RECHTBANK ROTTERDAM Zaaknummer: 10002174 VZ VERZ 22-9593 Uitspraak: 30 september 2022 Beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, in de zaak van: [verzoekster] , gevestigd te [vestigingsplaats verzoekster] , verzoekster, tevens verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, gemachtigde: mr. N. Robijn-Meijer en mr. S.T. van Gestel, advocaten te Middelharnis, tegen [verweerster] , wonende te [woonplaats verweerster] , verweerster, tevens verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek, gemachtigde: mr. E.V.H. van Tricht, advocaat te Middelharnis. Partijen zullen hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘ [verweerster] ’ worden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 20 juli 2022; het verweerschrift, tevens houdende (voorwaardelijk) tegenverzoek; de e-mail van 1 september 2022 aan de zijde van [verzoekster] , met productie; de spreekaantekeningen van mr. N. Robijn-Meijer en mr. S.T. van Gestel; het werkplan van het UWV, dat ter zitting door mr. E.V.H. van Tricht is overgelegd. 1.2. Op 9 september 2022 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met partijen besproken. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft gelijktijdig, maar niet gevoegd, de behandeling plaatsgevonden van de kort geding procedure tussen partijen (zaaknummer 9972625 VV EXPL 22-251). Daarbij waren aanwezig [verweerster] in persoon, tezamen met [naam 1] (tolk) en bijgestaan door de gemachtigde mr. E.V.H. van Tricht. Namens [verzoekster] zijn verschenen [naam 2] (directeur) en [naam 3] (directeur), bijgestaan door de gemachtigden mr. N. Robijn-Meijer en mr. S.T. van Gestel. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 2. De feiten 2.1. [verweerster] , geboren op [geboortedatum verweerster] , is op 18 juli 2014 voor 24 uur per week in dienst getreden van [verzoekster] in de functie van medewerker inpak A. Laatstelijk is [verweerster] werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tegen een bruto maandsalaris van € 1.574,56, exclusief 8% vakantietoeslag. 2.2. [verzoekster] is een familiebedrijf dat zich bezig houdt met de vervaardiging van beschuit, koekjes en ander houdbaar banketbakkerswerk. 2.3. Op 18 maart 2022 heeft [verzoekster] [verweerster] een beëindigingsovereenkomst overhandigd. In deze beëindigingsovereenkomst zijn, voor zover thans van belang, de volgende bepalingen opgenomen: “ (…) 4.1. De arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden op 21-03-2022. 4.2. De werknemer wordt tot einde dienstverband vrijgesteld van werk met behoud van loon inclusief emolumenten. 4.3. De werkgever betaalt de werknemer een beëindigingsvergoeding van € 3.149,34 bruto (= 2 x maandsalaris). Hij maakt het netto-equivalent van dit bedrag (na verplichte inhoudingen en verrekening van vakantiedagen door werkgever) uiterlijk 31-03-2022 over aan de werknemer. (…) 4.6. De werkgever en werknemer hebben na de financiële eindafrekening niets meer van elkaar te vorderen. Zij verlenen elkaar finale kwijting. (…) 5. Ondertekening Door de overeenkomst te ondertekenen verklaren beide partijen dat zij de arbeidsovereenkomst willen beëindigen en dat zij op de hoogte zijn van de gevolgen daarvan. Deze overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7:900 BW.” 2.4. Op 20 maart 2022 heeft tussen [verweerster] en [verzoekster] de volgende Whatsapp-correspondentie plaatsgevonden: “ [verweerster] : Goedeavond! Dit document, wat ik vrijdag kreeg, moet ik ondertekenen en een foto maken en opsturen? Of wil je het me opnieuw ondertekend per e-mail sturen? Omdat ik het niet weet. en stuur mij morgen mijn jaaropgaaf voor 2021 per e-mail. Ik heb geen toegang tot de app zoals [naam 4] wist. en ik heb het niet gedownload en ik moet rekeningen vereffenen. [verzoekster] : Hoi [verweerster] , we zullen je morgen het document met handtekeningen per email sturen, bij akkoord zien we het dan graag getekend terug. Je jaaropgave en ook de afrekening zullen we je ook per e-mail toesturen. Dank alvast.” 