RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/598823 / HA ZA 20-593 Vonnis van 26 oktober 2022 in de zaak van de publiekrechtelijke rechtspersoon DE STAAT DER NEDERLANDEN (het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat) , zetelend te Den Haag, eisende partij, advocaat: mr. M. van Rijn te Den Haag, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SHELL NEDERLAND VERKOOPMAATSCHAPPIJ B.V. , gevestigd te Rotterdam, gedaagde partij, 2. de naamloze vennootschap SHELL PETROLEUM N.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde partij, advocaat: mr. Chr.F. Kroes te Amsterdam, 3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KUWAIT PETROLEUM (NEDERLAND) B.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde partij, advocaat: mr. M.A. Jacobs te Rotterdam, 4. de naamloze vennootschap TOTAL NEDERLAND N.V. , thans genaamd TOTALENERGIES MARKETING NEDERLAND N.V. , gevestigd te Den Haag, gedaagde partij, advocaat: mr. H.M. Cornelissen te Amsterdam. Hierna wordt de eisende partij de Staat genoemd en gedaagde partijen ieder afzonderlijk SNV, Shell (SNV en Shell gezamenlijk Shell c.s.), Kuwait en Total. Gezamenlijk worden gedaagde partijen Gedaagden genoemd. 1. De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het vonnis in incident van 27 januari 2021, waarbij het Shell c.s., Kuwait en Total wordt toegestaan BP Europa SE, Wintershall AG en Nynäs Belgium AB in vrijwaring op te roepen, het Shell c.s. en Kuwait wordt toegestaan Total in vrijwaring op te roepen, het Kuwait en Total wordt toegestaan Shell c.s. in vrijwaring op te roepen en het Shell c.s. en Total wordt toegestaan Kuwait in vrijwaring op te roepen, alsmede de in dat vonnis genoemde processtukken, - de akte houdende producties van de Staat, - de akte tot eiswijziging en overlegging productie van de Staat, - de conclusie van antwoord van Shell c.s., met producties (van Gedaagden gezamenlijk), - de conclusie van antwoord van Kuwait, met producties (van Gedaagden gezamenlijk), - de conclusie van antwoord tevens akte naamswijziging van Total, met producties (van Gedaagden gezamenlijk), - de brief van de rechtbank van 25 februari 2022 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald, - de akte overlegging producties tevens houdende overlegging statusoverzicht Wob-verzoeken van Shell c.s., Kuwait en Total, - de akte overlegging producties van de Staat, - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 1 juni 2022 en de bij die gelegenheid overgelegde spreekaantekeningen van de Staat en Gedaagden, - de brief van Gedaagden van 14 juni 2022 waarin zij meedelen dat zij afzien van een nadere aktewisseling over de ontvangen Woo-documenten en dat Total verzoekt na beurs uitspraak te doen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2. De zaak in het kort De Staat is een grote (indirecte) opdrachtgever voor de aanleg van en het onderhoud aan auto-/snelwegen. Gedaagden zijn (indirect) betrokken (geweest) bij leveringen van wegenbouwbitumen en hebben deelgenomen aan een kartel. De Staat vordert vergoeding van schade omdat hij meent gedurende de kartelperiode een te hoge prijs voor wegenbouwbitumen te hebben betaald. Volgens Gedaagden is de vordering verjaard. Over dit verweer gaat dit vonnis. 3. De feiten voor zover thans van belang 3.1. Rijkwaterstaat - een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en daarmee een orgaan van de Staat - is beheerder van een aantal hoofdinfrastructuurnetwerken waaronder het hoofdwegennet van (de meeste) snelwegen en (een aantal) autowegen. Hij heeft onder meer in de periode van 1994 tot en met 2002 (indirect) grote hoeveelheden wegenbouwbitumen - een bestanddeel van asfalt - afgenomen voor verwerking in de aanleg en het onderhoud van wegen. 3.2. SNV en Shell zijn onderdeel van de Shell groep, een mondiaal petrochemisch energieconcern met Royal Dutch Shell plc als moedermaatschappij. SNV houdt zich in Nederland onder meer bezig met de in- en verkoop van wegenbouwbitumen. Shell is een holding en houdt (indirect) 100% van de aandelen in SNV. 3.3. Kuwait maakt deel uit van de Kuwait groep met KPC International N.V. als topholding. Kuwait houdt zich onder meer bezig met de handel in wegenbouwbitumen in Nederland. 