ECLI:NL:RBROT:2022:8232
Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: ROT 22/3009 en ROT 22/3054 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 oktober 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen [[Naam onderneming]] , verzoekster (gemachtigde: mr. N.J. Linssen) en de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster (gemachtigden: mr. K.W.J. Osinga en mr. C. Vermeulen) Inleiding Volgens de ACM heeft verzoekster gehandeld in strijd met de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc) doordat zij onredelijke voorwaarden hanteert en zich schuldig maakt aan agressieve handelspraktijken.
Om die reden heeft de ACM aan verzoekster op 1 juni 2022 een last onder dwangsom opgelegd gericht op het beëindigen van de overtredingen (de lastoplegging).
Ook heeft de ACM besloten tot openbaarmaking van de lastoplegging (publicatiebesluit).
Tegen beide besluiten heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Op 8 juli 2022 heeft de ACM besloten de begunstigingstermijn te verlengen totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan (verlengingsbesluit).
Op 29 augustus 2022 heeft de ACM de lastoplegging gewijzigd (wijzigingsbesluit).
Het onderzoek ter zitting heeft – achter gesloten deuren – plaatsgevonden op 15 september 2022. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Daarnaast is J.M.K. Nyks namens verzoekster verschenen, Vooraf 1. Deze uitspraak ziet op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure, omdat verzoekster stelt niet te kunnen wachten op de beslissing op het bezwaar. De voorzieningenrechter kijkt of het bezwaarschrift van verzoekster kans van slagen heeft. Zij geeft daarbij een voorlopig oordeel over de zaak. Als deze zaak in beroep wordt voorgelegd aan de rechtbank, hoeft de rechtbank het oordeel van de voorzieningenrechter niet per se te volgen.
Wettelijk kader 3. In de bijlage is het wettelijk kader opgenomen.
Onderzoek van de ACM 4. De ACM is in juli 2021 een onderzoek gestart naar de handelspraktijken van verzoekster, onder meer handelend onder de handelsnamen [Naam] en [Naam] . De aanleiding hiervoor zijn meldingen van consumenten bij ACMConsuWijzer, het informatie- en adviesloket voor consumenten van de ACM. De meldingen gingen over het [Naam] Lidmaatschap (het lidmaatschap) dat zij hebben afgesloten bij verzoekster via de website [Naam] (de website). Uit de meldingen komt naar voren dat verzoekster de opzegmogelijkheden voor consumenten op meerdere manieren beperkt. Klanten kunnen niet elektronisch opzeggen, terwijl zij het lidmaatschap wel elektronisch zijn aangegaan. Verder laten de meldingen zien dat opzeggingen niet worden verwerkt, of dat dit pas één jaar na de opzegging wordt gedaan. Daarnaast melden consumenten dat zij brieven ontvangen wanneer zij hun lidmaatschap hebben opgezegd en besluiten om niet te betalen voor een extra jaar. Er wordt in deze brieven gedreigd met oplopende extra kosten op grond van een boeteclausule in de algemene voorwaarden als consumenten niet betalen en de opzegging niet annuleren. Dit boetebedrag bedraagt € 495.
9.2.
De Lidmaatschapsovereenkomst wordt na het verstrijken van een Jaartermijn (dan wel de afwijkende termijn die was genoemd in het Speciaal Aanbod) stilzwijgend verlengd met telkens een Jaartermijn tot wederopzegging.
9.3.
Opzegging door het [Naam] Lid is alleen geldig als het gebeurt via een ondertekende schriftelijke kennisgeving aan [Naam] en daarbij een opzegtermijn van tenminste één maand tegen de einddatum van de lopende Jaartermijn in acht wordt genomen. (…)”
In artikel 12.1 is vermeld dat elke kennisgeving aan verzoekster door het lid schriftelijk en ondertekend dient te worden gedaan.
Uit de aangeleverde informatie naar aanleiding van de informatievordering blijkt dat 3.085 leden hun contributie hebben gestorneerd zonder opzegging. Verzoekster heeft tijdens het gesprek met de ACM aangegeven dat zij in het verleden brieven stuurde naar deze groep consumenten om hen ervan te overtuigen om alsnog te betalen. Het voormalige artikel 9.4 in de algemene voorwaarden heeft preventie als doel. Verzoekster geeft zelf aan dat zij betaling van de boete niet kan afdwingen, omdat een gerechtelijke procedure kostbaar is. Zij stelt te zijn gestopt met het versturen van deze brieven sinds artikel 9.4 uit de algemene voorwaarden is verwijderd. Dit is volgens de ACM niet het geval, want uit de brieven die klagers hebben ingebracht blijkt dat deze brieven tot in elk geval 20 mei 2021 nog zijn verzonden.
Besluitvorming van de ACM 10. De ACM heeft verzoekster een voornemen tot besluitvorming verzonden, waarop verzoekster heeft gereageerd. Dit heeft de ACM niet afgehouden van de lastoplegging en het publicatiebesluit.
Daarnaast handelt verzoekster in strijd met de artikelen 8.3 en 8.8 van de Whc doordat zij brieven stuurt naar consumenten die volgens haar ongeldig hebben opgezegd en daarin dreigt met extra kosten met als grondslag de boeteclausule die in de algemene voorwaarden staat. Volgens de ACM levert dit een agressieve handelspraktijk op in de zin van artikel 6:193h, eerste lid, van het BW.
Randnummer 93 van de lastoplegging luidde oorspronkelijk: “93. [Verzoekster] dient de overtredingen van 8.3 Whc jo. artikel 6:236, aanhef en onder j en o, BW, artikel 6:233 BW en 8.8 Whc jo. artikel 6:193h, eerste lid BW te beëindigen en beëindigd te houden. [Verzoekster] kan dat doen door:
Dit kan [verzoekster] bijvoorbeeld doen door in de algemene voorwaarden te vermelden dat opzeggen mogelijk is op dezelfde wijze als waarop de overeenkomst tot stand is gebracht en daar geen beperkende voorwaarden aan te verbinden. Dit betekent dat de consument een elektronisch aangegaan abonnement ook elektronisch kan opzeggen.
En in de algemene voorwaarden te vermelden dat indien het lidmaatschap stilzwijgend wordt verlengd, de opzegtermijn maximaal één maand bedraagt. Het moment van opzeggen kan niet worden beperkt.
Dit kan bijvoorbeeld met een verwijzing naar een e-mailadres en/of een elektronisch opzegformulier.
Hierbij mogen geen drempels worden opgeworpen, zoals de voorwaarde stellen dat dit alleen mogelijk is via een ondertekende opzegbrief.
