Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10-249212-21 Parketnummers vordering TUL VV: 10-265102-20, 10-240141-10 Datum uitspraak: 7 november 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] (Turkije) op [geboortedatum01] 1996, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres01] , [postcode01] [plaats01] , raadsman mr. J. Vermaat, advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 oktober 2022. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, met uitzondering van het laatste gedachtestreepje; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering; tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde strafdelen in de zaken met de parketnummers 10-265102-20 en 10-240141-20. 4. Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering feit 1 Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering feit 2 4.2.1. Beoordeling Centraal in het onderzoek staat een beroving met geweld gepleegd tegen de aangever [slachtoffer01] (hierna: [slachtoffer01] ) in de nacht op 16 september 2021 in Rotterdam aan de [adres02] . In een woning is op die avond een aantal mensen bijeen gekomen, waaronder [slachtoffer01] , de verdachte [medeverdachte01] (hierna: [medeverdachte01] ) en de getuige [getuige01] (hierna: [getuige01] ). Op enig moment heeft [medeverdachte01] gebeld naar de verdachte [verdachte01] (hierna: [verdachte01] ) om drugs te bestellen. [verdachte01] heeft volgens de verklaring en herkenning van [medeverdachte01] de woning betreden met de verdachte [medeverdachte02] (hierna: [medeverdachte02] ) en een onbekende man. Over wat er zich precies in de woning heeft afgespeeld lopen de verklaringen uiteen maar op enig moment hebben [slachtoffer01] en [getuige01] de woning verlaten, waarna ook [verdachte01] , [medeverdachte02] , de onbekende man en [medeverdachte01] de woning hebben verlaten. [slachtoffer01] is vervolgens op straat beroofd en heeft daarbij hoofdletsel en een schotwond in zijn been opgelopen. Twee momenten De rechtbank stelt vast dat in de beroving twee momenten zijn te onderscheiden. Ten eerste is [slachtoffer01] op de parkeerplaats aan de [adres02] ingesloten en geslagen en geschopt door [verdachte01] , [medeverdachte02] , [medeverdachte01] en de onbekende man. [medeverdachte02] heeft [slachtoffer01] daarbij op zijn hoofd geslagen met de kolf van een pistool en [verdachte01] heeft het horloge van de pols van [slachtoffer01] getrokken. Ten tweede wordt [slachtoffer01] aangevallen en achtervolgd door [medeverdachte02] en de onbekend gebleven man. [medeverdachte02] had een pistool in zijn hand. Op de beelden is vervolgens een schot te horen. [medeverdachte01] stond op dat moment enkele meters bij [slachtoffer01] vandaan. Zij liep naar [slachtoffer01] toe terwijl zij iets riep en naar hem wees. De personen liepen vervolgens het beeld uit en vlak daarna was weer een schot te horen. Op andere camerabeelden is te zien dat [slachtoffer01] na dat tweede schot op de grond viel en te horen is dat hij hard schreeuwde. Dat moet het moment zijn dat [slachtoffer01] door een kogel in zijn onderbeen is geraakt. Op de beelden is te zien dat één van de mannen over [slachtoffer01] heen boog en iets leek te pakken. [slachtoffer01] heeft in zijn aangifte verklaard dat op dat moment een groot geldbedrag werd weggenomen dat hij in zijn boxershort had verstopt. Uit de beelden blijkt dat [verdachte01] bij dit deel van de beroving niet aanwezig was, hij bevond zich op dat moment aan de andere kant van de parkeerplaats en liep weg. Vervolgens is te zien dat [medeverdachte01] in haar auto stapte en wegreed terwijl de twee andere daders wegliepen. [verdachte01] had [medeverdachte01] een straat verder tot stoppen gemaand en was bij haar in de auto gestapt. Zij zijn kort daarna door de politie aangehouden. In de auto van [medeverdachte01] is een zwart tasje van [verdachte01] aangetroffen. In dat tasje zijn pasjes op naam van [slachtoffer01] aangetroffen. [verdachte01] heeft ter zitting verklaard dat er vooraf een plan was gemaakt om [slachtoffer01] te beroven. Wanneer dat plan precies is gemaakt en wie daarbij betrokken zijn geweest is niet duidelijk geworden. [verdachte01] heeft bekend dat hij heeft deelgenomen aan het eerste deel van de beroving, waarbij hij het horloge van de aangever heeft weggenomen. Hij heeft ontkend dat