vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/615889 / HA ZA 21-288 Vonnis van 12 januari 2022 in de zaak van
(2)voorziet in een extra dekking voor bedrijfsschade/extra kosten buiten en boven de dekking die de polisvoorwaarden bieden. Het eerste volgt uit de op het polisblad vermelde prioriteitsbepaling en het feit dat de clausule onder het kopje ‘Aanvullende voorwaarden met betrekking tot horeca risico’s’ staat. Het tweede volgt uit de tekst van de clausule zelf, in het bijzonder het woord tevens in de zin “Deze verzekering dekt tevens extra bedrijfskosten, tot een maximum bedrag van € 100.000,00 per gebeurtenis en per locatie”. Uit de polisdocumentatie, waaronder de aan het polisblad gehechte specificatie, blijkt dat de locaties van Zuiderduin c.s. verzekerde locaties onder de polis zijn, dat er voor Zuiderduin, Golfzang en Hoge Duin een bedrijfsschadedekking is uitgenomen en dat per locatie ook premie is berekend. 4.5.2. De uitleg van verzekeringsvoorwaarden waarover niet tussen partijen pleegt te worden onderhandeld is met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van een eventuele bij de polisvoorwaarden behorende toelichting (HR16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, Chubb/Dagenstaed, en HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601). Niet beslissend zijn de bedoelingen van partijen voor zover deze niet uit de in de verzekering opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen daarvan, tenzij over concrete, voor het geschil relevante, onderdelen van de tekst wél onderhandeld is. 4.5.3. Niet gesteld of gebleken is dat over de tekst van de clausule is onderhandeld, zodat voor een uitzondering op bedoelde regel geen ruimte is. Dat Zicht de clausule heeft geformuleerd, zoals NN c.s. aanvoert, is door Zuiderduin c.s., onder overlegging van een e-mail van de advocaat van Zicht van 24 augustus 2021, gemotiveerd betwist. Wat daarvan zij, het gaat om een ter beurze gesloten polis en verzekeraars hebben ingeschreven op de tekst van de polis, inclusief deze clausule, kennelijk zonder daarover vragen te stellen. 4.5.4. Op basis van de gebruikelijke taalkundige betekenis van de bewoordingen van de clausule valt de (gedeeltelijke) sluiting van de hotels op grond van het besluit onder de clausule. Immers, het besluit is genomen door het bevoegd openbaar gezag in verband met het coronavirus/COVID 19 en niet ter discussie staat dat dit virus een besmettelijke of infectueuze ziekte oplevert. Anders dan NN c.s. aanvoert vereist de tekst “indien het bedrijf tijdelijk geheel of gedeeltelijk in opdracht van het bevoegd openbaar gezag moet worden gesloten, als gevolg van: Besmettelijke ziektes” ook niet, dat het gaat om een uitbraak van een besmettelijke ziekte op de betreffende locatie. Voldoende is dat het bedrijf op last van het bevoegd gezag moet worden gesloten en dat die noodzaak tot sluiting het gevolg is van een besmettelijke ziekte. Het besluit is, naar vast staat, genomen in het kader van de COVID-19 pandemie. De noodzaak tot sluiting is dan ook een (rechtstreeks) gevolg van de besmettelijke ziekte in de zin van de clausule. 4.5.5. NN c.s. voert nog aan dat de aard en het systeem van de polis aan die uitleg in de weg staan omdat er geen sprake is van een verzekerd gevaar in de zin van artikel 2.1.2 van de polisvoorwaarden. Dit argument houdt geen stand omdat de clausule voorziet in een separate, additionele dekking, zodat aan artikel 2.1.2 in dat verband geen betekenis toekomt. Er wordt in de clausule ook niet naar die bepaling verwezen. Het verzekerd voorval dat in de clausule is genoemd is de sluiting van het bedrijf in opdracht van het bevoegd gezag. Als NN c.s. de gevolgen van een lockdown wegens een pandemie, in de vorm van extra kosten en/of bedrijfsschade, niet had willen verzekeren had zij daarvoor een uitsluiting kunnen opnemen, maar dat is niet gebeurd. 4.6. Het vorenstaande betekent dat NN c.s. onder de polis aan Zuiderduin c.s. dekking dient te verlenen voor de in de clausule bedoelde extra bedrijfskosten als gevolg van de tijdelijke, (gedeeltelijke) sluiting van de hotels op grond van het besluit. het maximum en het eigen risico 4.7. Die dekking is in de clausule gelimiteerd tot “€ 100.000,00 per gebeurtenis en per locatie”. Over de uitleg van deze bepaling en de toepassing van het eigen risico van € 2.500,00 verschillen partijen van mening. Daarbij twisten partijen over de vraag of de (gedeeltelijke) sluitingen van de drie hotels op grond van het besluit als één gebeurtenis of als drie gebeurtenissen moet(