Daarnaast zal [verzoekster] al haar bestaande klanten informeren over de aanpassingen in de algemene voorwaarden. [...] Bij het wijzigingsbesluit heeft de ACM de informatieverplichting aan het eind van randnummer 93 van de lastoplegging als volgt gewijzigd: “ [...] ”
Daarbij is vermeld dat dit wijzigingsbesluit zich beperkt tot de wijziging van de informatieverplichting in de last. De overige onderdelen van de lastoplegging blijven ongewijzigd in stand.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang 14. De voorzieningenrechter stelt voorop dat zij van oordeel is dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de schorsing van de lastoplegging en het bijbehorende verlengings- en wijzigingsbesluit en bij een schorsing van het publicatiebesluit. Zij zal daarom tot een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van die besluiten overgaan aan de hand van wat verzoekster heeft aangevoerd.
Procedurele klachten en klachten over het onderzoek door de ACM 15.1.
Het betoog van verzoekster dat de ACM op ontoelaatbare wijze de verdedigingsrechten van verzoekster heeft geschaad, faalt om verschillende redenen.
15.2.
Voor zover verzoekster met een beroep op artikel 6, tweede en derde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 41, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) meent dat zij voorafgaand aan de lastoplegging al recht heeft op inzage van de stukken, kan zij daarin niet worden gevolgd. In de eerste plaats is geen sprake van een zogenoemde criminal charge, want een besluit tot lastoplegging vormt een herstelsanctie. De lastoplegging en de eventuele invordering van verbeurde dwangsommen zijn, gelet op vaste rechtspraak, niet gericht op leedtoevoeging. Dit betekent dat verzoekster in deze procedure geen beroep toekomt op de onschuldpresumptie en de daaraan verbonden verdedigingsrechten van artikel 6, derde lid, van het EVRM. Overigens zou verzoekster wanneer wel sprake zou zijn geweest van een bestraffende sanctie evenmin kunnen worden gevolgd in haar stelling dat zij inzagerecht heeft in de stukken voorafgaand aan het maken van bezwaar. Uit artikel 5:48 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt immers niet dat bij het toezenden van een boeterapport aan de belanghebbende ook de onderliggende ‘bewijsmiddelen’ dienen te worden bijgesloten. In de tweede plaats mist artikel 41 van het Handvest toepassing, omdat die bepaling zich uitsluitend richt tot de instellingen en organen van de Unie en dus niet tot de ACM.
15.3.
In aanvulling hierop merkt de voorzieningenrechter op dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, dat mede inhoudt dat de betrokkene voordat het besluit wordt genomen in de gelegenheid wordt gesteld om te worden gehoord, niet is geschonden. Dat verzoekster zonder inzage in de stukken niet wist waartegen zij zich diende te verdedigen kan niet worden gevolgd. Op grond van het lastvoornemen van 16 februari 2022 had het voor verzoekster duidelijk kunnen zijn welke verwijten de ACM aan haar adres maakt. In dat voornemen wordt immers melding gemaakt van de aard van de klachten van consumenten en van de gewraakte algemene voorwaarden van verzoekster, die zij zelf wordt geacht te kennen. In de bezwaarfase heeft de ACM in overeenstemming met artikel 7:4 van de Awb aan verzoekster een afschrift van het dossier verstrekt met daarin de stukken die zien op de klachten van consumenten. Noch uit het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel noch uit artikel 4:8 van de Awb volgt dat dit eerder had moeten gebeuren. Eerst met de besluitvorming op bezwaar wordt de bestuurlijke besluitvorming afgesloten. Die fase is op dit moment nog niet afgerond, terwijl verzoekster ruimschoots voor de zitting bij de voorzieningenrechter kennis heeft kunnen nemen van de stukken waarop de ACM de lastoplegging heeft gebaseerd. Dit betekent dat verzoekster haar bezwaargronden heeft kunnen aanvullen na kennisneming van het volledige dossier.
15.4.
Voor zover verzoekster meent dat zij door het gevolgde proces door de ACM, waarbij druk werd uitgeoefend op verzoekster en haar bestuurder, in haar verdediging is geschaad, volgt de voorzieningenrechter het betoog evenmin. Verzoekster en haar bestuurder waren gehouden om mee te werken aan een onderzoek door (toezichthouders van) de ACM. Bij het niet verlenen van de gevorderde medewerking kan de ACM een bestuurlijke boete opleggen. Dat de ACM verzoekster onvoldoende tijd heeft geboden om aan informatievorderingen te voldoen is de voorzieningenrechter niet gebleken, want aan de vordering is voldaan. Verder volgt uit de stukken dat de ACM eenmaal op verzoek van de bestuurder van verzoekster een gesprek heeft uitgesteld.
Van de ACM kan niet worden verlangd dat zij van vanwege de medische conditie van de bestuurder van verzoekster het onderzoek opschort in afwachting van zijn herstel. Indien het betoog van verzoekster zou worden gevolgd, dan zou zij het in haar macht hebben een nalevingstoezicht en handhaving voor langere tijd te frustreren. Het algemeen belang dat is gemoeid met nalevingstoezicht en handhaving weegt zwaarder dan de belangen van verzoekster en haar bestuurder tot verder uitstel van een gesprek. Het eerdere voornemen van de ACM tot het doen van een openbare waarschuwing heeft verder een wettelijke basis, want artikel 2:23 van de Whc voorziet in de mogelijkheid tot het doen van zo’n waarschuwing.
De voorzieningenrechter ziet dan ook – anders dan verzoekster – niet in dat de ACM heeft gehandeld in strijd met artikel 5:13 van de Awb door onnodig gebruik te maken van toezichtsbevoegdheden.
Uit de door toezichthouders van de ACM opgenomen verklaringen van de consumenten en de door hen overgelegde brieven die afkomstig zijn van verzoekster, blijkt dat de klagende consumenten lid waren van verzoekster. Ten slotte kan de stelling van verzoekster dat de ACM vooringenomen is omdat zij haar oordeel al klaar had ten tijde van het gesprek op 14 januari 2022, verzoekster evenmin baten. Dat de ACM – zoals uit het gespreksverslag volgt – in gesprek wilde met de bestuurder van verzoekster over de mogelijke inbreuken die de ACM op de website heeft geconstateerd en afspraken wilde maken over hoe verzoekster die zou gaan stoppen, dit juist ter voorkoming van formele handhavingsmaatregelen, maakt niet dat de ACM vooringenomen is.
Het staat het bestuursorgaan vrij reeds voor een gesprek tot de overtuiging te komen dat sprake is van een of meer overtredingen op basis van door haar verricht onderzoek. Hierna zal overigens blijken dat die overtuiging niet ongefundeerd is.
Overtreding van artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW 20.1.
Verzoekster betoogt dat zij artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW niet heeft geschonden. Verzoekster heeft hierover het volgende aangevoerd. Volgens de ACM overtreedt verzoekster deze bepaling doordat het lidmaatschap volgens de algemene voorwaarden stilzwijgend met een jaar wordt verlengd en daarmee na het eerste jaar niet maandelijks kan worden opgezegd. Dit is onjuist: -ten eerste kan het lidmaatschap op ieder willekeurig moment worden opgezegd waardoor het niet verlengd wordt (zie artikel 9.3 van de voorwaarden). Het is echter niet zo dat een lid door een opzegging de rechten van zijn/haar lidmaatschap verliest voor het lidmaatschapsjaar waarvoor de contributie betaald is. Door de vooruitbetaling van de contributie aan het begin van het lidmaatschapsjaar, verkrijgt een lid voor het betreffende lidmaatschapsjaar rechten, zoals het recht om één Veilingaankoop te doen en om één keer PrijsVoordeel te mijnen en met het Prijsvoordeel Tegoed voor weinig of niets games en producten van A-merken op [Naam] .nl te kopen.