hij de pasjes ook heeft weggenomen, maar aan die ontkenning hecht de rechtbank geen geloof omdat die pasjes zeer kort na de beroving in zijn tasje, dat hij bij zich had in de auto van [medeverdachte01] , zijn aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank was er in het eerste deel sprake van een gezamenlijke uitvoering van de beroving tussen [verdachte01] , [medeverdachte01] , [medeverdachte02] en één andere persoon. Er is dus voldoende wettig en overtuigend bewijs dat [verdachte01] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de beroving van [slachtoffer01] , waarbij een horloge en pasjes van [slachtoffer01] zijn weggenomen. Nu uit de camerabeelden blijkt dat [verdachte01] zich tijdens het tweede deel van de beroving aan de groep had onttrokken en ander bewijs dat hij in dit deel van de beroving enig aandeel had ontbreekt, kan de uitvoeringshandeling opgenomen bij het laatste gedachtestreepje van het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het schieten op [slachtoffer01] , niet worden bewezen. Omdat het contante geldbedrag pas daarna is weggenomen, kan evenmin worden bewezen dat [verdachte01] het geldbedrag van de aangever heeft gestolen. Nu [slachtoffer01] niet op alle onderdelen consistent heeft verklaard gebruikt de rechtbank zijn verklaring alleen voor zover die steun vindt in andere bewijsmiddelen. Met betrekking tot de diefstal van een of meer gouden kettingen is dat niet het geval zodat de rechtbank dat onderdeel niet bewezen acht. 4.2.2. Conclusie Het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen voor zover dat ziet op het horloge en enig goed, te weten een rijbewijs, een ID-kaart en bankpas op naam van [slachtoffer01] . 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 2. hij op 16 september 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen, een horloge, en enig goed, dat aan [slachtoffer01] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer01] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door - meermalen te slaan en stompen en trappen op/tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer01] en - meermalen met een vuurwapen te slaan op/tegen het hoofd van die [slachtoffer01] en - die [slachtoffer01] naar de grond te trekken . Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. 5. Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: 2. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6. Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7. Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich samen met drie anderen schuldig gemaakt aan een beroving met geweld. Zij hadden een vooropgezet plan om het slachtoffer van zijn geld te beroven. Het slachtoffer kreeg dat op enig moment door en is de woning uit gevlucht en heeft geprobeerd om bij zijn auto te komen. Op de parkeerplaats werd hij ingesloten door de vier verdachten die vervolgens fors geweld hebben gebruikt. De verdachte heeft een Rolex horloge – later bleek het om een replica te gaan – van de pols van het slachtoffer getrokken. Daarnaast heeft hij pasjes van het slachtoffer gestolen. Een delict als het onderhavige heeft niet alleen een enorme impact op het slachtoffer maar versterkt ook de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. In het bijzonder van de bewoners van de flat die getuige zijn geweest van de beroving die op de parkeerplaats voor de flat plaatsvond. De verdachte heeft zich aanvankelijk niets gelegen laten liggen aan de gevolgen van zijn handelen. Hij was kennelijk slechts uit op financieel gewin. Het gaat om een ernstig delict waartegen streng dient te worden opgetreden. In het voordeel van de verdachte wordt meegewogen dat hij zichzelf tijdens de beroving heeft afgevraagd waar hij mee bezig was. Op dat moment heeft hij zich aan de groep onttrokken en heeft hij niet langer deelgenomen aan de beroving. Later heeft hij deels openheid van zaken gegeven en spijt betuigd. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 oktober 2022, waaruit blijkt dat de verdachte weliswaar herhaaldelijk eerder is veroordeeld maar niet voor soortgelijke ernstige strafbare feiten. 