- en)worden aangemerkt, de toepassing van het eigen risico en de vraag welke extra bedrijfskosten door de (clausule in
- de)polis worden gedekt. 4.8. Zuiderduin c.s. stelt dat er sprake is van één gebeurtenis per locatie, dus drie gebeurtenissen, en dat de maximumdekking van € 100.000 geldt voor ieder van de drie getroffen locaties van Zuiderduin c.s., omdat zij alle drie apart onder de polis zijn verzekerd. Omdat de clausule niets bepaalt over het eigen risico en het polisblad niet meer vermeldt dan dat het eigen risico € 2.500,00 bedraagt, dient dit eigen risico in drie gelijke delen in mindering te worden gebracht op de aanspraken van respectievelijk Zuiderduin, Golfzang en Hoge Duin. 4.9. NN c.s. voert aan dat het maximum geldt per gebeurtenis en per locatie en dat volgens een andere toepasselijke polisclausule een gebeurtenis een voorval of reeks van voorvallen met dezelfde oorzaak is. In dit geval is slechts sprake van één gebeurtenis met één oorzaak, zijnde de vanwege de coronapandemie afgekondigde lock down, die tot een reeks van drie voorvallen met dezelfde oorzaak heeft geleid. Verder voert NN c.s. aan dat het eigen risico geldt voor iedere gebeurtenis. Indien wordt uitgegaan van één gebeurtenis per locatie dient op de aanspraak van respectievelijk Zuiderduin, Golfzang en Hoge Duin telkens het volledige eigen risico in mindering te worden gebracht. 4.10. De relevante clausule, als geciteerd onder rov 2.6 (hierna: de serieschadeclausule) definieert een gebeurtenis als: een voorval of een reeks met elkaar verband houdende voorvallen die één en dezelfde oorzaak hebben. Naar het oordeel van de rechtbank, dat op dit punt afwijkt van het voorlopig oordeel ter zitting, leidt de serieschadeclausule ertoe dat weliswaar sprake is van drie verzekerde voorvallen, maar van één gebeurtenis in de zin van de polis. De rechtbank baseert dit op het volgende. 4.10.1. De onder 4.5.2 vermelde maatstaf dient ook hier te worden gehanteerd. 4.10.2. De clausule en de serieschadeclausule zijn van gelijk niveau. Voor de uitleg van de polis in overeenstemming met haar structuur betekent dit, dat verschil bestaat tussen een voorval en een gebeurtenis en dat de clausule zo moet worden uitgelegd dat recht gedaan wordt aan dat onderscheid. Zoals in rov. 4.5.5 overwogen is het verzekerd voorval dat in de clausule is genoemd de sluiting van het bedrijf in opdracht van het bevoegd gezag. Gelet op de omstandigheid dat per hotellocatie de dekking werd bepaald moet het bedrijf in deze context gelijk gesteld worden aan de locatie. Nu op basis van hetzelfde besluit van het bevoegd gezag op hetzelfde moment meerdere locaties (gedeeltelijk) zijn gesloten als gevolg van dezelfde pandemie is sprake van een reeks met elkaar verband houdende voorvallen die één en dezelfde oorzaak hebben, te weten het besluit in het kader van de pandemie. Dat betekent, dat ingevolge de serieschadeclausule sprake is van één gebeurtenis en dat het dekkingsmaximum per gebeurtenis dus ziet op de schade ten gevolge van de drie voorvallen samen. 4.10.3. In het algemeen geldt in het regime van deze polis een eigen risico voor iedere door de verzekering gedekte gebeurtenis. Dat blijkt onder meer uit art. 2.2.6, de garantie ten aanzien van elektrische installaties en de clausule omtrent dakdekkerswerkzaamheden. Een dergelijke structuur is in een polis als deze ook gebruikelijk. Dat dit niet met zoveel woorden op het polisblad is vermeld laat onverlet dat de polis zo moet worden uitgelegd dat dit systeem ook voor de onderhavige extra dekking heeft te gelden nu de clausule niet voorziet in een aparte regeling op dit punt. 4.11. Het vorenstaande leidt er toe dat Zuiderduin c.s. aanspraak hebben op de onder de clausule gedekte schade tot een maximum van (eenmaal) € 100.000,00 te verminderen met het eigen risico van € 2.500,00, aldus € 97.500,00. welke extra bedrijfskosten zijn gedekt? 4.12. Over de omvang van de gedekte schade zijn partijen verdeeld. Zuiderduin c.s. stelt dat deze genoemd maximum overstijgt en verwijst naar de vaststelling van de door partijen benoemde schade-experts zoals vermeld in de onder 2.9 vermelde e-mailwisseling tussen deze schade-experts. Zuiderduin c.s. stelt primair dat het NN c.s. niet vrij staat om aan die schadevaststelling te tornen. Bovendien hebben de schade-experts al zo terughoudend naar de schadeposten gekeken dat daarover in redelijkheid geen discussie kan zijn. Subsidiair biedt Zuiderduin c.s. aan de schadeposten opnieuw te bekijken, waarbij zij opmerkt dat de schade-experts zijn gestopt met de schadevaststelling op een moment dat de onder de clausule gedekte schade nog doorliep. Voor zover nodig biedt zij bewijs van de gestelde schade aan. 4.13. NN c.s. betwist de gestelde omvang van de schade. Zij voert aan dat onder “extra bedrijfskosten (…) voor het verlies van exploitatiekosten” moet worden verstaan schade bestaande uit (