2.5. Per e-mail van 21 maart 2022 schrijft [verzoekster] aan [verweerster] het volgende: “Zoals besproken bijgaand de getekende beëindigings overeenkomst, deze zien we graag getekend terug alvorens we de eindafrekening kunnen gaan opstellen. Tevens bijgaand je jaaropgave voor 2021. Alvast bedankt. Mocht je nog vragen hebben, laat het ons even weten.” 2.6. Op 23 maart 2022 heeft tussen [verweerster] en [verzoekster] de volgende Whatsapp-correspondentie plaatsgevonden: “ [verweerster] : Hoi! Ik zou graag willen weten wanneer u mij documenten stuurt om te ondertekenen? Ik heb ze nodig. Groetjes, [verweerster] [verzoekster] : Hi [verweerster] , ik heb het je gisteren per email gestuurd naar [e-mailadres], is dat je email adres? [verweerster] : ja dat is mijn e-mail. maar ik heb niets. [verzoekster] : Ok vreemd, ik ga het nog eens naar je sturen. Ik heb de email zojuist verstuurd, ik stuur je de bijlages ook even via Whatsapp.” 2.7. Op 24 maart 2022 heeft [verweerster] de beëindigingsovereenkomst ondertekend. 2.8. Per e-mail van 1 april 2022 schrijft [verweerster] aan [verzoekster] het volgende: “Volgens de beëindiging van het contract dat ik van u kreeg, tegen 31 maart, zouden we eigenlijk de rekeningen vereffenen. Mijn vraag is wanneer krijg ik mijn eindafrekening? En het document voor de betaling voor maart en de jaaropgaaf voor 2022.” 2.9. Per e-mail van 1 april 2022 schrijft [verzoekster] aan [verweerster] het volgende: “Bijgaand je laatste loonstrook inclusief beëindigingsvergoeding en verrekening onbetaald verlof, vakantiegeld en uitbetaling vakantie uren. Mocht je hier nog vragen over hebben, laat het ons dan even weten De jaaropgave voor 2022 kunnen we pas in januari 2023 opmaken.” 2.10. In reactie op de e-mail van [verzoekster] schrijft [verweerster] op 1 april 2022: “ik zou mijn elke dag, elk uur willen ontknopen als ik niet aan het werk was in 2021 en 2022. Waarom hebben jullie 97,99 vakantie uren in mindering gebracht? Waar is het onbetaalde verlof van ….. Ik heb dit nodig voor mijn accountant om te controleren” 2.11. Op 2 april 2022 mailt [verzoekster] [verweerster] , voor zover thans van belang, het volgende: “Zie bijlage voor de mutaties per week van de vakantie en overuren. Je kan op dyflexis inloggen om het per dag te zien. (…)” 2.12. Bij brief van 19 april 2022 heeft het UWV [verweerster] bericht dat zij tot en met 31 mei 2022 geen WW-uitkering ontvangt, omdat tot en met die datum een opzegtermijn in acht genomen had moeten worden. 2.13. Per e-mail van 4 mei 2022 aan [verzoekster] heeft de gemachtigde van [verweerster] een beroep gedaan op de vernietiging van de beëindigingsovereenkomst wegens dwaling en/of misbruik van omstandigheden en [verzoekster] gesommeerd het loon vanaf 21 maart 2022 aan [verweerster] te betalen. Tevens heeft haar gemachtigde [verweerster] ziek gemeld en wordt [verzoekster] aansprakelijk gesteld (artikel 7:658 BW) voor alle geleden en nog te lijden schade van [verweerster] vanwege grensoverschrijdend gedrag van collega’s en de onveilige werkomgeving, daaronder begrepen de door haar geleden en nog te lijden psychische schade. 2.14. Op 13 mei 2022 heeft de gemachtigde van [verzoekster] gereageerd op de brief van de gemachtigde van [verweerster] . Aan de sommatie van de gemachtigde van [verweerster] heeft [verzoekster] geen gehoor gegeven. 2.15. Met ingang van 1 juni 2022 ontvangt [verweerster] alsnog een WW-uitkering. 3. Het verzoek 3.1. [verzoekster] verzoekt, voor zover vereist, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde redelijke grond; II. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de duur gelegen tussen de ontvangst van het verzoekschrift en de dagtekening van de ontbindingsbeschikking; III. te bepalen dat een eventueel aan [verweerster] toe te kennen transitievergoeding dient te worden berekend op basis van het salaris ad € 1.699,92 en dat daarop in minder strekt de reeds betaalde beëindigingsvergoeding ad € 3.194,34 bruto. 