Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummers: 10/089029-22 (dagvaarding I) en 10/311057-21 (dagvaarding II) (ter terechtzitting gevoegd) Datum uitspraak: 18 oktober 2022 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte01] , geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01], ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres01] , [postcode01] [plaats01] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres01] , raadsvrouw mr. I. Saey, advocaat te Rotterdam. 1. Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 4 oktober 2022. 2. Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3. Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M.A.A. Smetsers heeft gevorderd: vrijspraak van het op dagvaarding I onder 1 impliciet primair en het op dagvaarding II onder 1 primair, 2 primair ten laste gelegde; bewezenverklaring van het op dagvaarding I onder 1 impliciet subsidiair, 2 primair en 3 ten laste gelegde en het op dagvaarding II onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling (met uitzondering van het innemen van medicijnen als onderdeel van de behandeling), actieve deelneming aan de gedragsinterventie I-Respect of andere gedragsinterventie gericht op agressiebeheersing waaronder de COVA, het hebben van een proactieve houding aangaande dagbesteding en het conformeren aan afspraken en aanwijzingen omtrent de financiële situatie. 4 Waardering van het bewijs Dagvaarding I 4.1. Vrijspraak pogingen tot doodslag van [slachtoffer01] en [slachtoffer02] Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde pogingen tot doodslag niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewezenverklaring vuurwapenbezit zonder nadere motivering Het onder 3 ten laste gelegde vuurwapenbezit is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.3. Bewijsoverwegingen pogingen tot zware mishandeling en bedreiging van [slachtoffer01] en [slachtoffer02] 4.3.1. Standpunt verdediging De verdachte moet van de ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer01] worden vrijgesproken. 4.3.2. Standpunt officier van justitie De verklaring van de verdachte dat het pistool per ongeluk is afgegaan toen hij over de drempel struikelde is niet geloofwaardig. Door willens en wetens te schieten in een zeer kleine ruimte, waarbij het mogelijk was dat de verschoten munitie zou afketsen, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer01] en [slachtoffer02] zou raken en dat zij hierdoor zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel van deze personen kan bewezen worden. 4.3.3. Beoordeling Pogingen tot zware mishandeling van [slachtoffer01] (en [slachtoffer02] ) Vooropgesteld zij dat poging zware mishandeling van [slachtoffer02] niet is ten laste gelegd. Tot een bewezenverklaring daarvan kan daarom – anders dan door de officier van justitie is gerekwireerd – niet worden gekomen. [slachtoffer01] heeft verder bij de politie verklaard dat zij zag dat de verdachte net voorbij de voordeur van de woning bleef staan en met zijn hand een vuurwapen pakte, waarna zij ineens een harde knal hoorde. Het vuurwapen is ongeveer 5 centimeter naast haar hoofd afgegaan, aldus [slachtoffer01] . [slachtoffer02] heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte een pistool uit zijn jas haalde en dit op Wedervoorts hoofd richtte. Toen [slachtoffer02] achteruit de woning inging en daarna weer terugkwam, richtte de verdachte het pistool nogmaals op [slachtoffer02] . Toen [slachtoffer02] van de verdachte weg rende de woning in, hoorde hij een luide knal achter zich, aldus [slachtoffer02] . [slachtoffer01] en haar zus stonden volgens [slachtoffer02] op dat moment bij de voordeur. Bij een later verhoor bij de politie heeft [slachtoffer02] verklaard dat hij meende dat de verdachte in zijn richting had geschoten, maar dat hij dit niet heeft gezien. De zus van [slachtoffer01] heeft bij de politie verklaard dat zij niet kon zien op wie de verdachte het pistool richtte. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij het pistool uit zijn jaszak heeft gehaald en het pistool in zijn rechterhand met de loop naar beneden gericht heeft gehouden. Toen [slachtoffer02] naar binnen ging, is de verdachte achter hem aan de woning in gegaan. Nadat hij over de drempel van de voordeur van de woning struikelde, heeft hij zich met zijn linkerhand opgevangen tegen de muur tegenover de voordeur en is het pistool in zijn rechterhand per ongeluk afgegaan, aldus de verdachte. Uit het proces-verbaal van bevindingen met nummer [proces-verbaalnummer01] blijkt dat de verbalisanten een kogel hebben gevonden in een bezorgtas die op de vloer tegen een muur van de woonkamer stond en dat zij een gaatje hebben aangetroffen in een teddybeer in een kinderwagen die in één lijn stond tussen de plek waar de kogel was aangetroffen en het halletje van de woning. Aangenomen wordt dat deze kogel met het vuurwapen van de verdachte is verschoten. Er is geen nader onderzoek gedaan naar de kogelbaan. Omdat de kogel is aangetroffen in een laag voorwerp dat op de grond stond, is het op zichzelf bezien niet waarschijnlijk dat de kogel is afgevuurd terwijl de verdachte het vuurwapen op of in de richting van het hoofd van een van de aangevers gericht had. Het dossier biedt daardoor geen steun voor de aangiften waarin staat dat de verdachte in de richting van een van de aangevers heeft geschoten waarmee hij de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer01] (ten overvloede: of [slachtoffer02] ) bewust zou hebben aanvaard. Hoewel het schieten in een kleine ruimte grote risico’s met zich meebrengt, zijn deze risico’s onvoldoende om in die zin voorwaardelijk opzet aan te nemen. Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat pogingen tot zware mishandeling van [slachtoffer01] en [slachtoffer02] niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Bedreiging [slachtoffer01] Een bedreiging is strafbaar als daardoor objectief bezien redelijke vrees voor het leven is ontstaan. De verdachte heeft tijdens een woordenwisseling een vuurwapen vastgepakt, dit getoond en heeft hiermee in de woning geschoten. Objectief bezien kon daardoor bij [slachtoffer01] zonder meer redelijke vrees voor het leven ontstaan. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht. 4.3.4. Conclusie De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen. Dagvaarding II 4.4. Vrijspraak feit 1 primair en feit 2 primair: poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling [slachtoffer03] Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag en de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet wettig en overtuigend zijn bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.5. Bewezenverklaring mishandeling [slachtoffer03] zonder nadere motivering De onder 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.6. Bewijswaardering feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling van [slachtoffer03] 4.6.1. Standpunt verdediging De verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer03] , omdat hij [slachtoffer03] bewust niet hard met de honkbalknuppel heeft geraakt, zodat er geen sprake is van opzet – ook niet in voorwaardelijke zin – op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ook heeft [slachtoffer03] hieraan gering letsel overgehouden. 4.6.2. Beoordeling Blijkens de inhoud van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen heeft de verdachte [slachtoffer03] op het hoofd geslagen met een honkbalknuppel. Uit de letselbeschrijving van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond van 31 december 2021 naar aanleiding van informatie ontvangen van een chirurg van het Ikazia Ziekenhuis blijkt dat op 9 november 2021 juist boven het linkeroor van [slachtoffer03] een zichtbare zwelling is geconstateerd. Het met een honkbalknuppel tegen het hoofd slaan van [slachtoffer03] merkt de rechtbank aan als een poging tot zware mishandeling. Het is een feit van algemene bekendheid dat het geven van een klap met een hard voorwerp tegen het hoofd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg kan hebben. Het handelen van de verdachte wordt qua uiterlijke verschijningsvorm ook geacht daarop gericht te zijn geweest. Door zo te handelen heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer03] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en heeft hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer03] . Het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen. 4.7. Conclusie De verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde. Het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen. Dagvaardingen I en II 4.8. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het op dagvaarding I onder 1 subsidiair en op dagvaarding II onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het op dagvaarding I onder 2 subsidiair en 3, en het op dagvaarding II onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: Dagvaarding I 1. subsidiair hij, op 8 april 2022, te Rotterdam [slachtoffer01] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door de woning van die [slachtoffer01] binnen te dringen en een vuurwapen (pistool) te tonen en een kogel af te vuren ; 2. subsidiair hij, op 8 april 2022 te Rotterdam, [slachtoffer02] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht , door de woning van die [slachtoffer02] binnen te dringen en een vuurwapen (pistool) te tonen en een kogel af te vuren ; 3. hij, op 8 april 2022, te Rotterdam , een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weteneen vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad; Dagvaarding II 1. subsidiair hij op 9 november 2021 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer03] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet die [slachtoffer03] met een honkbalknuppel, op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. subsidiair hij op 9 november 2021 te Rotterdam [slachtoffer03] heeft mishandeld door die [slachtoffer03] met een honkbalknuppel, ophet been te slaan; Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken. 5. Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: Dagvaarding I De eendaadse samenloop van 1. subsidiair en 2. subsidiair: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht 3. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III Dagvaarding II De eendaadse samenloop van 1. subsidiair poging tot zware mishandeling en 2. subsidiair mishandeling 5.1. Noodweer ten aanzien van bedreiging [slachtoffer02] (dagvaarding I feit 2 subsidiair) 5.1.1. Standpunt verdediging Aangevoerd is dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer. De verdachte verdedigde zichzelf, zijn vriendin en haar dochter tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding dan wel onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. [slachtoffer02] had een mes vast en richtte dat op de verdachte en zijn vriendin terwijl hij riep “Ik sla je dood”. 5.1.2. Beoordeling De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht aannemelijk moet zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. De verklaring van de verdachte dat [slachtoffer02] een mes in zijn hand had, vindt steun in de verklaring van zowel [slachtoffer02] als in de verklaring van [slachtoffer01] en haar zus. Uit de verklaringen van [slachtoffer02] , [slachtoffer01] en haar zus blijkt echter dat de verdachte degene is geweest die de confrontatie met [slachtoffer02] heeft opgezocht. Nadat [slachtoffer02] terug de woning in ging, had de verdachte zich aan de situatie moeten onttrekken door weg te gaan met zijn vriendin en haar dochter. In plaats daarvan is de verdachte met een geladen pistool in zijn hand achter [slachtoffer02] aan naar binnen gegaan. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de hem verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een moment waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer slaagt niet en het feit is dus strafbaar. 5.1.3. Conclusie Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6. Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7. Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met de dood van zijn onderburen, door tijdens een ruzie een pistool bij zich te dragen, dit pistool te tonen en dit pistool in de woning van de slachtoffers af te vuren. Dit moet voor de slachtoffers bijzonder angstig zijn geweest. Dergelijke feiten veroorzaken gevoelens van onveiligheid zowel bij de directe slachtoffers als bij de overige in de buurt aanwezigen, die getuige zijn geweest van het geweld. De verdachte heeft zich vijf maanden daarvoor schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling van zijn (ex-)vriendin door haar met een honkbalknuppel op het hoofd en op het been te slaan. De verdachte heeft blijk gegeven geen respect voor de lichamelijke integriteit van anderen te hebben. De verdachte lijkt niet in staat te zijn om een conflict bespreekbaar te maken, maar grijpt naar geweld. Daarbij schuwt hij niet om een vuur- of ander wapen te trekken. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.2. Rapportages De rechtbank heeft ook gelet op de rapporten van 17 november 2021 en 13 juni 2022 die Reclassering Nederland over de verdachte heeft opgemaakt. Uit deze rapporten blijkt onder meer dat vooral het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte als risicoverhogende factoren worden gezien. De verdachte lijkt over gebrekkige vaardigheden te beschikken bij het oplossen van (interpersoonlijke) problemen. Hij is daarom mogelijk geneigd een deels procriminele houding aan te nemen, zoals het aanschaffen van een wapen en het bagatelliseren van zijn aandeel en mogelijkheden met betrekking tot het delict. Mogelijk beschermende factoren zijn (een) partner(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.