Van de verkregen rechten kan een lid het gehele lidmaatschapsjaar gebruikmaken, ongeacht of een lid opgezegd heeft en wanneer de opzegging heeft plaatsgevonden. Het lidmaatschap kan op ieder willekeurig moment worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. Een opzegging houdt in dat een lid geen contributie zal betalen voor een nieuw lidmaatschapsjaar en geen rechten als lid zal verkrijgen. Om de leden gelijkwaardig van hun rechten gebruik te kunnen laten maken, beëindigt een opzegging niet tussentijds het gebruik van de rechten in een lidmaatschapsjaar en vindt geen gedeeltelijke restitutie van de contributie door een opzegging plaats; -ten tweede is artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW volgens verzoekster niet van toepassing op het lidmaatschap van verzoekster, omdat geen sprake is van ‘overeenkomsten tot het geregeld afleveren van zaken of tot het geregeld doen van verrichtingen’.
Deze bepaling vindt zijn oorsprong in de Wet van Dam waarmee werd beoogd om een oplossing te bieden voor de automatische verlenging van abonnementen, zoals bijvoorbeeld telefonieabonnementen. Het gaat daarbij om het tegen een vast maandelijks of periodiek te betalen bedrag leveren van periodiek terugkerende zaken of diensten zonder dat daarvoor nog eens separaat betaald moet worden. Daarvan is bij het lidmaatschap geen sprake. Als een lid van één van zijn lidmaatschapsrechten gebruik maakt, komt er een separate (koop)overeenkomst met verzoekster tot stand en levert zij (na betaling) aan het lid het betreffende product of de betreffende dienst op grond van deze (koop)overeenkomst. Door het lidmaatschap zelf worden geen zaken geregeld afgeleverd noch worden geregeld verrichtingen gedaan door verzoekster voor een lid.
20.2.
De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. Verzoekster sluit overeenkomsten met consumenten. Op die overeenkomsten zijn algemene voorwaarden van toepassing. Verzoekster is gebruiker van deze algemene voorwaarden en de consument is de wederpartij. In artikel 6:236 van het BW staat een zogenoemde zwarte lijst met bepalingen die onredelijk bezwarend zijn en op grond van artikel 6:233 van het BW vernietigbaar zijn. Daaronder valt de volgende situatie, opgenomen onder j: dat een overeenkomst tot het geregeld doen van verrichtingen wordt verlengd, vernieuwd of voortgezet zonder dat de wederpartij de bevoegdheid heeft om de voortgezette overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand. Volgens de ACM doet zich deze situatie voor, wat een overtreding van artikel 8.3 van de Whc oplevert. Verzoekster bepaalt immers in artikel 9.2 van de algemene voorwaarden dat de overeenkomst met één jaar stilzwijgend wordt verlengd na het eerste contractjaar, terwijl in artikel 9.3 wordt aangegeven dat de opzegging ten minste één maand tegen de einddatum van de lopende jaartermijn in acht moet worden genomen.
20.3.
Artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW is in zijn vrijwel huidige vorm op 1 december 2011 ingevoerd met de Wet van 26 november 2010, houdende wijziging van Boek 2 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (stilzwijgende verlenging en opzegtermijn bij lidmaatschappen, abonnementen en overige overeenkomsten). Die bepaling is nadien voor dit geding niet op relevante wijze gewijzigd. Verzoekster spreekt in dit verband van de Wet van Dam, omdat deze wet (mede) op initiatief van dit Kamerlid tot stand is gekomen. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel vermeldt onder meer het volgende: “Dit wetsvoorstel beoogt de stilzwijgende verlenging van meer dan drie maanden te verbieden van overeenkomsten tot het geregeld afleveren van zaken, elektriciteit daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van verrichtingen (hierna: abonnementen) en de stilzwijgende verlenging van lidmaatschappen te beperken tot maximaal een jaar. Met dit wetsvoorstel willen de indieners een einde maken aan de voortdurende en maatschappelijk zeer ongewenste situatie dat abonnementen en lidmaatschappen verlengd worden, terwijl consumenten geen behoefte meer hebben aan deze producten en diensten. Verzekeringen vallen niet onder dit wetsvoorstel.
Bij stilzwijgende verlenging ontvangt de consument vaak alleen achteraf een factuur of bankafschrijving, wanneer het te laat is om een abonnement op te zeggen, en zit er dan weer een jaar aan vast. Veel mensen ervaren dit als bijzonder hinderlijk. Op deze manier hebben miljoenen mensen abonnementen op tijdschriften, ADSL, kranten, en de bijna spreekwoordelijke boekenclubs, terwijl zij deze abonnementen helemaal niet meer willen hebben.
In de praktijk blijkt het bijna ondoenlijk voor consumenten om van alle overeenkomsten die zij hebben afgesloten de opzegtermijnen bij te houden. Er kunnen immers veel overeenkomsten zijn die een consument heeft afgesloten, zoals bijvoorbeeld: elektriciteit, gas, water, internetaansluiting, TV-aansluiting, vaste telefoon, mobiele telefoon. Daar komen abonnementen en lidmaatschappen bij op boekenclubs, tijdschriften, kranten, sportclubs, fitnessclubs, zonnestudio’s, sauna’s. Het aantal afgesloten overeenkomsten kan per huishouden al snel de twintig overstijgen.
Daarnaast hanteren veel bedrijven lange opzegtermijnen, vaak de maximaal toegestane drie maanden. Dit maakt de situatie voor de consument nog onoverzichtelijker. Er wordt een te zware wissel getrokken op het geheugen van de consument en het overzicht dat hij kan houden op de diverse aangegane verplichtingen.”
20.4.
De voorzieningenrechter begrijpt uit het citaat hierboven dat de indieners van het wetvoorstel bij ‘het geregeld doen van verrichtingen’ abonnementen of lidmaatschappen op het oog hadden, zoals abonnementen voor kranten en tijdschriften en lidmaatschappen van sportclubs en sauna’s. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet goed in te zien dat de overeenkomst die verzoekster aangaat met de consument niet valt onder een dergelijk abonnement/lidmaatschap. Er is op basis van de overeenkomst geen sprake van een eenmalige handeling, die maakt dat niet gesproken kan worden van ‘het geregeld doen van verrichtingen’. Op de website van verzoekster is vermeld dat met het lidmaatschap ieder jaar één Veilingaankoop kan worden gedaan, meerdere Puzzel & Win prijzen kunnen worden gewonnen en één keer gratis Prijsvoordeel kan worden gemijnd, terwijl dit ook volgt uit artikel 6.2 van de algemene voorwaarden.
Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het belangrijkste element van de overeenkomst weliswaar is dat een deelnemer slechts eenmaal per jaar een veilingaankoop kan doen, maar dat ten aanzien dit onderdeel van de overeenkomst ook sprake is van ‘het geregeld doen van verrichtingen’. Dit alleen al omdat verzoekster – zoals zij ook ter zitting uiteen heeft gezet – jaarlijks 36 veilingen organiseert (waarvan bijvoorbeeld de A-Merken Veilingen vaak meerdere dagen in beslag nemen, omdat de prijs van de aangeboden producten gedurende de veiling iedere minuut met € 0,05 daalt) waaraan de leden deel kunnen nemen totdat zij in het jaar daadwerkelijk een aankoop op een van de veilingen hebben gedaan.
Daarnaast wijst de voorzieningenrechter op de vermelding in het uittreksel van de Kamer van Koophandel dat de activiteiten van verzoekster bestaan uit het volgende: “De vennootschap stelt zich ten doel de behoeften van haar leden op de meest efficiënte en voordelige wijze te bevredigen, door derden te bewegen hun produkten en diensten, zowel bestaande als speciaal voor de vennootschap ontwikkelde, tegen de gunstige voorwaarden in de markt aan haar leden aan te bieden.”
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat een lidmaatschap bij verzoekster dus uit ‘het geregeld doen van verrichtingen’ door verzoekster.
20.5.
De stelling van verzoekster dat alleen sprake kan zijn van dergelijke verrichtingen indien periodiek terugkerende zaken of diensten worden geleverd zonder dat daarvoor nog eens separaat betaald moet worden, vindt geen basis in de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW. Bovendien hoeft de deelnemer niet afzonderlijk te betalen voor de drie soorten verrichtingen, die mede bestaan uit het organiseren van veilingen. Dat een deelnemer die een aankoop doet op een door verzoekster georganiseerde veiling voor die aankoop een afzonderlijke overeenkomst aangaat en een bedrag betaalt, laat onverlet dat de desbetreffende verrichting bestaat uit het organiseren van en geven van toegang tot de veilingen. De overeenkomst die verzoekster met de consument aangaat bestaat uit het doen van de in artikel 6.2 van de algemene voorwaarden opgenomen drie soorten verrichtingen. Het gaat dan ook om een vorm van een abonnement/lidmaatschap, terwijl de wetgever voor ogen heeft gestaan de consument te beschermen tegen abonnementen/lidmaatschappen die worden verlengd voor langere duur.
20.6.
De stelling van verzoekster dat de overeenkomst op ieder moment kan worden opgezegd gaat eraan voorbij dat de overeenkomsten stilzwijgend na een jaar worden verlengd en dat het op grond van de algemene voorwaarden niet mogelijk is om vanaf die verlenging maandelijks op te zeggen. Het staat verzoekster gelet op artikel 6:246 van het BW, waaruit volgt dat sprake is van dwingend recht, niet vrij om af te wijken van artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW door steeds een verlenging van een jaar te hanteren zonder dat de deelnemer het lidmaatschap op maandbasis kan opzeggen. Zoals gezegd bevat artikel 6:236 van het BW een zogenoemde zwarte lijst met bepalingen die onredelijk bezwarend zijn en in relatie tot artikel 6:233 van het BW vernietigbaar zijn. Anders dan bij de toepassing van voorwaarden in de zogenoemde grijze lijst van artikel 6:237 van het BW kan verzoekster niet aannemelijk maken dat artikel 9.2 in verbinding met artikel 9.3 van haar algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is.
21.1.
Verder heeft verzoekster aangevoerd dat de opmerking van de ACM dat verzoekster de voorwaarde zou hanteren dat leden eerst een jaar lang geen gebruik mogen maken van de diensten alvorens het lidmaatschap te kunnen beëindigen onjuist en bijzonder schadelijk is voor verzoekster. Immers, deze voorwaarde hanteert verzoekster al sinds medio 2021 niet meer. Hierover heeft verzoekster de ACM ook tijdens het gesprek op 14 januari 2022 geïnformeerd.
21.2.
De voorzieningenrechter stelt bij de bespreking van deze klacht van verzoekster voorop dat de ACM dit verwijt zal hebben willen plaatsen in het kader van overtreding van artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW door verzoekster en niet in het kader van de overtreding van artikel 6:236, aanhef en onder o, van het BW, zoals verzoekster heeft aangevoerd. In randnummers 43 van de lastoplegging is – zonder opneming voetnoten – het volgende overwogen door de ACM: “Uit de informatie die door [Naam] is gestuurd naar aanleiding van de informatievordering komt naar voren dat [Naam] artikel 9.4 heeft verwijderd per 1 januari 2020. Verder heeft [Naam] tijdens het gesprek aangegeven dat na verwijdering van dit artikel geen brieven meer werden gestuurd aan consumenten waarin verwezen werd naar artikel 9.4. Uit consumentenverklaringen blijkt iets anders. De ACM heeft dergelijke brieven ontvangen die gedateerd zijn na 1 januari 2020 en wel laatstelijk in mei 2021. Het is naar het oordeel van de ACM daarom aannemelijk dat deze werkwijze per 1 januari 2020 niet is beëindigd.”
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is deze overweging in de lastoplegging niet geheel ongefundeerd. Weliswaar heeft de bestuurder volgens het verslag van het gesprek op 14 januari 2022 verklaard dat verzoekster is gestopt met het versturen van de brieven toen 9.4 uit de algemene voorwaarden is gehaald, wat, gelet op de beoogde verwijzing naar een artikel van de Ombudsman van Het Haarlems Dagblad, op een latere datum is geweest dan 1 januari 2020. Uit bijlage 2 van de brief van verzoekster van 12 januari 2022 lijkt echter te kunnen worden afgeleid dat het toenmalige artikel 9.4 van de algemene voorwaarden is vervallen per 1 januari 2020. De voorzieningenrechter kan zich voorstellen dat het de ACM niet duidelijk was dat verzoekster met dit overzicht heeft bedoeld te stellen dat het gaat om alle wijzingen die zijn doorgevoerd op verschillende tijdstippen op en na 1 januari 2020. Met de ACM is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat met bijlage 2 de indruk is gewekt dat artikel 9.4 is gewijzigd per 1 januari 2020, zeker nu verzoekster niet exact duidelijk heeft gemaakt per welke datum artikel 9.4 nu wel is komen te vervallen. Verder staat vast dat verzoekster nog in mei 2021 brieven verstuurde waarbij werd verwezen naar artikel 9.4 van de algemene voorwaarden.
Overtreding van artikel 6:236, aanhef en onder o, van het BW 22.1.