3.2. Voor zover in rechte vast komt te staan dat [verweerster] de beëindigingsovereenkomst terecht heeft vernietigd en de arbeidsovereenkomst dientengevolge nog bestaat, meent [verzoekster] dat van haar niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie (artikel 7:669 lid 3 sub g BW). 3.3. [verzoekster] heeft daarbij, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. [verzoekster] heeft jarenlang begrip getoond en [verweerster] alle ruimte gegeven verlof op te nemen en later te beginnen of eerder te vertrekken. Dat haar nu wordt verweten dat zij niet is opgetreden tegen vermeend grensoverschrijdend gedrag en hierdoor psychische schade heeft veroorzaakt bij [verweerster] , terwijl [verzoekster] betwist dat sprake is van een onveilige werksituatie en de problemen van [verweerster] heel andere oorzaken hebben, heeft het vertrouwen in [verweerster] onherstelbaar beschadigd. Een verdere vruchtbare samenwerking is uitgesloten. 3.4. In geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst, is [verzoekster] een transitievergoeding aan [verweerster] verschuldigd. [verzoekster] verzoekt de reeds betaalde beëindigingvergoeding ter hoogte van € 3.149,34 bruto hiermee te verrekenen c.q. hierop in mindering te brengen. 4. Het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek 4.1. [verweerster] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: verweer I. [verweerster] zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van het verzoek de arbeidsovereenkomst met haar te ontbinden; II. [verzoekster] te veroordelen aan [verweerster] met inachtneming van artikel 7:673 lid 1 onder b, sub 2 BW, de transitievergoeding toe te kennen van € 4.746,75 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot de datum van betaling; III. aan [verweerster] ten laste van [verzoekster] een billijke vergoeding toe te kennen van € 106.247,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de beschikking tot de datum van betaling; IV. aan [verweerster] op grond van het bepaalde in artikel 7:611 BW jo. 6:96 BW een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen van € 4.060,52, voor het geval deze kosten geen onderdeel van de verzochte billijke vergoeding plegen te zijn; V. [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten; voorwaardelijk tegenverzoek VI. de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] , voor het geval deze nog mocht bestaan na intrekking door [verzoekster] van haar ontbindingsverzoek, te ontbinden onder toekenning van de transitievergoeding ad € 4.746,75 bruto en een billijke vergoeding ad € 106.247,14 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van uw beschikking tot de datum van betaling; VII. aan [verweerster] op grond van het bepaalde in artikel 7:611 BW jo. 6:96 BW een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen van € 4.060,52, voor het geval deze kosten geen onderdeel van de verzochte billijke vergoeding plegen te zijn; VIII. voor recht te verklaren dat de beëindigingsovereenkomst tussen partijen d.d. 21 maart 2022 is vernietigd en daarmee dat de arbeidsovereenkomst na 21 maart 2022 tussen partijen is voortgezet; IX. tot betaling van het aan [verweerster] toekomende loon ad € 1.574,00 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, zulks met terugwerkende kracht vanaf 21 maart 2022 en zulks, op de gebruikelijke wijze en op het gebruikelijke tijdstip, tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd; X. tot betaling van de wettelijke verhoging zoals bepaald in artikel 7:625 BW van 50% over het gevorderde bedrag aan achterstallig loon vermeerderd met 8% vakantietoeslag vanaf 21 maart 2022; XI. tot betaling van de wettelijke rente over hetgeen [verzoekster] aan [verweerster] verschuldigd is vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening; XII. tot betaling aan [verweerster] van € 367,15 bruto aan onbetaald verlof en € 1.483,57 bruto aan vakantie-uren, welke bedragen [verzoekster] ten onrechte met het loon van [verweerster] heeft