3.4. Total maakt deel uit van de TotalEnergies Company, een concern dat wereldwijd actief is. Total heeft op 28 juli 2021 haar statutaire naam gewijzigd in TotalEnergies Marketing Nederland N.V. Zij houdt zich onder meer bezig met de verkoop van wegenbouwbitumen in Nederland. 3.5. Bitumen is een bijproduct bij de productie van brandstof (zoals benzine) uit aardolie en wordt onder meer gebruikt bij de productie van asfalt. De vennootschappen: BP Nederland B.V., BP Refining & Chemicals GmbH en BP plc (hierna gezamenlijk: BP), Esha Holding B.V., Smid & Hollander B.V. en Esha Port Services Amsterdam B.V. (hierna gezamenlijk: Esha), Esso Nederland B.V. (hierna: Esso, dochtermaatschappij van Exxon Mobil Corporation), Klöckner Bitumen B.V. en Sideron Industrial Development B.V. (hierna gezamenlijk: Klöckner), Kuwait Petroleum Corporation, Kuwait Petroleum International Ltd en Kuwait, AB Nynäs Petroleum en Nynäs Belgium AB (hierna gezamenlijk: Nynäs), Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij N.V., The Shell Transport and Trading Company Ltd en Shell c.s., Total en Total SA, Wintershall AG (hierna: Wintershall), hebben in de periode van 1994 tot en met 2002 (via asfaltcentrales) bitumen geleverd aan onder meer zes grote wegenbouwers: Ballast Nedam N.V. en Ballast Nedam Infra B.V. (hierna gezamenlijk: Ballast Nedam), BAM NBM Wegenbouw B.V. en Koninklijke BAM Groep N.V. (hierna gezamenlijk: BAM), HBG Civiel B.V. (hierna: HBG), Heijmans N.V. en Heijmans Infrastructuur B.V. (hierna gezamenlijk: Heijmans), Koninklijke Volker Wessels Stevin N.V. en Koninklijke Wegenbouw Stevin B.V. (hierna gezamenlijk: KWS), Vermeer Infrastructuur B.V., Dura Vermeer Groep en Dura Vermeer Infra B.V. (hierna gezamenlijk: Dura Vermeer). 3.6. In 2002 heeft een Parlementaire Enquêtecommissie onderzoek gedaan naar de aard en omvang van onregelmatigheden in de bouwnijverheid, met name de grond-, weg- en waterbouwsector (bekend als de bouwfraude). In vervolg daarop hebben (onder meer) de Staat, provincies, waterschappen en een aantal gemeenten op 24 juni 2005 met Bouwend Nederland, waarin bouwondernemingen zijn verenigd, een akkoord gesloten, getiteld "Akkoord collectieve regeling bouwnijverheid" (hierna: het Collectief Akkoord). Daarbij heeft Bouwend Nederland zich verbonden om een bedrag van in totaal € 73,5 miljoen te betalen. In ruil daarvoor heeft onder meer de Staat toegezegd af te zien van elke civielrechtelijke aanspraak jegens de aan het Collectief Akkoord deelnemende bouwbedrijven op grond van handelen in strijd met het mededingingsrecht dat heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2003 met betrekking tot opdrachten tot uitvoering van werken. De Staat heeft zich daarbij verplicht een eventuele vordering op grond van het mededingingsrecht zo in te richten dat de mogelijk betrokken bouwbedrijven worden bevrijd van hun bijdrageplicht. Het Collectief Akkoord heeft werking voor onder meer de hierna onder 3.10 te noemen W5-wegenbouwers. 3.7. In 2005 heeft de Nederlandse Mededingingsautoriteit (hierna: de NMa; inmiddels Autoriteit Consument & Markt genaamd (de ACM)) aan een groot aantal ondernemingen in de grond-, weg- en waterbouw een boete opgelegd wegens het in de periode van 1998 tot en met 2001 overtreden van artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) in de deelsector grond-, wegen- en waterbouw door in het kader van aanbestedingen samen met andere ondernemingen heimelijk afspraken te maken omtrent de werkverdeling en het inschrijfgedrag (hierna: het GWW-kartel). 3.8. De NMa heeft vastgesteld dat wegenbouwers (ook) andere mededingingsbeperkende afspraken hebben gemaakt: in het NH-8 kartel met betrekking tot asfaltzware wegenbouwprojecten in Noord-Holland; in het C-6 en WO-6 kartel met betrekking tot specifieke zeer grote infrastructuurprojecten. Onder de deelnemers aan de diverse kartels bevonden zich meermalen (een aantal van) de hierna onder 3.10 te noemen W5-wegenbouwers. 