← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:7334

Rechtbank Rotterdam Team insolventie voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2] uitspraakdatum: 13 juli 2022 [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats] , verzoeker. 1.De procedure Verzoeker heeft op 21 juni 2022, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. In het vonnis van deze rechtbank van 21 juni 2022 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 6 juli

  1. De heer mr. D.A. Evertsz heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden. Ter zitting van 6 juli 2022 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening); de heer [persoon B] , werkzaam bij Evertsz Law & Litigation, namens Domko B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster). mevrouw [persoon C] , werkzaam bij Domko B.V. De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat beide partijen nog stukken mogen indienen, waarna uitspraak zal worden gedaan. Verweerster heeft de rechtbank op 8 juli 2022 een stand van zaken doen toekomen. Schuldhulpverlening heeft de rechtbank op 11 juli 2022 een stand van zaken doen toekomen. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2.Het verzoek Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 23 mei 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen. 3.Het verweer Verweerster heeft in haar verweerschrift en ter zitting gesteld dat het verzoek van verzoeker afgewezen dient te worden. Het belang van verweerster dient zwaarder te wegen dan het belang van verzoeker. Verweerster voert daartoe kort samengevat het volgende aan: verzoeker heeft structureel de huurtermijnen niet op tijd voldaan. Verzoeker komt elke keer met verschillende redenen voor het niet op tijd kunnen betalen van de huur. Daarnaast is verzoeker de betalingsregeling van 22 juli 2021 niet nagekomen. Verzoeker heeft geen inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Na het vonnis van de kantonrechter van 23 mei 2022 is de huurachterstand verder opgelopen. De problematische situatie met verzoeker bestaat al ruim drie jaar en verweerster verwacht niet dat verzoeker in de toekomst de huur zal kunnen voldoen. 4.De beoordeling Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 23 mei 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 7 juni 2022 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 juni 2022 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie. De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen. Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds. Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen. Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 23 mei 2022 ten uitvoer kan leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij de huur van de maand juli 2022 naar een verkeerde bankrekening zou hebben overgemaakt. Verzoeker is vervolgens in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 8 juli 2022 aan te tonen dat hij de huur voor de maand juli 2022 betaald heeft. Hij is hier niet in geslaagd, zoals blijkt uit het bericht van verweerster van 8 juli 2022 en het bericht van schuldhulpverlening van 11 juli
  2. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen. Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen. 5.De beslissing De rechtbank: - wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af; - verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw. Dit vonnis is gewezen door mr. F. Damsteegt, rechter, en in aanwezigheid van mr. N.A. Masrom, griffier, in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.