verrekend; XIII. tot toezending aan [verweerster] van de salarisspecificaties betreffende de door [verzoekster] verschuldigde betalingen, zulks binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag, voor iedere dag of gedeelte van de dag dat [verzoekster] hieraan geen medewerking verleent; XIV. [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten. 4.2. [verweerster] voert verder verweer tegen het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster] en bestrijdt dat de ontslaggrond ‘een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie’ de werkelijke ontslaggrond betreft. In werkelijkheid wordt [verweerster] disfunctioneren verweten door [verzoekster] . [verweerster] bestrijdt dat daarvan sprake is. In dit geval is de zogenoemde Asscher-escape van toepassing: er wordt ontbinding op de g-grond verzocht omdat de arbeidsovereenkomst verstoord is geraakt doordat de werkgever ten onrechte heeft geprobeerd de werknemer op een andere, onvoldragen grond te ontslaan. [verzoekster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld, als gevolg waarvan [verweerster] een billijke vergoeding ter hoogte van € 106.247,14 bruto moet worden toegekend. Ook heeft [verweerster] recht op de transitievergoeding. 4.3. Het tegenverzoek van [verweerster] strekt ertoe de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671b BW [de kantonrechter gaat ervan uit dat artikel 7:671c BW is bedoeld] onder de voorwaarde dat [verzoekster] haar ontbindingsverzoek intrekt. [verweerster] verzoekt een transitievergoeding en billijke vergoeding toe te kennen, te verklaren voor recht dat de beëindigingsovereenkomst is vernietigd en [verzoekster] te veroordelen [verweerster] het loon vanaf 21 maart 2022 door te betalen. [verweerster] maakt verder aanspraak op betaling van een aantal bedragen die [verzoekster] volgens haar ten onrechte op de eindafrekening in mindering heeft gebracht. [verweerster] heeft daarbij, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht. 4.4. Op 18 maart 2022 kreeg [verweerster] onverwacht een beëindigingsovereenkomst voorgelegd. Aan [verweerster] werd medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd, omdat [verweerster] vaak ziek of afwezig was. [verzoekster] droeg [verweerster] op de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen en deelde mede dat [verweerster] een uitkering bij het UWV kon aanvragen. [verzoekster] gaf aan dat de overeenkomst niet door een advocaat hoefde te worden gecontroleerd, omdat advocaten duur zijn. [verweerster] deelde [verzoekster] mede dat zij de beëindigingsovereenkomst niet begreep. Per e-mail ontving [verweerster] opnieuw de door [verzoekster] getekende beëindigingsovereenkomst met het verzoek deze te ondertekenen. Uiteindelijk heeft [verweerster] de beëindigingsovereenkomst ondertekend. [verweerster] beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om de beëindigingsovereenkomst te kunnen begrijpen. Daarnaast wist [verzoekster] , althans had zij in redelijkheid kunnen weten, dat [verweerster] onvoldoende juridische kennis heeft van het Nederlandse arbeidsrecht om de gevolgen van het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst te begrijpen. Van [verzoekster] had mogen worden verwacht dat zij [verweerster] had geadviseerd de beëindigingsovereenkomst juridisch te laten beoordelen en dat zij de kosten hiervan voor haar rekening had genomen. Dit heeft [verzoekster] niet gedaan. De beëindigingsovereenkomst is tot stand gekomen onder invloed van dwaling en/of misbruik van omstandigheden. Subsidiair stelt [verweerster] dat het beroep van [verzoekster] op de beëindigingsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verweerster] meent dat zij gerechtigd was de beëindigingsovereenkomst te vernietigen, als gevolg waarvan zij recht heeft op loon vanaf 21 maart 2022. 4.5. De verdere stellingen van [verweerster] en het verweer van [verzoekster] tegen de (voorwaardelijke) verzoeken van [verweerster] worden hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, besproken. 