7.3.2. Rapportage Het Leger des Heils, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 mei 2022 met daarin een advies over schorsing en voorwaarden. In een e-mailbericht gericht aan de officier van justitie van 21 oktober 2022 is er vanuit de reclassering een update gegeven over het verloop van het schorsingstoezicht van de verdachte. Het rapport en het e-mailbericht houden – onder meer en voor zover van belang – het volgende in. De verdachte had voorafgaand aan detentie al langere tijd een instabiele leefsituatie, waarbij er op alle leefgebieden recidiverisico's worden gezien. Hij beschikte niet over huisvesting, had geen inkomen, geen dagbesteding, een forse schuldenlast, er waren vermoedens van middelenproblematiek, er waren al jarenlang problemen in de relationele sfeer en hij begaf zichzelf in een negatief sociaal netwerk. Als schorsingsvoorwaarden zijn destijds geadviseerd: meldplicht, diagnostiek / ambulante behandeling, contactverbod slachtoffer en medeverdachten, locatiegebod in combinatie met elektronische monitoring, ambulante begeleiding gericht op het op orde krijgen van praktische zaken en een inspanningsverplichting met betrekking tot het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding en een inkomen. Voor de korte tijd dat het schorsingstoezicht loopt is de reclassering tevreden over de wijze waarop de verdachte met zijn bijzondere voorwaarden om gaat. De reclassering ziet graag een continuering hiervan in een vervolgkader. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal gelet op het voorgaande echter afzien van het opleggen van een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk strafdeel langer dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anders dan door de reclassering in het kader van de schorsingsvoorwaarden is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de verdachte nu nog een contactverbod of een locatiegebod op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. 8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer01] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 19.596,60 aan materiële schade en een vergoeding van € 17.583,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende posten: dertien dagen ziekenhuisopname à € 31,- = € 403,-; eigen risico van de zorgverzekering, € 265,85; ontvreemd contant geld, € 14.750,-; ontvreemd replica Rolex horloge, € 177,75; ontvreemde gouden ketting, € 4.000,-. 8.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de posten die zien op het ontvreemde geld en het horloge. De waarde van de gouden ketting zou geschat moeten worden op een bedrag van € 1.000,-. Voor het overige zou de benadeelde partij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in de vordering, nu die posten zien op schade als gevolg van het schieten. 8.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft in verband met de vrijspraak die is bepleit voor het onder 1 ten laste gelegde en het onder 2 ten laste gelegde gedachtestreepje dat ziet op het schieten op [slachtoffer01] , geconcludeerd tot de niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de delen van de vordering die samenhangen met het daardoor opgelopen letsel. Ook de post die ziet op het contante geld is betwist. 8.3. Beoordeling Materiële schade Zoals hiervoor is overwogen heeft de verdachte geen aandeel gehad in het tweede deel van de beroving van [slachtoffer01] , waarbij op hem is geschoten. Dat heeft gevolgen voor de beoordeling van de door de benadeelde partij ingediende vordering. De verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet verantwoordelijk worden gehouden voor de medische kosten van [slachtoffer01] als gevolg van het letsel dat is opgelopen door het schieten en voor de schade die is geleden door het daarna wegnemen van het contante geld. Nu de verdachte ook is vrijgesproken van diefstal van een gouden ketting kan de vordering op dat onderdeel evenmin worden toegewezen. Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding door de verdachte niet is weersproken, zal de vordering waar die ziet op het horloge worden toegewezen. De benadeelde partij zal in de vordering ten aanzien van de overige kostenposten van de materiële schade niet-ontvankelijk worden verklaard. Immateriële schade Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit ook rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde op grond van artikel 6:106 BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, voor zover één van de in dit artikel (onder a-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.