in de zorg grotendeels via verzekeringen, wat het kostenbewustzijn van zowel vragers als aanbieders van zorg beperkt. Dit noopt tot toepassing van economische instrumenten als regelgeving en toezicht, die ertoe dienen marktfalen weg te nemen en daarmee de toegankelijkheid, kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg te bevorderen (Kamerstukken II 2005/06, 30186, nr. 3, blz. 8 - 12). 8.3. De NZa heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door vaststelling van de Regeling. Uit de aanhef van artikel 4 van de Regeling volgt dat zorgverzekeraars het zorginkoopbeleid en de procedure van de zorginkoop uiterlijk op 1 april voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarvoor de zorginkoop zal plaatsvinden moeten bekendmaken. Uit het eerste punt volgt verder dat deze informatie in ieder geval ook ziet op de verschillende fasen waaruit de zorginkoop bestaat en de termijnen waarbinnen de zorgaanbieder en de zorgverzekeraar in de verschillende fasen moeten reageren. Het eerste lid van artikel 7 van de Regeling bepaalt dat indien de zorgverzekeraar een wijziging aanbrengt in de informatie zoals bekendgemaakt op grond van artikel 4, hij dit tijdig bekend maakt op dezelfde wijze waarop de bekendmaking van de eerdere informatie heeft plaatsgevonden. Uit het tweede lid volgt dat wijzigingen na 1 april bij bekendmaking door de zorgverzekeraar moeten worden gemotiveerd. 8.4. De rechtbank is van oordeel dat er geen grondslag bestaat voor het onderscheid dat [Uitvoeringsorganisatie] aanbrengt tussen wat [Uitvoeringsorganisatie] materiële en procedurele wijzigingen noemt. Dit onderscheid strookt niet met de tekst en strekking van artikel 7 van de Regeling. Die bepaling kan niet los worden gezien van artikel 4 van de Regeling. Dit betekent dat wanneer de zorgaanbieder het zorginkoopbeleid en de procedure van de zorginkoop heeft bekend gemaakt met inachtneming van artikel 4, hij vervolgens iedere wijziging in het zorginkoopbeleid of de procedure van de zorginkoop op dezelfde wijze bekend zal moeten maken. Voorts zal hij iedere voornoemde wijziging die plaatsvindt na 1 april van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar of de kalenderjaren waarvoor de zorginkoop zal plaatsvinden, moeten motiveren in zijn bekendmaking. Gelet op de hoofdregel van bekendmaking in het voorgaande jaar op uiterlijk 1 april, moet artikel 7, dat daarop een uitzondering maakt doordat het wijzigingen nadien mogelijk maakt, niet restrictiever worden geïnterpreteerd dan artikel 4. Die uitleg is in overeenstemming met de tekst van deze bepalingen en daarom niet in strijd met het lex certa-gebod. Evenmin kan [Uitvoeringsorganisatie] een beroep doen op de toelichting bij artikel 7 van de Regeling. Daarin is immers vermeld dat dit artikel de zorgverzekeraar de ruimte geeft om de informatie als bedoeld in artikel 4, te wijzigen en dat de zorgverzekeraar de wijziging dient te motiveren en tijdig bekend te maken. De zeer beperkte interpretatie die [Uitvoeringsorganisatie] geeft aan artikel 7, namelijk dat alleen voldaan behoeft te worden aan die bepaling als er sprake is van een materiële én een procedurele wijziging, is daarentegen niet te rijmen met de tekst en de strekking van die bepaling. Bovendien zou die interpretatie ertoe leiden dat als er alleen een materiële wijziging van het zorginkoopbeleid plaatsvindt, niet voldaan behoeft te worden aan artikel 7. Vanzelfsprekend zou dat in strijd zijn met doel en strekking van artikel 7.NVOS heeft er in dit verband nog op gewezen dat zorgaanbieders met meerdere verzekeraars moeten onderhandelen, zodat de kenbaarheid van wijzigingen in termijnen voor hen van groot belang is. 8.5. Gelet op wat ter zitting door [Uitvoeringsorganisatie] is aangevoerd, overweegt de rechtbank in dit verband nog dat de vervanging per 1 januari 2022 in het eerste lid van artikel 7 van het woordje ‘en’ door ‘en/of’ – wat is gebeurd naar aanleiding van deze procedure – geen inhoudelijke wijziging behelst. De rechtbank wijst hier nogmaals op de onlosmakelijke samenhang tussen de artikelen 4 en 7 van de Regeling. Dat de NZa in de nieuwe regeling heeft willen verduidelijken dat artikel 7 van toepassing is wanneer de zorgaanbieder het zorginkoopbeleid of de procedure van de zorginkoop wijzigt, heeft niet tot gevolg dat in de oude regeling niet duidelijk was dat artikel 7 betrekking heeft op zowel het zorginkoopbeleid als de procedure van de zorginkoop en dat iedere wijziging op de voorgeschreven wijze bekend moet worden gemaakt. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat de voorbeelden die [Uitvoeringsorganisatie] ter zitting heeft aangedragen om de ongerijmdheid van de toepassing door de NZa van artikel 7 te onderbouwen zien op een zorgaanbieder die wegens bijzondere omstandigheden te laat is en later wil tekenen. Daarop ziet artikel 7 niet, want het zorginkoopbeleid of de procedure van de zorginkoop zien naar hun aard niet op een enkel geval maar op een groep gevallen. 8.6. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de NZa artikel 4 en 7 van de Regeling heeft kunnen vaststellen zonder in strijd te komen met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. De hiervoor geschetste koppeling tussen de artikelen 4 en 7 acht de rechtbank niet disproportioneel. Ter motivering volstaat de rechtbank met wat zij hiervoor heeft overwogen. Daaruit volgt dat de artikelen 4 en 7 van de Regeling geschikt zijn uit een oogpunt van inzichtelijkheid van de zorgmarkten en uit een oogpunt van bevordering van de concurrentie (het creëren van een gelijk speelveld). 8.7. Gelet op wat hiervoor is overwogen over de uitleg en toepassing van artikel 7 van de Regeling en de vaststelling onder 8 staat voor de rechtbank vast dat [Uitvoeringsorganisatie] driemaal artikel 7, eerste en tweede lid, van de Regeling heeft overtreden. In dit verband overweegt de rechtbank nog dat zij de stelling van [Uitvoeringsorganisatie] over het ontbreken van een verplichting voor [Uitvoeringsorganisatie] om conceptovereenkomsten inzake de zorginkoop van mondzorg te publiceren en daarom ook voor de wijziging van het tijdstip van publicatie daarvan, niet kan volgen. Dit standpunt druist in tegen de tekst en strekking van de artikelen 4 en 7 van de Regeling. Dat een uitstel van een reactietermijn inzake het ondertekenen van de overeenkomsten voor inkoop van hulpmiddelen voor zorgaanbieders in hun voordeel is, maakt evenmin dat artikel 7 van de Regeling toepassing mist. De vraag of een wijziging gunstig voor de zorgaanbieders is of niet, behoeft niet beantwoord te worden in het kader van artikel 7 nu dat van toepassing is op alle wijzigingen. Ten aanzien van de farmaceutische zorg geldt evenzeer dat het [Uitvoeringsorganisatie] weliswaar vrijstond om termijnen te verlengen, maar ook daarvoor gold dat zij die gelet op artikel 7 van de Regeling gemotiveerd bekend diende te maken op de website. Zij kon niet volstaan met berichtgeving aan individuele apothekers. 9. Het betoog van [Uitvoeringsorganisatie] dat zij over de overtreding van artikel 7 van de Regeling met betrekking tot farmaceutische zorg nog niet was gewaarschuwd, zodat de NZa reeds om die reden ten aanzien van die overtreding in redelijkheid geen boete had kunnen opleggen, slaagt niet. Zoals [Uitvoeringsorganisatie] zelf heeft opgemerkt, heeft de NZa van tevoren op haar website onder verwijzing naar de aan [Uitvoeringsorganisatie] en andere zorgverzekeraars opgelegde waarschuwingen aangekondigd in de hier voorliggende periode harder op te zullen treden tegen overtredingen van de Regeling. Reeds daarom kan in het midden blijven of eerder sprake was van een bestendige gedragslijn die eruit zou hebben bestaan dat de NZa per soort zorg eerst een waarschuwing gaf. Want voor zover die gedragslijn bestond, had [Uitvoeringsorganisatie] met die aankondiging kunnen begrijpen dat er geen waarschuwingen meer zouden volgen. 10. De rechtbank is van oordeel dat [Uitvoeringsorganisatie] een verwijt valt te maken van de overtredingen, zodat artikel 5:41 van de Awb niet in de weg staat aan boeteoplegging. Zoals hiervoor is overwogen, is de norm niet onduidelijk, terwijl [Uitvoeringsorganisatie] bovendien eerder was gewaarschuwd door de NZa. De rechtbank is verder van oordeel dat de inzet van het boete-instrument niet in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Mede gelet op de eerdere waarschuwingen acht zij de oplegging van een bestraffende sanctie noodzakelijk en evenwichtig (vgl. ECLI:NL:RVS:2022:285). 11.1. Ten aanzien van het betoog van [Uitvoeringsorganisatie] dat het (totale) boetebedrag niet in overeenstemming is met de eisen van artikel 5:46, tweede lid, van de Awb, komt de rechtbank tot de volgende beoordeling. 11.2. Artikel 85, tweede lid, van de Wmg voorziet in een maximumboete van € 500.000 of, indien dat meer is, tien procent van de omzet van de onderneming in Nederland. De NZa heeft de overtreding op basis van haar Boetebeleidsregel aangemerkt als een zeer zware overtreding (dat volgt uit de bijlage bij die beleidsregel, terwijl overtreding van de op basis van artikel 45 van de Wmg te stellen regels een economisch delict
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.