5. De beoordeling In het (voorwaardelijk) tegenverzoek van [verweerster] 5.1. De kantonrechter ziet aanleiding allereerst de (voorwaardelijk geformuleerde) tegenverzoeken VIII tot en met XI (zoals weergegeven onder randnummer 4.1) van [verweerster] te beoordelen. Hoewel [verweerster] deze verzoeken heeft opgenomen onder het kopje ‘voorwaardelijk tegenverzoek’, begrijpt de kantonrechter dat [verweerster] - aangezien onduidelijk is wat de voorwaarde is en gelet op het partijdebat tijdens de mondelinge behandeling - deze verzoeken onvoorwaardelijk heeft bedoeld. Dwaling 5.2. [verweerster] heeft verzocht voor recht te verklaren dat de beëindigingsovereenkomst tussen partijen is vernietigd en dat daarmee de arbeidsovereenkomst na 21 maart 2022 tussen partijen is voortgezet. [verweerster] verzoekt verder kort gezegd loondoorbetaling vanaf 21 maart 2022 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Hieraan legt [verweerster] ten grondslag dat zij terecht op 4 mei 2022 de beëindigingsovereenkomst heeft vernietigd. [verweerster] heeft gesteld dat sprake is van dwaling (artikel 6:228 BW), omdat ten onrechte relevante informatie door [verzoekster] niet is gegeven. Volgens [verweerster] heeft [verzoekster] haar niet geïnformeerd over de arbeidsrechtelijke en financiële gevolgen van de beëindigingsovereenkomst. [verweerster] beheerst de Nederlandse taal onvoldoende, zodat zij de inhoud van de beëindigingsovereenkomst niet begreep. 5.3. De kantonrechter stelt voorop dat partijen een schriftelijke beëindigingsovereenkomst zijn overeengekomen (artikel 7:670b BW). [verweerster] heeft geen gebruik gemaakt van het recht de overeenkomst binnen (in dit geval) drie weken zonder opgaaf van redenen te ontbinden (artikel 7:670b lid 3 BW). 5.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:228 BW is een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en die bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar indien: a. de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij, tenzij deze mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten; b. de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten; c. sprake is van wederzijdse dwaling, tenzij de wederpartij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had hoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden. 5.5. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van dwaling dient vooropgesteld te worden dat niet in geschil is dat de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst is aan te merken als een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:900 BW. Dit brengt met zich dat de kantonrechter een beroep op dwaling ex artikel 6:228 BW met terughoudendheid dient toe te passen en dat partijen in beginsel geen beroep op dwaling toekomt ten aanzien van hetgeen waarover juist werd getwist of onzekerheid bestond (HR 15 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC4400). Blijkt echter een misvatting te bestaan ten aanzien van hetgeen partijen als zeker en onbetwist aan hun overeenkomst ten grondslag hebben gelegd, dan is een beroep op dwaling wel mogelijk. 5.6. Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende gebleken dat [verweerster] de inhoud van de beëindigingsovereenkomst niet heeft begrepen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerster] verklaard dat tijdens het gesprek op 18 maart 2022 is gesproken over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst en dat zij toen heeft gevraagd of zij een uitkering zou krijgen. [verzoekster] heeft [verweerster] hierover vervolgens geïnformeerd (zie over de WW-uitkering hierna overweging 5.10). Op 21 maart 2022 heeft [verzoekster] de beëindigingsovereenkomst per e-mail aan [verweerster] toegezonden, met daarbij de afsluitende opmerking dat mocht [verweerster] nog vragen hebben, zij dit kan laten weten. [verweerster] heeft vervolgens geen vragen gesteld waaruit kan worden afgeleid dat zij de inhoud van de