Verzoekster betoogt dat zij artikel 6:236, aanhef en onder o, van het BW niet heeft geschonden. Verzoekster heeft hierover het volgende aangevoerd. Volgens de ACM overtreedt verzoekster deze bepaling omdat het lidmaatschap volgens de ACM niet per e-mail kan worden opgezegd. Dit is niet juist. Zoals verzoekster al tijdens het gesprek op 14 januari 2022 aan de ACM kenbaar had gemaakt en in haar zienswijze heeft herhaald, kunnen leden per e-mail opzeggen en doen zij dat ook. De ACM heeft hier verder geen onderzoek naar gedaan en verzoekster ook geen verdere vragen gesteld. Dit illustreert volgens verzoekster het onzorgvuldige en vooringenomen onderzoek van de ACM. Verder merkt [Naam] op dat de ACM kennelijk meent dat ‘schriftelijk’ betekent dat een opzegging alleen per post kan worden gedaan. Dat is niet juist. Een schriftelijke kennisgeving kan ook per e-mail worden gedaan. En dat gebeurt inmiddels ook.
22.2.
De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. Zoals gezegd, staat in artikel 6:236 BW een zogenoemde zwarte lijst met bepalingen die onredelijk bezwarend zijn en op grond van artikel 6:233 van het BW vernietigbaar zijn. Daaronder valt de volgende situatie, opgenomen onder o: dat de bevoegdheid van de wederpartij om de overeenkomst op dezelfde wijze op te zeggen als de wijze waarop die tot stand is gekomen, waaronder elektronische weg, wordt beperkt of uitgesloten. Volgens de ACM doet zich deze situatie voor, wat een overtreding van artikel 8.3 van de Whc oplevert. Verzoekster bepaalt immers in artikel 9.3 van de algemene voorwaarden dat de opzegging ten minste één maand tegen de einddatum van de lopende jaartermijn moet plaatsvinden en dat een opzegging via een ondertekende schriftelijke kennisgeving plaatsheeft, terwijl die eis niet geldt voor het aangaan van de overeenkomst. Gelet op artikel 12.1 van de algemene voorwaarden moet die schriftelijke kennisgeving ook worden ondertekend. Het ligt dus in de rede onder schriftelijk te verstaan dat de opzegging per brief moet geschieden en niet mogelijk is per mailbericht.
22.3.
In de hiervoor genoemde memorie van toelichting is ten aanzien van artikel 6:236, aanhef en onder o, van het BW te lezen: “In het wetsvoorstel wordt nog een nieuwe bepaling in artikel 236 toegevoegd (onderdeel o), die er in voorziet dat de gebruiker niet mag eisen dat op een andere manier opgezegd moet worden, dan de wijze waarop een overeenkomst tot stand gekomen is. Dat betekent dat als een overeenkomst per e-mail [wordt] gesloten, deze ook per e-mail moet kunnen worden opgezegd, en niet geëist kan worden [dat] dit per brief gebeurt. Dit geldt ook voor aanmelden en opzeggen per fax of per brief. Op die manier wordt beoogd om meer evenwicht te brengen in de verhouding tussen aanbieder en consument.”
22.4.
De voorzieningenrechter stelt met de ACM vast dat uit de verklaringen van consumenten afdoende naar voren komt dat verzoekster wel degelijk vasthield aan de eis dat het abonnement alleen per brief kon worden opgezegd. Enkele van de consumenten die de ACM heeft gehoord hebben ter staving van hun klacht ook documentatie overgelegd. De blote ontkenning van deze handelspraktijk legt onvoldoende gewicht in de schaal. Volgens de voorzieningenrechter heeft de ACM daarom aannemelijk gemaakt dat verzoekster artikel 6:236, aanhef en onder o, van het BW heeft overtreden. Dat verzoekster naar zij stelt opzeggingen per mailbericht inmiddels is gaan accepteren doet hier niet aan af. Wijzigingen na de lastoplegging zijn namelijk in beginsel niet van invloed op de rechtmatigheid van de lastoplegging.
Overtreding van artikel 6:233 van het BW 23.1.
De ACM stelt over de overtreding van artikel 6:233 van het BW het volgende. In artikel 5.2 van de [Naam] Lidmaatschap voorwaarden staat beschreven dat als het lid ongeldig opzegt en de incasso van de contributie tegenwerkt, zij een boete verschuldigd is van driemaal de reguliere contributie onverminderd het recht van verzoekster op vergoeding van de geleden schade. Uitgaande van de prijs van het lidmaatschap komt dit neer op (minimaal) € 495. Dit betekent in de praktijk dat de consument die na het eerste contractjaar gebruik wil maken van zijn wettelijk recht om de overeenkomst met een maand opzegtermijn te beëindigen, daarin ten zeerste beperkt wordt. Het is onduidelijk wat verzoekster precies bedoelt met een ‘ongeldige opzegging’.
Uit de praktijk komt naar voren dat verzoekster in ieder geval een opzegging binnen de vermeende stilzwijgende verlenging van een jaar ziet als ongeldige opzegging. Dit volgt uit de meldingen bij ACMConsuWijzer en consumentenverklaringen die de ACM heeft afgenomen. Het hanteren van een dergelijke boeteclausule op zichzelf is volgens de ACM onredelijk bezwarend omdat verzoekster volgens artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW de consument na het verstrijken van de eerste contractperiode, slechts kan binden aan een maand opzegtermijn na omzetting van het contract voor bepaalde of onbepaalde tijd. Door een dergelijke boeteclausule te hanteren in de algemene voorwaarden, beperkt verzoekster de consument ernstig in haar mogelijkheden om gebruik te maken van haar wettelijk recht om na verlenging het contract op te zeggen met een maand opzegtermijn.
De consument bevindt zich niet in de positie om met de professionele gebruiker van de algemene voorwaarden te onderhandelen over de inhoud van die algemene voorwaarden. Een beding in de overeenkomst (zoals algemene voorwaarden), waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien dit beding het evenwicht tussen de rechten en de verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
23.2.
