Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10-016993-21 Datum uitspraak: 10 oktober 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte], raadsman mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 september 2022. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort gezegd komen het verwijt onder 1 er op neer dat de verdachte met een ander zou hebben geprobeerd mensen op te licht door zich via de WhatsApp voor te doen als hun in betalingsnood verkerende kind; deze modus operandi staat bekend als de vriend-in-noodfraude. Onder 2 wordt de verdachte verweten dat hij niet openbare gegevens voorhanden heeft gehad. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. J.M. Bonnes heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf van 40 uur met aftrek van voorarrest, en een geldboete van € 500,-. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde 4.1.1. Standpunt officier van justitie Gelet op de overige inhoud van de telefoon van de verdachte, zoals notities met fraude-tekstblokken en bedragen, kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de niet-openbare gegevens voorhanden had met het doel om beoogde slachtoffers te benaderen. 4.1.2. Beoordeling Ten laste is gelegd dat de verdachte niet-openbare gegevens, te weten persoonsgegevens heeft verworven dan wel voorhanden heeft gehad. Op de iPhone XR van de verdachte is een foto aangetroffen van een tabel met gegevens die lijken op namen, adressen, telefoonnummers, geboortedata, e-mailadressen en bankrekeningnummers. De rechtbank stelt vast dat naar die gegevens geen onderzoek is gedaan, zodat – mede gelet op het verweer van de verdediging – niet kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk om persoonsgegevens gaat. De verdachte zal om die reden van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken. 4.1.3. Conclusie Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde 4.2.1. Wat is er gebeurd? De politie heeft op 25 augustus 2020 rond 17.00 uur een melding gekregen van [naam 1]. [naam 1] maakte toentertijd een televisieprogramma over oplichters. In het [naam hotel] aan het [adres] zou volgens [naam 1] op dat moment vriend-in-nood fraude worden gepleegd, waarbij fraudeurs in de veronderstelling verkeerden dat zij een slachtoffer veel geld afhandig maakten. [naam 1] was benaderd door [naam 2] die op haar beurt weer via de WhatsApp was benaderd door een onbekende die zich voordeed als haar kind en facturen had die dringend moest worden betaald. [naam 2] had geen kinderen, aldus [naam 1]. [naam 1] heeft verklaard dat hij met [naam 2] heeft afgesproken dat zij de “oplichters” zou aanbieden om zelf het geld voor die facturen van haar bankrekening te halen. Zij zou dan een door de televisiemakers gemaakte namaak-bankapp met de inlogcodes aan de “oplichters” verstrekken. Deze applicatie creëerde een namaak-bankomgeving, waardoor het alleen leek of er geld werd overgemaakt. De app maakte ook video’s van drie seconden van degene die met de app (nep)geld overmaakte. Deze video’s, gegevens over de overboekingen en de GPS- locaties werden doorgestuurd naar [naam 3], de medewerker van [naam 1] die de app had gemaakt. Zodoende kon [naam 1] weten waar de oplichters waren en op welk moment zij (nep)geld overmaakten naar andere bankrekeningen en kon hij een foto van de “oplichters” laten zien. De politieambtenaren zijn op 25 augustus 2020 om 18.10 uur tezamen met [naam 1] het hotel binnengegaan. De baliemedewerker van het hotel heeft de verdachte en de medeverdachte herkend van een foto die [naam 1] had verkregen via de bankapp. De baliemedwerker heeft het kamernummer gegeven. De politieambtenaren zijn daarop naar die hotelkamer gegaan. In die kamer werden omstreeks 18.29 uur vijf personen aangetroffen, de verdachten en nog drie anderen. Allen werden aangehouden. In de hotelkamer werden naast luxe kleding en schoenen ook zeven telefoons aangetroffen. Op alle telefoons zijn sporen van vriend-in-noodfraude aangetroffen. 