beëindigingsovereenkomst niet begreep. Integendeel; uit de Whatsapp-correspondentie over het ondertekenen van de overeenkomst blijkt geenszins dat [verweerster] niet begreep dat haar arbeidsovereenkomst zou eindigen. [verweerster] vraagt op 23 maart 2022 zelf aan [verzoekster] wanneer haar de documenten, die zij kennelijk nog niet had ontvangen, worden toegestuurd om te ondertekenen. Ook uit de e-mail van [verweerster] aan [verzoekster] van 1 april 2022, waarin [verweerster] vraagt om een eindafrekening, blijkt dat zij wel degelijk begrepen heeft dat haar arbeidsovereenkomst is geëindigd. Verder heeft [verzoekster] onweersproken gesteld dat [verweerster] reeds vijftien jaar in Nederland is en zij altijd met elkaar in het Nederlands communiceerden. Uit de door [verzoekster] overgelegde Whatsapp-correspondentie tussen partijen (productie 5 bij het voorwaardelijke verzoek van [verzoekster] ) blijkt ook dat [verzoekster] en [verweerster] gedurende het dienstverband in het Nederlands met elkaar communiceerden. Dat [verweerster] de Nederlandse taal in het geheel niet machtig is, volgt de kantonrechter derhalve niet. Toegegeven dat het wel bevreemdt dat in de beëindigingsovereenkomst een einddatum van 21 maart 2022 is opgenomen, terwijl de overeenkomst door [verweerster] pas op 24 maart 2022 is ondertekend – [verzoekster] heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat sprake is van onwetendheid aan haar kant – maakt dit niet dat daarmee het beroep op dwaling slaagt. 5.7. Hoewel uit de correspondentie tussen partijen niet blijkt dat [verzoekster] [verweerster] heeft aangeraden juridisch advies in te winnen en de kosten daarvan voor haar rekening te nemen - partijen verschillen erover van mening of [verzoekster] tijdens het gesprek op 18 maart 2022 al dan niet tegen [verweerster] heeft gezegd zich te laten adviseren - is onvoldoende gebleken dat [verzoekster] ontoelaatbare druk op [verweerster] heeft uitgeoefend om de beëindigingsovereenkomst te ondertekenen. Zoals hiervoor reeds overwogen, mocht [verweerster] het laten weten als zij nog vragen had en heeft [verweerster] zelf in een Whatsappbericht van 23 maart 2022 aan [verzoekster] gevraagd ‘wanneer haar de documenten worden toegestuurd om te ondertekenen’, waarna [verzoekster] heeft gereageerd dat deze al per e-mail waren toegestuurd, dat dit nogmaals zal worden gedaan en de documenten ook via Whatsapp aan [verweerster] worden toegezonden. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat [verzoekster] [verweerster] de mogelijkheid heeft onthouden desgewenst advies in te winnen over de consequenties van het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst of dat [verzoekster] [verweerster] heeft bewogen tot het ondertekenen van de beëindigingsovereenkomst. 5.8. Dat [verzoekster] haar onderzoeksplicht heeft geschonden en [verweerster] (psychisch) ziek was op het moment dat zij de beëindigingsovereenkomst ondertekende - zoals [verweerster] heeft gesteld - volgt de kantonrechter niet. [verzoekster] heeft [verweerster] geïnformeerd over de consequenties van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, in het bijzonder met betrekking tot de WW-uitkering. Niet in geschil is dat [verweerster] sinds 1 juni 2022 een WW-uitkering (en geen ZW-uitkering) ontvangt. Bovendien bevestigt [verweerster] in het verweerschrift (randnummer 58) in reactie op het voorwaardelijk verzoek van [verzoekster] dat er geen opzegverbod van toepassing. Dit valt niet te rijmen met de stelling van [verweerster] dat zij feitelijk ziek is. Misbruik van omstandigheden 5.9. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat (ook) geen sprake is van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW). Ter zitting heeft [verweerster] verwezen naar de uitspraak HR 5 februari 1999, NJ 1999/652 (Ameva/Van Venrooij). De Hoge Raad heeft in die zaak geoordeeld dat van misbruik van omstandigheden met name sprake zal zijn indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.