Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10-068740-22 Datum uitspraak: 4 oktober 2022 Tegenspraak Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam, in de zaak tegen de verdachte: [naam verdachte], geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte], gemachtigde drs. P.J. van Zuidam, kantoorhoudende te Lelystad. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 september 2022. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. C. de Kimpe heeft gevorderd: - bewezenverklaring van het ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een geldboete van € 500,-, subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 400,- voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. 4. Ontvankelijkheid officier van justitie 4.1. Standpunt verdediging De gemachtigde heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging omdat er door Bureau Leerplicht en Voortijdig schoolverlaten (hierna: LVS) een onherstelbare vormfout wegens stelselmatige wetsovertreding is gemaakt in de zaak van de verdachte. Hiertoe heeft de gemachtigde het volgende aangevoerd. Uit het webformulier van LVS Zuid-Holland Zuid blijkt dat bij elk beroep op artikel 5b als eis wordt gesteld dat ouders een bestand bijvoegen met daarin een ‘Verklaring [...] met concrete en zwaarwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs bij alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen’, en een bestand met daarin een beschrijving van hun ‘Welbepaalde geloofsovertuiging/levensbeschouwing’. Uit het proces-verbaal blijkt dat LVS dit beleid meent te kunnen baseren op artikel 8 lid 1 Leerplichtwet (Lpw) en op ontwikkelingen in de jurisprudentie, waarbij LVS doelt op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019, waarin de Hoge Raad drie maatstaven/onderzoeks-criteria gaf aan de hand waarvan de strafrechter de beroepen op artikel 5b Lpw dient te beoordelen. De onderzoeksvoorschriften van de Hoge Raad, in het bovengenoemde arrest, zijn slechts gericht aan de strafrechter en niet aan enige andere instantie. Uit het huidige bestaan van deze onderzoeksvoorschriften in de jurisprudentie kan niet worden afgeleid dat andere overheidsorganen zonder meer bevoegd zouden zijn om deze beoordelingscriteria toe te passen, zoals LVS nu heeft gedaan. LVS handelt daarmee in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de uitvoeringswet bij de AVG. Er is in het proces-verbaal dan ook sprake van in strijd met de wet verkregen gegevens. Niet alleen LVS heeft zich hieraan schuldig gemaakt, aldus de verdediging. Uit het proces-verbaal blijkt dat LVS meermaals overleg heeft gevoerd met het OM over deze casus. Het OM moet dus kennis hebben gehad van de onwettig verkregen en verwerkte persoons-gegevens en dus weet hebben gehad van deze wetsovertreding. Het proces-verbaal waarop de tenlastelegging is gebaseerd is daarom ‘the fruit of a poisoned tree’ en is het eindresultaat van een zowel door LVS als door het OM beleidsmatig begane onherstelbare vormfout. Primair dient de officier van justitie dan ook niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging. Subsidiair dient het proces-verbaal, als zijnde stoelend op onwettige verkregen informatie, uitgesloten te worden van het bewijs en de verdachte wegens gebrek aan wettig bewijs vrij te worden vrijgesproken. 4.2. Beoordeling De vraag die beantwoord moet worden is of in het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan geen sprake is. Het door de gemachtigde in zijn pleidooi genoemde webformulier maakt geen onderdeel uit van het dossier, althans uit het dossier blijkt niet dat informatie is ingewonnen via een webformulier. Wel blijkt dat er meermalen per brief en per mail gecorrespondeerd is en dat er digitaal overleg heeft plaats gevonden waarbij onder anderen de gemachtigde aanwezig was. Uit de dossierstukken volgt dat in de correspondentie en de digitale gesprekken de medewerkers van LVS gevraagd hebben om de informatie die volgens de Hoge Raad nodig is om te kunnen beoordelen of de verdachte gezien zijn overwegende bedenkingen in de zin van artikel 5 aanhef en onder b Lpw (van rechtswege) was vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat zijn kind in de ten laste gelegde periode stond ingeschreven op een school. De verdachte en zijn gemachtigde hebben hierop gereageerd zoals zij op dat moment relevant achtten. LVS mag alleen persoonsgegevens verwerken als dat nodig is om een bepaald gerechtvaardigd doel te bereiken. Het doel van LVS was in dit geval om conform de geldende wetgeving en jurisprudentie de stelling te beoordelen van de verdachte dat hij (van rechtswege) was vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat zijn kind in de ten laste gelegde periode stond ingeschreven op een school. Uit de dossierstukken blijkt niet dat in de correspondentie of in de digitale gesprekken de AVG of enige andere vorm geschonden is. Er is dan ook geen sprake van een vormfout die tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting zou moeten leiden. 4.3 Conclusie De officier van justitie is ontvankelijk. 5. Vrijspraak Op grond van de processtukken en dat wat tijdens de zitting is besproken, is komen vast te staan dat [naam], de dochter van de verdachte die inmiddels 7 jaar oud is, nooit op een school ingeschreven heeft gestaan. Zij krijgt thuisonderwijs van haar ouders. De verdachte heeft voor het eerst in het schooljaar 2019-2020, toen zijn dochter 5 jaar werd en daarmee leerplichtig, een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 aanhef en onder b Lpw voor zijn dochter gedaan. Dit beroep op vrijstelling is op 3 maart 2020 gegrond verklaard door LVS. Ook het door de verdachte voor het schooljaar 2020-2021 ingediende beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 aanhef en onder b Lpw werd, nadat de verdachte ter onderbouwing van het beroep aan LVS een scholenlijst had toegestuurd met daarbij zijn overwegende bedenkingen per schoolrichting, gegrond verklaard door LVS. Op 5 augustus 2021 heeft LVS per brief aan de verdachte laten weten dat het beleid van LVS met betrekking tot het doen van een beroep op vrijstelling wegens overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs was gewijzigd en dat hij, in het geval hij een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 aanhef en onder b Lpw zou doen, niet alleen te kennen moest geven dat hij overwegende bezwaren tegen de richting van het onderwijs had, maar ook kenbaar moest maken wat zijn levensbeschouwing is. Hierop heeft de verdachte op 23 augustus 2021 aan LVS (wederom) een scholenlijst gestuurd met daarbij zijn overwegende bedenkingen per schooldenominatie en aangegeven dat hij hiermee zijn bezwaren voldoende toegelicht achtte. LVS heeft hierna (uiteindelijk) het beroep op vrijstelling ongegrond verklaard omdat zij van mening was dat met betrekking tot de overwegende bedenkingen van de verdachte onvoldoende duidelijk naar voren kwam hoe zwaarwegend deze waren. LVS stond op het standpunt dat het alleen benoemen van wat de verdachte, vanuit zijn geloofsovertuiging mist in de richting van het onderwijs op de nabijgelegen scholen, niet afdoende was, aangezien dit onvoldoende concreet maakte welke ernstige gemoedsbezwaren hij zou ervaren wanneer zijn kind daar naar school zou gaan. De kantonrechter overweegt naar aanleiding van het voorgaande het volgende. Aan de orde is allereerst de vraag of de bezwaren van de verdachte (in de ten laste gelegde periode) de richting van het onderwijs betreffen. Van overwegende bedenkingen in de zin van artikel 5 aanhef en onder b Lpw kan, aldus de Hoge Raad, alleen sprake zijn indien de bedenkingen die worden aangevoerd, a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.