4.2.2. De resultaten van het opsporingsonderzoek [naam 1] heeft aangifte gedaan namens [naam 2] en een kopie van het chatgesprek overgelegd dat de “oplichters” met [naam 2] zouden hebben gevoerd. [naam 3] is gehoord en hij heeft informatie overgelegd die naar zijn zeggen van de bankapp afkomstig was. Het betreft een transactieoverzicht met tijdstippen waarop de “oplichters” probeerden geld over te maken en videobestanden van de “oplichters” die de bankapp bedienden van diezelfde momenten. Uit het desbetreffende proces-verbaal blijkt dat de transacties via de bankapp en de videobeelden beginnen om 15.58 uur en eindigen om 18.32 uur. De tijdstippen van de fictieve transacties komen precies overeen met de tijdstippen waarop de videobeelden zijn gemaakt. De verbalisant heeft op die videobeelden steeds de medeverdachte en daarnaast in een aantal gevallen de verdachte en de medeverdachte herkend. Op de beelden die zijn gemaakt op de tijdstippen van de transacties zijn geen anderen te zien. Van de zeven telefoons die in de hotelkamer werden gevonden konden er vijf worden herleid tot de vijf aanwezigen. De verdachte heeft verklaard dat de telefoon met de gebruikersnaam cchimself van hem was. De verdachte heeft verklaard dat hij een rode iPhone XR had. In de hotelkamer is een rode iPhone XR aangetroffen met de gebruikersnaam shakursphone waarop foto’s van de medeverdachte stonden. Shakur is de voornaam van de verdachte. Op deze telefoon was de hierboven bedoelde bankapp geïnstalleerd. Twee telefoons, namelijk een met de gebruikersnaam [gebruikersnaam 1] en een met gebruikersnaam [gebruikersnaam 2] konden niet onmiddellijk naar de betrokkenen worden herleid. Op de telefoon van [gebruikersnaam 1] is echter wel het chatgesprek met [naam 2] aangetroffen alsmede de bankapp. Uit het chatgesprek blijkt dat het eerste phishing-bericht (‘hoii mam..’) naar [naam 2] is gestuurd om 14.14 uur, de vraag om drie facturen te betalen om 14.50 uur, terwijl [naam 2] om 15.40 uur de inlogcodes en de link met de vindplaats van de bankapp heeft doorgestuurd. Uit onderzoek naar de historische gegevens van de zeven telefoons is gebleken dat de telefoons van de verdachte en de medeverdachte en de telefoons op naam van [gebruikersnaam 1] en [gebruikersnaam 2] op 24 en 25 augustus 2020 meermalen rond dezelfde tijdstippen dezelfde masten aanstralen in Rotterdam, aanvankelijk in de buurt van de Ameidestraat en vanaf ongeveer 13.30 aan of in de directe omgeving van [straatnaam]. Uit de camerabeelden van het hotel is gebleken dat de verdachte en de medeverdachte om 13.38 uur het [naam hotel] aan [straatnaam] binnenkomen. De telefoons die zijn toe te schrijven aan de drie andere personen die rond 18.30 uur in de hotelkamer werden aangetroffen, bevonden zich op 25 augustus 2020 op diverse plekken in Rotterdam maar in elk geval in de middag van 25 augustus 2020 niet in de buurt van de telefoons van de verdachte en de medeverdachte. De telefoon van een van die andere personen maakt (pas) om 18.12 uur verbinding met een zendmast aan [straatnaam]. Zij worden op dat moment ook door de politieambtenaren op straat voor het hotel gezien, waar zij [naam 1] als televisiepersoonlijkheid hebben herkend en selfies met hem hebben gemaakt. Op de camerabeelden van het hotel is te zien dat zij kort daarna het hotel zijn binnengegaan. 4.2.3. Burgeropsporing Standpunt van de verdediging Bij het onderhavige opsporingsonderzoek is gebruik gemaakt van door [naam 1] en zijn medewerkers verzameld bewijsmateriaal. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit bewijsmateriaal niet bij de bewijsbeslissing mag worden gebruikt aangezien [naam 1] en zijn medewerkers burgers zijn, zij bij het verkrijgen van het bewijsmateriaal strafbare feiten hebben gepleegd, zij inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en de medeverdachte en hun handelen niet aan een onafhankelijk onderzoek is onderworpen. Verder heeft [naam 1] aangifte gedaan namens [naam 2] maar is niet gebleken dat hij daartoe door [naam 2] is gemachtigd. De verklaring van [naam 1] mag niet bij de bewijsbeslissing worden gebruikt, aldus de verdediging. Oordeel van de rechtbank Onder omstandigheden dient bewijsmateriaal dat door burgers is verzameld van