3.9. De Europese Commissie (hierna: de Commissie) heeft op 18 oktober 2004 besloten een (mededingings)inbreukprocedure te starten tegen diverse bitumenleveranciers en wegenbouwers en heeft de mededeling van punten van bezwaar de volgende dag aan deze partijen toegezonden. Onder meer naar aanleiding daarvan zijn in de pers diverse artikelen verschenen, onder andere in Cobouw van 13 oktober 2004 en 26 oktober 2004, De Volkskrant van 22 oktober 2004, Trouw van 22 oktober 2004, NRC Handelsblad van 22 oktober 2004, Het Financieele Dagblad van 26 oktober 2004 en in de Belgische zakenkrant De Tijd van 21 oktober 2004. Eerder - op 10 oktober 2002 - had de Commissie al een persbericht uitgebracht over invallen in onder meer Nederland in verband met verdenkingen van deelname aan een bitumenkartel. 3.10. Bij beschikking van 13 september 2006 (hierna: de Beschikking) heeft de Commissie boetes opgelegd aan acht leveranciers (hierna: de Bitumenleveranciers) van wegenbouwbitumen, te weten (vennootschappen behorende tot de groepen): BP, Esha, Klöckner, Kuwait, Nynäs, Shell, Total en Wintershall en zes grote wegenbouwers, te weten (vennootschappen behorende tot de groepen): Ballast Nedam, BAM, Dura Vermeer, HBG, Heijmans en KWS (hierna: de W5-wegenbouwers) wegens overtreding van (thans) artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). De beschikking houdt in dat de betrokkenen zich in de periode van ten minste 1 april 1994 tot ten minste 15 april 2002 schuldig hebben gemaakt aan het rechtstreeks of indirect vaststellen van de aan- en verkoopprijzen en het ten opzichte van handelspartners toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties, waardoor die handelspartners nadeel werd berokkend bij de mededinging. Het door de Bitumenleveranciers en W5-wegenbouwers gevormde kartel (hierna: het Bitumenkartel) bestreek het hele grondgebied van Nederland. 3.11. Tegen de Beschikking zijn diverse beroepen ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Unie (hierna: het Gerecht) en vervolgens bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna ook: het Hof van Justitie). Het Gerecht heeft naar aanleiding van het beroep van Shell c.s. alleen de opgelegde boete verlaagd en de beroepen van Kuwait, Total en Ballast Nedam verworpen. Ten aanzien van het hiertegen door Shell c.s. ingestelde beroep heeft de President van het Hof van Justitie de doorhaling van de zaak gelast. Het door Kuwait ingestelde beroep is door het Hof van Justitie verworpen. Naar aanleiding van het door Ballast Nedam ingestelde beroep heeft het Hof van Justitie op 27 maart 2014 alleen de opgelegde boete verlaagd. De Beschikking is daarmee ten aanzien van alle kartellisten onherroepelijk geworden. 3.12. Op 28 juli 2007 is de Beschikking bekend gemaakt door publicatie van een samenvatting in het Publicatieblad van de Europese Unie. 3.13. De Staat heeft op 7 maart 2008 een Eurowob-verzoek ingediend teneinde volledige toegang tot de Beschikking te krijgen. Het verzoek is afgewezen. Het door de Staat ingestelde beroep bij het Gerecht is bij arrest van 13 september 2013 verworpen. 3.14. In augustus 2009 is de Beschikking opnieuw gepubliceerd. In die tekst zijn minder passages weggelaten. 3.15. Op 9 september 2011 heeft de Staat SNV bij brief aansprakelijk gesteld voor alle door de Staat geleden en nog te lijden schade als gevolg van de deelname door SNV aan het Bitumenkartel, waarbij is vermeld dat deze mededeling mede dient ter stuiting van de verjaring. Bij brief van 26 augustus 2016 heeft de Staat - onder verwijzing naar de brief van 9 september 2011 - aan SNV meegedeeld dat hij SNV nog steeds aansprakelijk houdt voor de geleden en te lijden schade en dat ook deze brief dient ter stuiting van de verjaring. De Staat heeft aan Shell op dezelfde data, aan Kuwait op 9 september 2011 en 29 augustus 2016 en aan Total op 9 september 2011 en 30 augustus 2016 gelijkluidende brieven verzonden. Bij brief van 13 mei 2019 heeft de Staat aan SNV meegedeeld dat hij SNV hoofdelijk aansprakelijk houdt voor de door de Staat geleden en te lijden schade. De Staat heeft SNV verzocht de aansprakelijkheid te erkennen en haar voor zover nodig gesommeerd tot betaling binnen drie maanden na dagtekening van de brief van de door de Staat geleden schade van (ten minste) € 26.036.869,37, te vermeerderen met de wettelijke rente. De Staat heeft aan Shell, Kuwait en Total op dezelfde datum een gelijkluidende brief verzonden. 