Verzoekster betoogt dat geen sprake is van schending van artikel 6:233 van het BW door verzoekster. Verzoekster heeft in dit verband het volgende aangevoerd: Ten eerste geeft de ACM pas in lastoplegging een onderbouwing van deze vermeende overtreding. Die onderbouwing ontbrak in de vooraankondiging, zodat verzoekster destijds ten onrechte beperkt werd in het geven van een zienswijze. Dit illustreert volgens verzoekster dat de ACM de rechten van verzoekster schendt. Ten tweede stelt de ACM dat de boeteclausule onredelijk bezwarend zou zijn, omdat zij leden daarmee zou beperken om gebruik te maken van het wettelijk recht om het lidmaatschap na een jaar met één maand opzegtermijn op te zeggen. Volgens verzoekster kunnen leden op ieder moment in het lidmaatschapjaar opzeggen met in achtneming van een opzegtermijn van een maand. De opzegging leidt er niet toe dat het lid niet meer van zijn/haar lidmaatschapsrechten in het betreffende lidmaatschapsjaar gebruik kan maken en dat de contributie pro rata wordt terugbetaald. Bovendien is de regeling voor ‘abonnementen’(Wet van Dam) niet van toepassing. Ten derde stelt de ACM dat sprake is van een onredelijk beding, omdat verzoekster volgens de ACM een onevenredig hoge schadevergoeding oplegt aan de consument die zijn verbintenis niet nakomt. Kennelijk meent de ACM dat een boete van € 495 onevenredig is. De ACM gaat er daarmee ten onrechte aan voorbij dat vele leden jarenlang lid zijn en als lid in totaal duizenden euro’s meer voordeel hebben behaald met ‘Veilingaankopen’ dan dat zij aan contributie hebben betaald. Niet valt in te zien op welke grondslag een boete van € 495 onevenredig zou zijn om leden ertoe aan te zetten de voorwaarden van verzoeksters lidmaatschap te respecteren bij de opzegging ervan, dit mede in het belang van alle overige leden. Ten vierde is het aan de ACM om te bewijzen dat de boeteclausule ‘gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijdse kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval onredelijk bezwarend is’. Dat bewijs heeft de ACM niet geleverd. De ACM heeft bovendien louter oog voor de consument en niet voor de (kenbare) belangen van verzoekster en haar leden. Ook laat de ACM ten onrechte onvermeld dat verzoekster over geen andere mogelijkheid beschikt om actie te ondernemen tegen ongeldige opzeggingen dan te dreigen met een boete én dat zij in de praktijk geen boetes in rekening brengt.
Ten slotte betwist verzoekster dat zij een opzegging binnen de vermeende stilzwijgende verlenging van een jaar ziet als ongeldige opzegging.
23.3.
De voorzieningenrechter kan het standpunt van de ACM volgen. Hiervoor is overwogen dat verzoekster handelt in strijd met artikel 6:236, aanhef en onder j, van het BW door het lidmaatschap telkens met een jaar te verlengen zonder dat het lidmaatschap op maandbasis kan worden opgezegd. Het voorkomen dat consumenten na verlenging gebruik maken van hun recht tot opzegging door die als ongeldig te bestempelen en daar in de algemene voorwaarden een boeteclausule aan te verbinden die neerkomt op de kosten van het lidmaatschap voor de duur van drie jaren, acht de rechtbank met de ACM onredelijk bezwarend. Over deze algemene voorwaarde is niet onderhandeld, terwijl een dergelijke boeteclausule ook is vermeld in de bijlage bij de richtlijn 93/13/EEG.
De stelling van verzoekster dat het boetebedrag niet onredelijk hoog is omdat consumenten met de veilingaankopen voordelen kunnen hebben die aanzienlijk meer bedragen dan de jaarcontributie, gaat er aan voorbij dat de boeteclausule enerzijds moet worden afgezet tegen de jaarcontributie en anderzijds tot doel heeft consumenten af te houden van hun recht tot opzegging. Met de ACM is de voorzieningenrechter daarom van oordeel verzoekster artikel 6:233 van het BW heeft overtreden. Dat verzoekster niet daadwerkelijk tot het in rekening brengen van boetes overgaat, maakt dit niet anders. De stelling van verzoekster dat in het voornemen tot lastoplegging een onderbouwing van deze overtreding ontbreekt mist feitelijke grondslag.
De overtreding en een korte motivering daarvan zijn vermeld op bladzijde 3 van de brief van 16 februari 2021.
Overtreding van artikel 6:193h, eerste lid, van het BW 24.1.
De ACM heeft deze overtreding als volgt onderbouwd. Het in brieven schermen met een boete van € 495 heeft tot gevolg dat consumenten geneigd zullen zijn de overeenkomst aan te houden, ook al staan zij in hun recht om die op te zeggen. Zo komt uit een consumentenverklaring naar voren dat een consument denkt dat hij een risico loopt als hij de vordering zou betwisten. Daarom laat hij het er maar bij zitten. Ook andere consumenten hebben om deze reden het lidmaatschap langer aangehouden. De ACM acht het zeer waarschijnlijk dat de gemiddelde consument in de veronderstelling is dat hij/zij geen rechten heeft als er door verzoekster geschermd wordt met algemene voorwaarden en hij/zij daarbij een boete riskeert. De consument zal daarom geneigd zijn de (onterechte) vordering toch maar te betalen, zeker omdat er gedreigd wordt met een hoge boete. De hoogte van de boete heeft een groot afschrikwekkend effect, ongeacht of verzoekster daadwerkelijk tot het incasseren van de boete overgaat. De consument wordt door deze handelspraktijk, waarbij sprake is van ongepaste beïnvloeding en intimidatie via brieven, in zijn keuzevrijheid of vrijheid van zijn handelen aanzienlijk beperkt of kan hierdoor worden beperkt.
24.2.
Verzoekster betoogt dat geen sprake is van schending van artikel 6:193h, eerste lid, van het BW. Verzoekster heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Verzoekster stuurt sinds medio 2021 geen brieven meer aan leden waarin zij kenbaar maakt dat een Veilingaankoop een opzegging ongedaan maakt en dat als het lid vasthoudt aan de opzegging, hij/zij een boete verschuldigd is. De ACM constateert dit zelf ook. Immers, de laatste brief die de ACM heeft, dateert van mei 2021. De veronderstelde overtreding is dus al meer dan een jaar geleden beëindigd. Verder heeft de ACM volgens verzoekster niet gemotiveerd op welke grondslag voldaan zou zijn aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 6:193h, eerste lid, van het BW. Het ontgaat verzoekster hoe de gemiddelde consument door deze vermeende brieven ‘een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen’.
24.3.
Ook hier kan de voorzieningenrechter het standpunt van de ACM onderschrijven.
Doordat [Naam] zich in haar brieven heeft beroepen op de boeteclausule uit de algemene voorwaarden en heeft geschermd met het feit dat de consument deze boete verschuldigd zou zijn indien hij/zij de opzegging niet annuleert, heeft de gemiddelde consument een ander besluit over de overeenkomst kunnen nemen. De wijze waarop verzoekster via deze brieven haar leden onder druk zette om consumenten langer vast te houden aan een lidmaatschap waar zij eerder van af hadden willen komen, kwalificeert daarmee als agressieve handelspraktijk in de zin van artikel 6:193h, eerste lid, van het BW. Dit levert een overtreding op van artikel 8.8 van de Whc. De stelling van verzoekster dat de agressieve handelspraktijk medio 2021 ten einde is gekomen, laat volgens de voorzieningenrechter onverlet dat de ACM deze gedragingen heeft mogen meewegen bij de beslissing tot lastoplegging. Artikel 5.2 van de algemene voorwaarden die het hanteren van de boete mogelijk maakt is ongewijzigd, terwijl een last gelet op artikel 5:2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb ook kan strekken tot het voorkomen van herhaling van de overtreding. (Mogelijke) schade aan de collectieve belangen van consumenten 25.1.