gebruik bij de bewijsbeslissing te worden uitgesloten. Dat is het geval als er sprake is van schending van algemene beginselen van een behoorlijke procesorde of veronachtzaming van de processuele rechten van de verdediging. Maar als uitgangspunt heeft te gelden dat bewijsmateriaal dat door burgers is verzameld bij de bewijsbeslissing mag worden gebruikt. Onrechtmatig of strafbaar handelen door die burgers bij het verzamelen van dat bewijsmaterieel doet daar in beginsel niet aan af. Dat laatste is anders als opsporingsambtenaren of ambtenaren van het Openbaar Ministerie enig invloed hebben gehad op de verkrijging van dat bewijsmateriaal (HR 14 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9038). Gesteld noch gebleken is dat politie of Openbaar Ministerie enige invloed op de opsporing van de verdachte door [naam 1] hebben gehad. Verder is de rechtbank van oordeel, dat [naam 1] en zijn medewerkers met de bankapp de telefoon van [gebruikersnaam 1] zijn binnengedrongen. Dit kan alleen mogelijk onrechtmatig zijn jegens de verdachte en de medeverdachte als zij die telefoon op dat moment in gebruik hebben gehad. De rechtbank is, gelet op de resultaten van het opsporingsonderzoek als beschreven onder 4.2.2 van oordeel dat zij die telefoon inderdaad gedurende het gehele phishing chatgesprek in gebruik hebben gehad, dus ook op het moment dat de bankapp werd geïnstalleerd. Anders gezegd, bewezen is dat zij de bankapp op de telefoon van [gebruikersnaam 1] hebben geïnstalleerd. Daarbij zijn zij onder valse voorwendselen, namelijk: dit is de bankapp van [naam 2] waarmee geld kan worden overgemaakt, overgehaald om de installatie van de app te autoriseren en onder die valse voorwendselen hebben zij toestemming gegeven voor het gebruik van de camera. Aldus zijn [naam 1] en zijn medewerkers ook met het aannemen van een valse hoedanigheid in de telefoon van [gebruikersnaam 1] binnengedrongen. Maar zij hebben dit gedaan nadat de verdachte en de medeverdachte zelf het initiatief hadden genomen om [naam 2] met een nogal evidente poging tot oplichting te benaderen: ‘hoii mam…’, terwijl [naam 2] geen kinderen heeft, terwijl de app pas is doorgestuurd ná de vraag van de verdachte en de medeverdachte om drie facturen te betalen. Niet is gebleken dat [naam 1] en zijn medewerkers verder zijn gegaan dan nodig om de bedriegers aan de kaak te stellen. Of daarmee de wederrechtelijkheid aan hun handelen ontbreekt, kan in het midden blijven. Het gaat erom dat aldus naar het oordeel van de rechtbank geen algemene beginselen van een behoorlijke rechtsorde zijn geschonden en geen processuele rechten van de verdediging zijn veronachtzaamd. Wat betreft het door de verdediging aangevoerde onafhankelijke onderzoek begrijpt de rechtbank de verdediging zo, dat de burgeropsporing door een onafhankelijke opsporingsinstantie zou moeten worden gecontroleerd alvorens het bewijsmateriaal toelaatbaar is. Maar dit is een eis die het recht zo algemeen geformuleerd niet kent. Ten slotte is de verklaring van [naam 1] afgelegd ten overstaan van een opsporingsambtenaar. Het bewijsmiddel is het desbetreffende proces-verbaal. De rechtbank kan kennisnemen van dat bewijsmiddel en dit bij de bewijsbeslissing gebruiken. De waardering van de inhoud is aan de rechtbank voorbehouden. Conclusie De rechtbank verwerpt het verweer in al zijn onderdelen. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op 25 augustus 2020, te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander , ter uitvoering van het door hun voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [naam 2], te bewegen tot afgifte van enig geldbedrag , hebbende verdachte en/of zijn mededader telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid: - middels een mobiel telefoonnummer contact opgenomen met [naam 2], en zich daarbij voorgedaan als een kind van die [naam 2], en- die [naam 2], (liefkozend/affectief) aangesproken/berichten verstuurd met woorden als “mam” en emoticons (zoals hartjes) naar die [naam 2] verstuurd en -voorgewend dat dit kind niet bij (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.