← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2022:9079

Rechtbank ROtterdam Team straf 1 VI-zaaknummer: 99/000162-25 Parketnummer: 10/690152-11 Datum uitspraak: 20 oktober 2022 Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres01] , [postcode01] [plaats01] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting (PI) [detentieadres01], raadsman mr. A.S. Sewgobind, advocaat te Eindhoven. Opgelegde straf Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2012, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest. Bij uitspraak van de meervoudige kamer voor strafzaken van 28 mei 2020 is de voorwaardelijke invrijheidstelling uitgesteld voor de duur van 6 maanden. De veroordeelde komt in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidstelling op 10 juli 2022, met een strafrestant van 1767 dagen. Vordering Op 9 juni 2022 heeft het Openbaar Ministerie een vordering ingediend tot het geheel achterwege blijven van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde. Bij de vordering zijn overgelegd het adviesrapport van 16 mei 2022 van Reclassering Nederland (hierna ook: de reclassering) en de adviezen van 2 mei en 8 juni 2022 van de inrichting waar de veroordeelde verblijft. Onderzoek van de zaak Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 6 oktober

  1. De officier van justitie mr. M. van den Berg en de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman en de tolk Papiamento, [naam01] , zijn gehoord. Voorts zijn als deskundigen gehoord: [naam02] , inrichtingspsycholoog in PI [detentieadres01] ; [naam03] , plaatsvervangend hoofd Detentie & Re-integratie in PI [detentieadres01] ; - [naam04] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. De officier van justitie heeft de vordering mondeling gewijzigd in die zin dat is gerekwireerd tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 720 dagen. De raadsman heeft primair verzocht om aanhouding om de psychiater van het NIFP en de deskundige van Trajectum als getuigen-deskundigen te horen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering afgewezen dient te worden, omdat niet is gebleken dat zijn cliënt geen goed gedrag heeft vertoond. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met een minimale duur, zodat een begeleid wonen traject kan worden opgestart. Beoordeling Over de veroordeelde zijn diverse adviezen uitgebracht door de reclassering, Trajectum en het NIFP. Aanvankelijk werd een begeleid wonen traject in combinatie met een ambulante behandeling voor zijn angst- en achterdochtproblematiek in samenhang met zijn lage intelligentie geadviseerd. Daarna is door het NIFP gerapporteerd. De onderzoekende en rapporterende psychiater heeft geadviseerd de veroordeelde met het oog op het voorgaande vooreerst voor een jaar in een klinische setting – CTP Veldzicht – te plaatsen, zodat hij behandeld zou kunnen worden. Dat laatste weigert de veroordeelde nu, waar het Openbaar Ministerie dit als voorwaarde voor de voorwaardelijke invrijheidsstelling heeft gesteld en dit mede door de reclassering wordt geadviseerd. De rechtbank maakt de uitgebrachte rapporten en de opvatting van het NIFP tot de hare, waar zij de noodzaak tot klinische behandeling en daarmee monitoring van het gedrag door deskundigen noodzakelijk acht, zulks gelet op de problematiek van de veroordeelde die in het verleden vele malen tot agressief gedrag en geweld heeft geleid, zelfs binnen de setting van een penitentiaire inrichting waarin de veroordeelde sinds 2011 verblijft. Een klinische opname van maximaal een jaar wordt noodzakelijk geacht als eerste stap van zijn resocialisatie. Nu de veroordeelde een klinische opname weigert, rest de rechtbank niets anders dan de voorwaardelijke invrijheidstelling in zoverre niet toe te kennen en te bepalen dat de gewijzigde vordering van het Openbaar Ministerie tot uitstel met 720 dagen zal worden gevolgd. Op deze manier kan een hernieuwde poging voor een voorwaardelijke invrijheidstelling worden gewaagd. De raadsman heeft nog gesteld dat zijn cliënt het slachtoffer zou zijn van de gewijzigde regelgeving welke het rapporteren van het NIFP tot gevolg heeft gehad en daarmee het advies tot klinische opname, waar eerder een begeleid wonen traject werd geadviseerd. Maar nu eenmaal die beoordeling en advisering voorligt, dient de rechtbank daarover te beslissen, hetgeen heeft geleid tot de bovengenoemde overweging. De gewijzigde wetgeving heeft geen invloed op de beoordeling van de psychiater. Het verzoek van de verdediging om aanhouding om de psychiater te horen, wordt dan ook afgewezen. Beslissing De rechtbank: wijst toe de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling; bepaalt dat de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld met een termijn van 720 (zevenhonderdtwintig) dagen ; wijst af het meer of anders gevorderde of verzocht. Deze beslissing is genomen door mr. J. van der Groen, voorzitter, en mrs. D.F. Smulders en D. van Putten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober
  2. De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat de beslissing mede te ondertekenen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.