RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 10040533 VV EXPL 22-321 datum uitspraak: 21 september 2022 proces-verbaal van mondelinge uitspraak ex artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats eiser], eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. N. Agayev, tegen [gedaagde] , die handelt onder de naam [handelsnaam], woonplaats: [woonplaats gedaagde], gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: [naam]. De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd. Aanwezig is mr. A.J.L.M. van der Wildt, kantonrechter, bijgestaan door mr. A. Viergever, griffier. Na uitroeping van de zaak verschijnen: [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. N, Agayev; [gedaagde] in persoon, bijgestaan door [naam]. De kantonrechter gaat over tot de mondelinge behandeling. De zaak is met partijen besproken. Daarbij hebben partijen hun standpunten nader toegelicht en de vragen van de kantonrechter beantwoord. De kantonrechter heeft daarna, op de voet van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in aanwezigheid van beide partijen mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak is opgenomen in dit proces-verbaal.
- De gronden van de beslissing 1.
- Door [eiser] is aan de door hem gevorderde ontruiming van het gehuurde aan de [adres] ten grondslag gelegd dat het betreffende pand door [gedaagde] slechts gebruikt wordt als bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW en dat [gedaagde] niet woonachtig is in het gehuurde. Om die reden stelt [eiser] dat het huurregime van zogenaamde 230a-bedrijfsruimte van toepassing is en er sprake is van een rechtsgeldige opzegging van de huur per 20 mei
- [gedaagde] heeft deze stellingen betwist en heeft gesteld wel haar hoofdverblijf in het gehuurde te hebben. 1.
- De kern van het geschil tussen partijen is dan ook de vraag welk huurregime er van toepassing is op de huurovereenkomst tussen partijen, te weten het huurregime ten aanzien van bedrijfsruimte in de zin van 7:230a BW dan wel ten aanzien van woonruimte. Daarvoor is van belang dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of [gedaagde] haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft. 1.
- Bij de beoordeling van het bovenstaande is bepalend de vraag op welke wijze partijen invulling hebben gegeven aan de huurovereenkomst, waarbij beslissend is de situatie zoals deze was op het moment van de opzegging van de huurovereenkomst op 21 april
- 1.
- Uit de stellingen van partijen alsmede de in het geding gebrachte producties volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat er aanwijzingen bestaan aan te nemen dat [gedaagde] niet haar hoofdverblijf heeft in het gehuurde, maar dat er ook aanknopingspunten zijn die wijzen op het tegendeel. Bij de huidige stand van zaken kan dan ook niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [gedaagde] niet haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft en dat het huurregime van 230a-bedrijfsruimte van toepassing is. Voor de beoordeling daarvan zal in de hoofdzaak naar het zich thans laat aanzien meer onderzoek, mogelijk in de vorm van bewijslevering, nodig zijn. Onderhavige procedure leent zich daar naar haar aard niet voor. Dit betekent dat thans onvoldoende aannemelijk is dat de vordering in de hoofdzaak zal worden toegewezen. Het in conventie gevorderde wordt dan ook afgewezen. 1.
- Nu de vordering in conventie wordt afgewezen heeft [gedaagde] geen belang meer bij de door haar in reconventie gevorderde vernietiging van de opzegging, nog daargelaten dat een dergelijke declaratoire vordering niet past bij het voorlopige karakter van een uitspraak in kort geding en alleen daarom al niet toewijsbaar is. 1.
- [eiser] krijgt ongelijk en zal in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] procedeert zonder professioneel gemachtigde zodat haar geen gemachtigdensalaris toekomt. Wel komt zij op grond van artikel 238 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in aanmerking voor vergoeding van noodzakelijke reis- en verblijfkosten alsmede verletkosten, alles voor zover samenhangende met het bijwonen van de zitting. De kantonrechter stelt de reis- en verletkosten naar redelijkheid vast op een bedrag van € 50,
- De beslissing De kantonrechter: 2.
- wijst de vordering van [eiser] af; 2.
- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vastgesteld op € 50,00 aan reis- en verletkosten; 2.
- verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad; Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de kantonrechter en de griffier is ondertekend. 44487