3.16. Op 22 december 2016 heeft [naam01] (hierna: [naam01] ) in opdracht van de Staat een rapport "Schade Staat der Nederlanden ten gevolge van deelname door bitumenleveranciers aan het Bitumenkartel" opgesteld. Daaraan is een stuk toegevoegd met als titel: "Toerekening van de aanwas van het schadedeel van bitumenleveranciers Klöckner en Esha, vanwege hun tussentijdse faillissementen, bij de W5”. 3.17. Op 25 april 2017 is de Beschikking wederom gepubliceerd. Daarbij is een groter deel van de prijs- en prijswijzigingsinformatie openbaar gemaakt. 3.18. Shell c.s., Kuwait en Total hebben op 21 januari 2021 Wob-verzoeken ingediend bij verschillende bestuursorganen, waaronder het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en de ACM. Er is daarop een beperkt aantal documenten openbaargemaakt. Voor het overige zijn de verzoeken afgewezen. Voor zover daartegen bezwaar is gemaakt, zijn deze bezwaren ongegrond verklaard of is nog geen beslissing op bezwaar genomen. 3.19. Shell c.s., Kuwait en Total hebben op 24 juni 2021 een Eurowob-verzoek ingediend bij de Commissie teneinde de beschikking te krijgen over informatie inzake de rol van de NMa en de besluitvorming in de Bitumenzaak. De Commissie heeft dit verzoek afgewezen op 4 augustus 2021. Hiertegen hebben Shell c.s., Kuwait en Total bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar was ten tijde van de mondelinge behandeling op 1 juni 2022 nog niet beslist. 4. Het geschil 4.1. De Staat vordert - na meerdere wijzigingen van eis - om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: 1. te verklaren voor recht dat Shell c.s., Kuwait en Total ter zake hun deelname aan het Bitumenkartel onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Staat en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die de Staat dientengevolge heeft geleden; 2. Shell c.s., Kuwait en Total hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de door de Staat ten gevolge van het Bitumenkartel geleden schade a. primair welke schade (inclusief btw) € 32.319.755,83 bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente conform de grondslag zoals opgenomen in tabel J (paragraaf 7.72 , dagvaarding) tot aan de dag der algehele voldoening; althans b. subsidiair welke schade € 30.400.000,00 bedraagt, te verminderen met 1,1396% wegens omslag van de faillieten (6:13 BW) en te vermeerderen met btw en de wettelijke rente telkens vanaf 31 december van het jaar waarin de schade is geleden tot aan de dag der algehele voldoening; althans c. meer subsidiair welke schade de rechtbank zo nodig schattenderwijs mag bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf 31 december van het jaar waarin de schade is geleden tot aan de dag der algehele voldoening; althans d. uiterst subsidiair welke schade nader is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf 31 december van het jaar waarin de schade is geleden tot aan de dag der algehele voldoening; 3. Shell c.s., Kuwait en Total hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de kosten ter vervaardiging van het schaderapport van [naam01] , tot op heden begroot op € 234.336,38, zulks met bepaling dat over die kostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de data waarop de betreffende facturen door de Staat betaald zijn; 4. Shell c.s., Kuwait en Total hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te wijzen vonnis; waarbij ten aanzien van het gevorderde sub 2, 3 en 4 geldt dat de bedragen van deze vorderingen vóór toewijzing moeten worden verminderd met een door de rechtbank te bepalen bedrag gelijk aan enig bedrag dat de Bitumenleveranciers van de W5-wegenbouwers hadden kunnen vorderen op basis van welke wettelijke grondslag dan ook (waaronder begrepen de artikelen 6:10, 6:12 en 6:13 BW) voor zover die vermindering naar het oordeel van de rechtbank niet reeds is verdisconteerd in het door de Staat gevorderde. 4.2. Shell c.s., Kuwait en Total hebben verweer gevoerd. Zij hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van de Staat in de kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over de kosten vanaf veertien dagen na betekening van het vonnis, alsmede in de nakosten tot een bedrag van € 163,00 dan wel, indien betekening van het te wijzen vonnis plaatsvindt, een bedrag van € 248,00. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5. De beoordeling inleidende overwegingen 5.1. De Staat heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden als gevolg van de deelname van (onder meer) Gedaagden aan het Bitumenkartel; deze mededingingsinbreuk moet worden aangemerkt als onrechtmatig jegens de Staat. Daartoe heeft de Staat verwezen naar de Beschikking (zie 3.10). De mededingingsinbreuk hield in dat de leveranciers van wegenbouwbitumen en een aantal wegenbouwbedrijven gezamenlijk de prijs voor verkoop van wegenbouwbitumen in Nederland en de daarop te geven kortingen hebben vastgesteld. Hierdoor was die prijs volgens de Staat structureel hoger dan zonder deze afspraken het geval zou zijn geweest en ook hoger dan in omringende landen. Rijkswaterstaat als uitvoeringsorgaan van de Staat en beheerder van een aantal hoofdinfrastructuurnetwerken heeft als gevolg daarvan (indirect) te hoge prijzen betaald voor de levering van wegenbouwbitumen, aldus de Staat. 5.2. Gedaagden hebben betwist dat de Staat schade heeft geleden als gevolg van de mededingingsinbreuk; in elk geval heeft de Staat de gestelde schade onvoldoende onderbouwd. Verder zijn de vorderingen van de Staat in de visie van Gedaagden verjaard. 5.3. Met partijen is afgesproken dat eerst het verjaringsverweer wordt besproken en dat daarop wordt beslist voordat overigens op het geschil wordt ingegaan. Zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling op 1 juni 2022, is hiervan uitgezonderd de verjaring van de wettelijke rente; dit aspect kan in voorkomend geval in de kwantumfase aan de orde worden gesteld. verjaring 5.4. Gedaagden hebben aangevoerd dat de Staat meer dan vijf jaar voordat hij de eerste stuitingsbrief op 9 september 2011 heeft verzonden, bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke personen, waardoor de vorderingen op die datum reeds waren verjaard. 5.5. Vaststaat dat de Richtlijn Schadevorderingen (Richtlijn 2014/104/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 betreffende bepaalde regels voor schadevorderingen volgens nationaal recht wegens inbreuken op de bepalingen van het mededingingsrecht van de lidstaten en van de Europese Unie) temporeel niet van toepassing is en de artikelen 6:193s en 6:193t BW - die op 10 februari 2017 in werking zijn getreden - evenmin. Zoals partijen hebben betoogd, betreft het artikel waarin de verjaring is geregeld, een materiële bepaling waaraan geen terugwerkende kracht toekomt. De vraag of de vordering van de Staat verjaard is, moet daarom aan de hand van het destijds geldende Nederlandse recht beoordeeld worden. Die beoordeling moet plaatsvinden met inachtneming van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel (Manfredi, HvJEU 13 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:461). Daarbij is het wenselijk het Nederlandse recht zo uit te leggen dat de uitkomst verenigbaar is met de Richtlijn Schadevorderingen (Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483). 5.6. Artikel 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid hoeft te zijn - heeft verkregen dat schade is veroorzaakt door foutief handelen van de betrokken persoon. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het geval (zie Hoge Raad 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:627). 5.7. Volgens Gedaagden was de Staat al op 26 oktober 2004, althans op 24 juni 2005, althans uiterlijk op 4 september 2006 daadwerkelijk bekend met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Zij baseren dat op berichtgeving in de media en op de kennis die de NMa, als orgaan van de Staat, had verkregen door haar betrokkenheid bij de totstandkoming van de Beschikking. Subjectieve bekendheid op basis van artikelen in de media 5.8. Gedaagden zijn allereerst van mening dat op 26 oktober 2004 reeds publiekelijk bekend was dat de Commissie besloten had tot een inbreukprocedure tegen Gedaagden, andere Bitumenleveranciers en de W5-wegenbouwers en dat aan hen op 19 oktober 2004 de mededeling van punten van bezwaar was gezonden. Zij hebben ter onderbouwing hiervan verwezen naar artikelen: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.