- i)extra bedrijfskosten die worden gemaakt vanwege (
- ii)een al dan niet gedeeltelijke sluiting van het bedrijf als gevolg van één van de vier omschreven gevaren. Alleen de post personeelskosten komt voor dekking in aanmerking. 4.14. Uit de conclusie van antwoord (randnr. 30) maakt de rechtbank op, dat als er dekking is verzekeraars bereid zijn die post personeelskosten te erkennen. Nu de daarvoor opgenomen bedragen het gedekte bedrag van € 100.000 overschrijden kan de verdere discussie op dit punt onbesproken blijven, is bewijslevering niet nodig en is de vordering in zoverre toewijsbaar. Vanwege die overschrijding kan bespreking van de andere schadeposten als zonder belang voor de beslissing achterwege blijven. 4.15. Het voorgaande betekent, dat een bedrag van € 97.500 toewijsbaar is voor de drie locaties samen. Uit de wijze waarop de vordering is ingestoken maakt de rechtbank op dat Zuiderduin c.s. een beslissing wensen per eiseres. Nu per locatie de gestelde en niet betwiste personeelskosten als vermeld in het expertiserapport van EMN respectievelijk bedragen € 26.500 (Hoge Duin), € 28.000 (Golfzang) en € 129.500 (Zuiderduin) (in totaal € 184.000) komt dat voor Zuiderduin neer op (€ 97.500 x (129.500/184.000 x 100=) 70,38 % =) € 68.620,50, voor Golfzang op (€ 97.500 x (28.000/184.000 x 100 =) 15,22% =) € 14.839,50 en voor Hoge Duin op (€ 97.500 x (26.500/184.000 x 100 =) 14,4% =) € 14.040,00. Tot betaling daarvan zal de rechtbank NN c.s. niet hoofdelijk (de grondslag daarvoor ontbreekt), maar naar rato van hun aandeel onder de polis, veroordelen als na te melden, waarbij het eigen risico naar evenredigheid is verdeeld over de drie eiseressen. Niet is gesteld, en evenmin valt in te zien, welk belang Zuiderduin c.s. naast deze veroordeling heeft bij een verklaring voor recht als onder I. gevorderd, zodat die vordering wordt afgewezen. 4.16. Tegen de (primair) gevorderde ingangsdatum van de rente is geen verweer gevoerd, zodat die in zoverre toewijsbaar is. 4.17. Dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt is betwist, niet nader onderbouwd en volgt ook niet uit de stukken. Op dit punt wordt de vordering afgewezen. 4.18. NN c.s. worden als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld, niet hoofdelijk maar naar rato van hun aandeel onder de polis. De kosten aan de zijde van Zuiderduin c.s. worden begroot op: dagvaardingen € 171,62 (2x € 85,81) griffierecht € 4.200,00 salaris advocaat € 2.228,00 2 punten x tarief IV ad € 1.114,00 per punt totaal € 6.599,62. 4.19. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als na te melden. 5. De beslissing De rechtbank veroordeelt NN c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Zuiderduin te betalen € 68.620,50 (zegge: achtenzestigduizend zeshonderd twintig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2020, aldus dat NN 40% en HDI en Zurich ieder 30% van dat bedrag dienen te betalen; veroordeelt NN c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Golfzang te betalen € 14.839,50 (zegge: veertienduizend achthonderd negenendertig euro en vijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2020, aldus dat NN 40% en HDI en Zurich ieder 30% van dat bedrag dienen te betalen; veroordeelt NN c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Hoge Duin te betalen € 14.040,00 (zegge: veertienduizend veertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 oktober 2020, aldus dat NN 40% en HDI en Zurich ieder 30% van dat bedrag dienen te betalen; veroordeelt NN c.s., in de proceskosten, aan de zijde van Zuiderduin c.s. tot op heden begroot op € 6.599,62 (zegge: zesduizend vijfhonderd negenennegentig euro en tweeënzestig cent), aldus dat NN 40% en HDI en Zurich ieder 30% van dat bedrag dienen te betalen; veroordeelt NN c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat NN c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, aldus dat NN 40% en HDI en Zurich ieder 30% dienen te betalen; verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2022. 2515/106