RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 22/4314 en 22/4313 (hoofdzaak) uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 oktober 2022 op het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , verzoekster, tevens eiseres, (gemachtigde: drs. A. Hooplot), en het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , verweerder. Procesverloop Bij brief van 28 juni 2022 heeft de manager Parkeervoorzieningen van het cluster Stadsbeheer aan eiseres bevestigd dat het opzeggen voor haar abonnement voor de [parkeergarage] per 1 augustus 2022 in goede orde is ontvangen. Bij brief van 29 juni 2022 heeft de manager Parkeervoorzieningen van het cluster Stadsbeheer het abonnement voor de gemeentelijke [parkeergarage] van eiseres per 1 augustus 2022 beëindigd. Bij besluit van 23 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Ook heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting, omdat hij het beroep kennelijk ongegrond acht en geen aanleiding ziet om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Daarbij zal hij uitspraak doen in zowel de voorlopige voorzieningenprocedure als de hoofdzaak, omdat de feiten en omstandigheden geen nader onderzoek vergen. De voorzieningenrechter zal dit hierna uitleggen.
- Volgens verweerder zijn de brieven van 28 en 29 juni 2022 geen bestuursrechtelijke besluiten, maar een privaatrechtelijke kwestie. Verweerder stelt zich dan ook op het standpunt dat eiseres geen bezwaar kon maken tegen deze brieven. Daarom heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
- In deze procedure moet de voorzieningenrechter beoordelen of verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beëindiging van haar abonnement voor de gemeentelijke [parkeergarage] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat dit geen bestuursrechtelijk besluit is.
- Uit de Algemene wet bestuursrecht volgt dat er alleen bezwaar kan worden gemaakt tegen een besluit. Onder besluit wordt verstaan: “een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.” Een rechtshandeling is publiekrechtelijk als het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen publiekrechtelijke grondslag.
- De voorzieningenrechter is het met verweerder eens dat het beëindigen van een abonnement voor een gemeentelijke parkeergarage geen publiekrechtelijke handeling is. De brieven van 28 en 29 juni 2022 zijn dus geen bestuursrechtelijk besluiten, zodat daartegen geen bezwaar kon worden gemaakt. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brieven van 28 en 29 juni 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft daarom mogen afzien van het horen van eiseres in bezwaar.
- Gelet op het voorgaande is het beroep van eiseres kennelijk ongegrond en is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B.J. van Elden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L.F. de Leeuw, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op de voorlopige voorziening, staat geen rechtsmiddel open. Tegen deze uitspraak, voor zover die ziet op het beroep, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. Dit is gebaseerd op de artikelen 8:54, eerste lid, en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit is gebaseerd op artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Dit staat in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.