Verzoekster betoogt dat er geen schendingen zijn die tot schade aan de collectieve belangen van consumenten kunnen leiden. Volgens verzoekster kan de motivering van de ACM dat sprake zou zijn van schade aan collectieve belangen, omdat de gedragingen en verkoopwijze via internet het kenmerk hebben dat meerdere consumenten op eenzelfde manier zijn of kunnen worden bereikt en geschaad en dat het hanteren van algemene voorwaarden op zichzelf al een collectief karakter heeft, geen stand houden. Volgens verzoekster gaat de ACM er aan voorbij dat verzoekster geen producten aan consumenten verkoopt, maar alleen aan consumenten die lid van verzoekster zijn. De vermeende schade is bovendien beperkt tot leden van verzoekster van wie het lidmaatschap is verlengd en die dat lidmaatschap willen opzeggen.
Het gaat hier volgens verzoekster om een zeer klein aantal consumenten, zoals blijkt uit de informatie die verzoekster aan de ACM heeft verstrekt op 12 januari 2022. In de afgelopen twee jaar zegden 1.681 leden hun lidmaatschap op. Verder zou de stellingname van de ACM impliceren dat iedere willekeurige onderneming, en dus ook een kleine zelfstandige, alleen al door het hanteren van een onredelijk beding in zijn algemene voorwaarden de collectieve belangen van consumenten zou kunnen schenden. De strekking van artikel 2.23 van de Whc gaat volgens verzoekster niet zo ver dat de ACM in dat geval een sanctie op kan leggen. Verzoekster wijst er verder op dat de ACM – voor zover verzoekster bekend – niet eerder voor een dergelijk beperkt aantal consumenten een sanctie heeft opgelegd.
De lastoplegging is volgens haar dus ook in strijd met het verbod op willekeur en het evenredigheidsbeginsel.
25.2.
De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. Op de website biedt verzoekster consumenten diensten aan waardoor consumenten mee kunnen doen aan veilingen. De gedragingen en verkoopwijze via internet van verzoekster hebben het kenmerk dat meerdere consumenten op eenzelfde manier zijn of kunnen worden bereikt en geschaad, waardoor volgens de ACM sprake is van een mogelijke schending van collectieve belangen van consumenten. Ook dit standpunt van de ACM kan de voorzieningenrechter volgen. De verkoopwijze waarop de ACM heeft gedoeld, heeft betrekking op het lidmaatschap dat verzoekster te koop aanbiedt en niet op de aankopen op de veilingen. Anders dan verzoekster stelt gaat het hier niet om een zeer beperkte groep consumenten, maar om alle consumenten die een abonnement zijn aangegaan bij verzoekster – dat zijn er duizenden – en ook potentiële nieuwe leden. Daarbij geldt dat gelet op de definitie van inbreuk in artikel 1.1 van de Whc concrete schade niet hoeft te worden vastgesteld. Verder wijst de rechtbank voor wat betreft de vastgestelde agressieve handelspraktijk nog op het slot van het tweede lid van artikel 11 van Richtlijn 2005/29/EG en de rechtspraak van de rechtbank over die bepaling. De verwijzing van verzoekster naar artikel 2.23 van de Whc kan de voorzieningenrechter niet volgen, want dat ziet op het doen van een openbare waarschuwing, die hier niet aan de orde is.
De lastoplegging 26. Voor zover verzoekster meent dat de ACM moet afzien van handhaving overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Een last die mede bestaat uit enige vorm van informatieplicht acht de voorzieningenrechter geschikt en noodzakelijk om de overtredingen te doen stoppen dan wel herhaling daarvan te voorkomen. Van een onevenwichtigheid in de belangenafweging is de voorzieningenrechter niet gebleken. Niet valt uit te sluiten dat een aantal deelnemers hun overeenkomst opzegt na een eerste verlenging, maar daarmee is niet gegeven dat het bedrijfsmodel van verzoekster (volledig) onhoudbaar zal zijn. Zij beschikte eind 2021 over ruim 20.000 klanten. Het niet langer aan hen tegenwerpen van bepaalde algemene voorwaarden betekent niet automatisch dat de gevolgen voor de (resterende) deelnemers en verzoekster niet zijn te overzien.
Wel zal verzoekster moeten incalculeren dat in de toekomst meer deelnemers kort na een veiling op zullen zeggen dan eerder het geval was. De last komt daarom niet in strijd met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. De ACM heeft bij haar besluitvorming een zwaarder belang mogen toekennen aan handhaving van consumentenrechten. In dit verband merkt de voorzieningenrechter nog op dat de burgerlijke rechter gehouden is ambtshalve te beoordelen of in consumentenovereenkomsten sprake is van een oneerlijk beding. Mede gelet op het grote belang van consumentenbescherming en concurrentiebevordering, die de ratio vormen van Richtlijn 93/13/EEG, ligt het in de rede dat ook de ACM in voorkomende gevallen handhavend optreedt.
Het publicatiebesluit 31.1.
Verzoekster betoogt dat openbaarmaking van de lastoplegging achterwege moet blijven. In dit verband heeft zij het volgende aangevoerd. Artikel 12u van de Instellingswet bevat een minder vergaande openbaarmakingsverplichting dan artikel 12v van die wet. De ACM dient daarom een belangenafweging uit te voeren, wat zij heeft nagelaten. Verzoekster wordt onevenredig benadeeld door het publicatiebesluit, zodat openbaarmaking op grond van artikel 5.1, vijfde lid, van de Wet open overheid (Woo) en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb achterwege zou moeten blijven.
31.2.
Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen is de ACM op grond van artikel 12u, eerste en vierde lid, van de Instellingswet gehouden de besluiten tot lastoplegging met inachtneming van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, thans artikel 5 van de Woo, openbaar te maken, tenzij openbaarmaking naar het oordeel van de ACM in strijd is of zou kunnen komen met het doel van het aan haar opgedragen toezicht op de naleving. Indien sprake is van een verplichting tot openbaarmaking van een sanctiebesluit – zoals hier het geval is – zal die verplichting slechts komen te vervallen indien het sanctiebesluit – in essentie – onrechtmatig wordt bevonden. Hiervoor is overwogen dat de lastoplegging naar verwachting in rechte stand kan houden, met uitzondering van de informatieverplichting.
Anders dan verzoekster stelt was de ACM dan ook niet gehouden tot een nadere belangenafweging. De verwijzing naar artikel 5 van de Woo in artikel 12u van de Instellingswet ziet niet op de openbaarmaking als zodanig, maar op het weglakken van gegevens. De ACM heeft met het oog op publicatie een geschoonde versie aan verzoekster voorgelegd. Noch in haar zienswijze noch in deze procedure heeft verzoekster aangegeven dat de ACM onvoldoende gegevens heeft weggelakt. Gelet op het verplichtende karakter van artikel 12u, eerste en vierde lid, van de Instellingswet kan noch aan artikel 5 van de Woo noch aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb een beroep worden ontleend met het oog op het geheel achterwege laten van publicatie van de lastoplegging.
Evenmin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het bijbehorende persbericht onrechtmatig te achten.
31.3.
Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te bepalen dat de ACM de lastoplegging slechts mag publiceren indien zij het gedeelte over de informatieverstrekking in randnummer 93 onleesbaar maakt. De reden hiervoor is dat de oorspronkelijke tekst is gewijzigd met het wijzigingsbesluit, terwijl de oorspronkelijke tekst ook op gespannen voet staat met de bevoegdheid van de ACM, zoals hiervoor is overwogen onder 28. Het in de plaats daarvan publiceren van het wijzigingsbesluit is geen optie, omdat de voorzieningenrechter juist ook ten aanzien daarvan een voorlopige voorziening treft.
Slotoverwegingen 33. Gelet op wat hiervoor is overwogen ziet de voorzieningenrechter aanleiding tot een beperkte schorsing van de lastoplegging en het publicatiebesluit.
Beslissing De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Lunenberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hiervoor vermelde datum.
De griffier en de voorzieningenrechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Bijlage Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (vertaling) Artikel 6. Recht op een eerlijk proces (…) 2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.
Het feit dat over bepaalde aspecten van een beding of een specifieke termijn afzonderlijk is onderhandeld, sluit de toepassing van dit artikel op de rest van een overeenkomst niet uit indien uit een algemene beoordeling van de overeenkomst blijkt dat het niettemin om een vooraf opgestelde standaardovereenkomst gaat.
Wanneer een verkoper beweert dat er individueel over een standaardtermijn is onderhandeld, rust de bewijslast in dit verband op hem.
Artikel 7 1. De lidstaten zorgen ervoor dat er in het belang van de consumenten en van de concurrenten passende en doeltreffende middelen bestaan om te voorkomen dat oneerlijke bedingen in door verkopers met consumenten gesloten overeenkomsten worden gebruikt. (…) BIJLAGE IN ARTIKEL 3, LID 3, BEDOELDE TERMEN 1. Voorwaarden die tot doel of tot gevolg hebben dat: (…)
Artikel 4:8 1. Voordat een bestuursorgaan een beschikking geeft waartegen een belanghebbende die de beschikking niet heeft aangevraagd naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt het die belanghebbende in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien: a. de beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die de belanghebbende betreffen, en b. die gegevens niet door de belanghebbende zelf ter zake zijn verstrekt. (…) Artikel 5:2 1. In deze wet wordt verstaan onder: (…) b. herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding; (...) Artikel 5:13 Een toezichthouder maakt van zijn bevoegdheden slechts gebruik voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak nodig is.
Artikel 5:20 1. Een ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. (…) Artikel 5:31d Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:32a 1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.
Artikel 5:32b 1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.
Artikel 5:48 1. Het bestuursorgaan en de voor de overtreding bevoegde toezichthouder kunnen van de overtreding een rapport opmaken.
Artikel 7:4 1. Tot tien dagen voor het horen kunnen belanghebbenden nadere stukken indienen.
Instellingswet Autoriteit Consument en Markt Artikel 6b 1. Een ieder verstrekt de Autoriteit Consument en Markt desgevraagd de gegevens en inlichtingen en verschaft haar desgevraagd inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van de in artikel 2, tweede lid, bedoelde taken.
Artikel 8.8 Het is een handelaar als bedoeld in artikel 193a, eerste lid, onderdeel b, van Boek 6 van het Burgerlijk wetboek niet toegestaan oneerlijke handelspraktijken te verrichten als bedoeld in Afdeling 3A van Titel 3 van dat boek.
Artikel 2.23 1. De Autoriteit Consument en Markt kan in het kader van haar taken, genoemd in deze wet, een openbare waarschuwing uitvaardigen voordat zij een inbreuk of inbreuk binnen de Unie heeft vastgesteld, indien dat redelijkerwijs noodzakelijk is om consumenten snel en effectief te informeren over een schadeveroorzakende handelspraktijk van een ondernemer en daardoor schade te voorkomen.
Titel 4. Verbintenissen uit andere bron dan onrechtmatige daad of overeenkomst Afdeling 3. Algemene voorwaarden Artikel 233 Een beding in algemene voorwaarden is vernietigbaar a. indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij; of b. indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen.
Artikel 236 Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt als onredelijk bezwarend aangemerkt een in de algemene voorwaarden voorkomend beding (…) j. dat in geval van een overeenkomst tot het geregeld afleveren van zaken, elektriciteit, warmte en koude daaronder begrepen en dag-, nieuws- en weekbladen en tijdschriften niet daaronder begrepen, of tot het geregeld doen van verrichtingen, leidt tot stilzwijgende verlenging of vernieuwing in een overeenkomst voor bepaalde duur, dan wel tot een stilzwijgende voortzetting in een overeenkomst voor onbepaalde duur zonder dat de wederpartij de bevoegdheid heeft om de voortgezette overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand; (…) o. dat de bevoegdheid van de wederpartij om de overeenkomst, die mondeling, schriftelijk of langs elektronische weg tot stand is gekomen, op een overeenkomstige wijze op te zeggen, uitsluit of beperkt; (…) Artikel 237 Bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een wederpartij, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een in de algemene voorwaarden voorkomend beding (…) k. dat voor een overeenkomst als bedoeld in artikel 236 onder j of p respectievelijk q een duur bepaalt van meer dan een jaar, tenzij de wederpartij na een jaar de bevoegdheid heeft de overeenkomst te allen tijde op te zeggen met een opzegtermijn van ten hoogste een maand; (…) Artikel 246 Noch van de artikelen 231-244, noch van de bepalingen van de in artikel 239 lid 1 bedoelde algemene maatregelen van bestuur kan worden afgeweken. De bevoegdheid om een beding krachtens deze afdeling door een buitengerechtelijke verklaring te vernietigen, kan niet worden uitgesloten.
Dit volgt uit de artikelen 6:19, eerste lid, en 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie artikel 5:31d van de Awb.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2017:3122 en ECLI:NL:RVS:2022:334.
ECLI:EU:C:2011:868 (zaak Cicala) en ECLI:EU:C:2014:2081 (zaak Y.S. e.a.).
Zie de artikelen 5:20, eerste lid, van de Awb en 6b, eerste lid, van de Instellingswet.
Op grond van artikel 12m van de Instellingswet.
Kamerstukken II 2005/06, 30 520, nr. 3, blz. 6.
Kamerstukken II 2005/06, 30 520, nr. 3, blz. 1.
Vergelijk ECLI:NL:RBGEL:2017:5193.
Kamerstukken II 2005/06, 30 520, nr. 3, blz. 4.
Vergelijk ECLI:NL:RVS:2016:3388 en ECLI:NL:RVS:2020:2571.
Vgl. ECLI:NL:RBROT:2021:13280.
Bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2021:782.
ECLI:NL:HR:2013:691.
Zie de considerans bij Richtlijn 93/13/EEG en artikel 7, eerste lid, van die richtlijn.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2016:569.
ECLI:NL:RBROT:2021:787.
Vergelijk ECLI:NL:CBB:2018:7.